ECLI:NL:RBDHA:2025:24218

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
NL25.37751
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Asielaanvraag van Chinese nationaliteit wegens vervolging om bekering tot de Kerk van de Almachtige God

In deze zaak heeft eiseres, een Chinese nationaliteit, op 29 augustus 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel. De minister van Asiel en Migratie heeft deze aanvraag op 16 juli 2025 afgewezen, met als reden dat de asielmotieven niet geloofwaardig zijn. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. Tijdens de zitting op 14 oktober 2025 heeft de rechtbank de zaak behandeld, waarbij eiseres en haar gemachtigde aanwezig waren, evenals de gemachtigde van de minister en een tolk. Eiseres heeft aangevoerd dat zij China heeft verlaten vanwege vervolging door haar actieve deelname aan de Kerk van de Almachtige God (CAG) en dat haar bekering niet geloofd wordt door de minister. De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister in zijn besluit nieuwe gronden heeft aangevoerd die niet eerder in het voornemen zijn vermeld, wat in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank oordeelt dat de minister een nieuw voornemen had moeten uitbrengen, omdat de beoordeling van de asielmotieven wezenlijk is gewijzigd. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op om binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van deze uitspraak. Eiseres krijgt een vergoeding van haar proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.37751

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiseres,

geboren op [geboortedatum] ,
van Chinese nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A.J. de Boer),
en
de minister van Asiel en Migratie [1] , de minister
(gemachtigde: mr. I. van Es).

Procesverloop

1. Eiseres heeft op 29 augustus 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 16 juli 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
1.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 14 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
2. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Zij heeft China verlaten omdat zij daar wordt vervolgd wegens actieve deelname aan de Kerk van de Almachtige God (Church of the Almighty God, CAG). Eiseres heeft zich in 2014, mede onder invloed van de ziekte van haar zoontje, bekeerd tot dit geloof. Na enige tijd is zij zich ook gaan bezighouden met evangelisatie. Tijdens een bijeenkomst in 2016 is de politie binnengevallen en heeft de daar aanwezigen gearresteerd. Na te zijn ondervraagd en een nacht te zijn vastgehouden werd eiseres na het betalen van een boete vrijgelaten. Daarop heeft zij besloten haar woonplaats Pingnan te verlaten en is zij bij een nicht in Nanning gaan wonen. Ook daar bleef eiseres evangeliseren. Toen zij tijdens een bijeenkomst even was weggelopen en bij terugkomst iedereen gearresteerd bleek te zijn, heeft eiseres besloten China te verlaten omdat zij vreest gearresteerd, gevangengezet en gemarteld te worden.
Het bestreden besluit
3. In het voornemen heeft de minister als asielmotieven aangemerkt:
- De identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres:
- De problemen van eiseres naar aanleiding van haar bekering tot en betrokkenheid bij de CAG.
De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig. De problemen die zij ondervonden zou hebben als gevolg van haar bekering en de betrokkenheid bij de CAG volgt de minister echter niet.
3.1.
In het bestreden besluit heeft de minister aangegeven dat aanvullend wordt overwogen dat eiseres onvoldoende heeft verklaard over haar motieven voor haar proces van bekering zoals bedoeld in Werkinstructie 2022/3. Deze elementen zijn volgens de minister niet expliciet in het voornemen behandeld en worden derhalve alsnog in het bestreden besluit besproken. Vervolgens motiveert de minister waarom hij de gestelde bekering tot de Kerk van de Almachtige God niet gebaseerd acht op een diepgewortelde innerlijke overtuiging en waarom deze daarom niet geloofwaardig is.
Gronden
4. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft onder andere aangevoerd dat de minister in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel van hoor en wederhoor heeft gehandeld, nu hij pas in het bestreden besluit aan de orde heeft gesteld dat eiseres onvoldoende zou hebben verklaard over haar motieven voor, en haar proces van bekering, zoals bedoeld in Werkinstructie 2022/3. Zoals blijkt uit vaste jurisprudentie [2] van de Afdeling [3] , dient een bestuursorgaan, indien het uiteindelijke besluit gebaseerd wordt op gronden die niet eerder in het voornemen zijn vermeld, de vreemdeling in de gelegenheid te stellen om daarop te reageren.

Beoordeling door de rechtbank

Zorgvuldigheid
5. De rechtbank overweegt dat uit artikel 3.119 van het Vb 2000 [4] volgt dat wanneer na het uitreiken van het voornemen nieuwe feiten of omstandigheden van aanmerkelijk belang bekend worden, of al bekend waren maar die naar aanleiding van de zienswijze anders worden gewogen, de minister de vreemdeling in staat moet stellen daarover zijn of haar zienswijze te geven als hij desondanks voornemens blijft de aanvraag af te wijzen.
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is in het bestreden besluit sprake van een wezenlijk andere beoordeling dan in het voornemen. De minister heeft het asielmotief gewijzigd en de bekering op zichzelf ongeloofwaardig geacht. Daarmee is sprake van een andere beoordeling die van aanmerkelijk belang is voor de te nemen beslissing. De rechtbank volgt de minister niet in het standpunt dat in het voornemen dit asielmotief al ongeloofwaardig is bevonden maar dat, gezien hetgeen in de zienswijze naar voren is gebracht, er in het bestreden besluit nog iets uitgebreider op is ingegaan. De rechtbank constateert dat eiseres in het voornemen niet gevolgd wordt in haar asielmotief dat zij in China problemen heeft gekregen naar aanleiding van haar bekering tot en betrokkenheid bij de CAG. Hiertoe wordt haar in het voornemen tegengeworpen dat zij wisselende en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd met betrekking tot haar legale uitreis en vage en summiere verklaringen met betrekking tot haar activiteiten voor de CAG. Ook wordt opgemerkt dat zij weinig kennis heeft van de CAG in de diaspora. De rechtbank is van oordeel dat uit deze overwegingen niet valt op te maken dat de minister de bekering van eiseres op zichzelf ongeloofwaardig acht. Vervolgens heeft de minister pas in het bestreden besluit de motieven voor en het proces van bekering van eiseres beoordeeld aan de hand van Werkinstructie 2022/3.
5.2.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister gehouden was om uit zorgvuldigheid een nieuw voornemen uit te brengen. Het uitbrengen van een nieuw voornemen in het geval van een andere beoordeling van aanmerkelijk belang betreft een procedurele zorgvuldigheidseis, zodat de betrokkene in het uiteindelijke besluit niet wordt overvallen door die andere beoordeling zonder dat hij daarop heeft kunnen reageren. [5] De rechtbank volgt de minister dan ook niet in het ter zitting ingenomen standpunt dat eiseres in beroep op de andere beoordeling heeft kunnen reageren en dat daarmee is voldaan aan de zorgvuldigheidseis. De beroepsgrond slaagt. Omdat het beroep gegrond is behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit omdat dit is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. [6] Zij ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten of om zelf in de zaak te voorzien. De minister zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 16 juli 2025;
  • draagt de minister op om binnen twaalf weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4.Vreemdelingenbesluit 2000.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling van 13 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4116, r.o. 3.1.
6.Algemene wet bestuursrecht.
7.Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij één punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor van één.