ECLI:NL:RBDHA:2025:24217
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) voor een kind met autisme en verstandelijke beperking
Op 4 december 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in de zaak tussen het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) en de wettelijk vertegenwoordiger van een minderjarige, aangeduid als [naam 1]. De zaak betreft de afwijzing van een aanvraag voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) voor [naam 1], die bekend is met autisme en een beneden-gemiddelde intelligentie. De aanvraag werd door het CIZ afgewezen omdat de grondslag verstandelijke beperking niet kon worden vastgesteld en er onvoldoende bewijs was voor een blijvende zorgbehoefte, gezien de jonge leeftijd van [naam 1]. Eiser, de wettelijk vertegenwoordiger, was het niet eens met deze afwijzing en heeft beroep ingesteld. De rechtbank heeft de zaak op 11 november 2025 behandeld, waarbij zowel eiser als deskundigen aanwezig waren.
De rechtbank heeft vastgesteld dat er bij [naam 1] sprake is van psychische stoornissen en dat hij beperkingen ervaart in het dagelijks functioneren. Echter, de rechtbank oordeelt dat het CIZ voldoende gemotiveerd heeft dat het nog te vroeg is om een definitieve uitspraak te doen over de blijvendheid van de zorgbehoefte van [naam 1]. De rechtbank benadrukt dat, hoewel [naam 1] op dit moment continu toezicht en begeleiding nodig heeft, er onvoldoende aanknopingspunten zijn om te concluderen dat hij blijvend 24 uur per dag zorg in de nabijheid nodig heeft. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wat betekent dat de afwijzing van de aanvraag door het CIZ standhoudt. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten en het griffierecht wordt niet teruggegeven.