ECLI:NL:RBDHA:2025:24217

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
25/1667
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) voor een kind met autisme en verstandelijke beperking

Op 4 december 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in de zaak tussen het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) en de wettelijk vertegenwoordiger van een minderjarige, aangeduid als [naam 1]. De zaak betreft de afwijzing van een aanvraag voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) voor [naam 1], die bekend is met autisme en een beneden-gemiddelde intelligentie. De aanvraag werd door het CIZ afgewezen omdat de grondslag verstandelijke beperking niet kon worden vastgesteld en er onvoldoende bewijs was voor een blijvende zorgbehoefte, gezien de jonge leeftijd van [naam 1]. Eiser, de wettelijk vertegenwoordiger, was het niet eens met deze afwijzing en heeft beroep ingesteld. De rechtbank heeft de zaak op 11 november 2025 behandeld, waarbij zowel eiser als deskundigen aanwezig waren.

De rechtbank heeft vastgesteld dat er bij [naam 1] sprake is van psychische stoornissen en dat hij beperkingen ervaart in het dagelijks functioneren. Echter, de rechtbank oordeelt dat het CIZ voldoende gemotiveerd heeft dat het nog te vroeg is om een definitieve uitspraak te doen over de blijvendheid van de zorgbehoefte van [naam 1]. De rechtbank benadrukt dat, hoewel [naam 1] op dit moment continu toezicht en begeleiding nodig heeft, er onvoldoende aanknopingspunten zijn om te concluderen dat hij blijvend 24 uur per dag zorg in de nabijheid nodig heeft. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wat betekent dat de afwijzing van de aanvraag door het CIZ standhoudt. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten en het griffierecht wordt niet teruggegeven.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/1667

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , wettelijk vertegenwoordiger van [naam 1] , uit [woonplaats] ,eiser
(gemachtigde: mr. M.P. de Witte),
en

Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ), het CIZ

(gemachtigde: mr. L.M.R. Kater)).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om zorg in het kader van de Wet langdurige zorg (Wlz) voor [naam 1] . Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag heeft mogen afwijzen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Namens [naam 1] is er een aanvraag ingediend voor zorg op grond van de Wlz. Het CIZ heeft deze aanvraag met het besluit van 10 juli 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 20 februari 2025 op het bezwaar van eiser is het CIZ bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 11 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de zus van eiser, [naam 2] (orthopedagoog), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. [naam 1] , geboren op [geboortedatum] 2015, is bekend met autisme en een beneden-gemiddelde intelligentie. Hij woont bij zijn ouders en de wens is om middels een persoonsgebonden budget (pgb) zorg voor hem in te zetten. Op 6 maart 2024 is namens [naam 1] een aanvraag ingediend voor zorg in het kader van de Wlz. Naar aanleiding daarvan heeft er op 13 mei 2024 een huisbezoek plaatsgevonden en is er een consultatie geweest met de medisch adviseur van het CIZ. De resultaten hiervan zijn neergelegd in het advies van 9 juli 2024. Met het primaire besluit is een indicatiebesluit afgegeven waarbij de aanvraag is afgewezen.
3.1.
Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Het CIZ heeft een concept beslissing op bezwaar voor advies aan het Zorginstituut voorgelegd. Het Zorginstituut heeft geen aanleiding gezien om in het geval van eiser een advies uit te brengen.
3.2.
Met het bestreden besluit heeft het CIZ de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd. Onder verwijzing naar het medisch advies van 9 juli 2024 heeft het CIZ gesteld dat in de situatie van eiser de grondslag psychiatrie is vastgesteld. Er is vermoedelijk ook een grondslag verstandelijke beperking, maar dit kan op basis van de huidige scores van de intelligentietesten niet worden vastgesteld. Daarnaast is het, gelet op de jonge leeftijd van [naam 1] , niet uitgesloten dat hij zich in de toekomst verder zou kunnen ontwikkelen op het gebied van zelfredzaamheid.
Wat vindt eiser in beroep?
3.3.
Eiser vindt dat het CIZ het besluit ondeugdelijk heeft gemotiveerd. De medisch adviseur stelt dat er vermoedelijk sprake is van een grondslag verstandelijke handicap, maar dat er nog nader onderzoek nodig is. Van dat onderzoek is afgezien omdat volgens de medisch adviseur niet kan worden onderbouwd dat sprake is van blijvendheid. Er is volgens de medisch adviseur geen sprake van een stabiele situatie, waardoor er (nog) niet kan worden vastgesteld dat [naam 1] levenslang aangewezen zal zijn op 24 uur zorg in de nabijheid. Eiser bestrijdt dat zonder nader onderzoek een uitspraak kan worden gedaan over de blijvendheid van de zorgbehoefte van [naam 1] .
3.4.
Eiser heeft in beroep verschillende medische stukken ingediend afkomstig van het Haga Ziekenhuis, [instelling 1] en [instelling 2] . Er is een nieuw intelligentieonderzoek afgelegd door [naam 2] en [naam 3] (orthopedagogen bij [instelling 2] ). De resultaten hiervan zijn neergelegd in het verslag van 3 april 2025. Volgens eiser kan uit deze medische gegevens worden afgeleid dat er bij [naam 1] ook sprake is van de grondslag verstandelijke beperking en dat de zorgbehoefte blijvend is.
Wat oordeelt de rechtbank?
4. Om in aanmerking te kunnen komen voor Wlz-zorg moet worden voldaan aan de voorwaarden van artikel 3.2.1, eerste lid, van de Wlz. Samengevat komt het erop neer dat iemand in aanmerking komt voor een Wlz-indicatie als:
- er een grondslag is; en
- er permanent toezicht nodig is ter voorkoming van escalatie of ernstig nadeel of
- 24 uur per dag zorg in de nabijheid nodig is om ernstig nadeel te voorkomen; en
- deze zorgbehoefte blijvend is.
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat [naam 1] stoornissen heeft en beperkingen ervaart bij het dagelijks functioneren en dat hij een grote behoefte aan zorg heeft. Partijen zijn het er ook over eens dat bij [naam 1] sprake is van de grondslag psychische stoornis. Partijen verschillen van mening over de vraag of er ook sprake is van de grondslag verstandelijke beperking en of [naam 1] blijvend is aangewezen op permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid.
4.2.
Het bestreden besluit berust op het medisch advies van 9 juli 2024. Het advies van de medisch adviseur is een deskundigenadvies waar het CIZ bij zijn besluitvorming op mag afgaan, mits is gebleken dat dit advies volledig is en op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Het ligt vervolgens op de weg van eiser om medische stukken over te leggen die aan de juistheid van dat medisch advies doen twijfelen. [1] Eiser heeft daartoe de aanvullende stukken genoemd onder 3.4. overgelegd. Op 3 juli 2025 heeft het CIZ naar aanleiding van de in beroep overgelegde informatie om een aanvullend medisch advies gevraagd. De ingeschakelde medisch adviseur heeft beoordeeld of met de nieuwe informatie de grondslag verstandelijke handicap kan worden vastgesteld. Ook heeft deze medisch adviseur onderzocht of er sprake is van een noodzaak tot 24 uur zorg in de nabijheid om ernstig nadeel te voorkomen op basis van de grondslag verstandelijke handicap.
4.3.
De rechtbank heeft geen aanwijzingen dat het medisch onderzoek niet met de vereiste zorgvuldigheid is uitgevoerd. Er is zorgvuldig onderzoek gedaan naar de situatie van [naam 1] . Hierbij zijn de in het dossier aanwezige medische stukken betrokken. De medisch adviseur komt tot de conclusie dat op basis van het intelligentieonderzoek dat op 3 april 2025 is uitgevoerd bij [instelling 2] niet betrouwbaar is vast te stellen wat het niveau van [naam 1] is. Hiertoe is overwogen dat de resultaten van het onderzoek een sterk disharmonisch profiel laten zien. Hierdoor vormt het IQ van 56 geen betrouwbare maatstaf voor de intelligentie van [naam 1] . Er is daarom niet betrouwbaar vast te stellen dat [naam 1] een IQ van onder de 75 heeft, wat de basis vormt voor het vaststellen van een grondslag verstandelijke handicap in het kader van de Wlz. Daar komt bij dat niet geheel duidelijk is in hoeverre zijn autisme de scores kan hebben gedrukt en in hoeverre ze een betrouwbare inschatting geven van de daadwerkelijke intellectuele capaciteiten. Hierdoor is op dit moment geen grondslag verstandelijke handicap vast te stellen.
4.4.
[naam 2] heeft ter zitting de resultaten van het intelligentieonderzoek van 3 april 2025 toegelicht. [naam 1] heeft op drie van de vier onderdelen zeer laag gescoord. Op het onderdeel mozaïek heeft [naam 1] een adequaat niveau. Volgens [naam 2] is dit kenmerkend voor kinderen met autisme. Naast de intelligentie van [naam 1] heeft [naam 2] ook zijn praktische zelfredzaamheid beoordeeld. Hiertoe is een ABAS-3 ingevuld met de tante van [naam 1] . Hieruit volgt dat [naam 1] op de meeste gebieden functioneert als een kind van tussen de 1 en 2 jaar oud. Volgens [naam 2] kan hieruit worden afgeleid dat [naam 1] matig verstandelijk beperkt is.
4.5.
Uit het voorgaande blijkt dat [naam 1] op dit moment continu toezicht en begeleiding nodig heeft ter voorkoming van ernstig nadeel. Ook vormt het een bevestiging van het vermoeden van de medisch adviseur dat er bij [naam 1] sprake zou kunnen zijn van een grondslag verstandelijke handicap. Wat hier verder van zij, kan dit niet tot de conclusie leiden dat [naam 1] op dit moment toegang zou moeten krijgen tot de Wlz. Daargelaten of in het geval van [naam 1] een grondslag verstandelijke handicap kan worden vastgesteld, zijn er namelijk onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat eiser een blijvende behoefte heeft aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid om ernstig nadeel voor hem zelf te voorkomen. Daarom behoort [naam 1] (nog) niet tot de doelgroep van de Wlz. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
4.6.
Uit artikel 2.1.4. van de Beleidsregels indicatiestelling Wlz 2025 volgt dat bij kinderen niet alleen naar de eventuele mogelijkheden van (functionele) verbetering of herstel wordt gekeken, maar ook naar de ontwikkelingsmogelijkheden. Een kind krijgt pas toegang tot de Wlz als kan worden vastgesteld dat het kind, ondanks deze ontwikkeling, ook in de toekomst zal zijn aangewezen op 24 uur per dag zorg in de nabijheid of permanent toezicht.
4.7.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het CIZ – onder verwijzing naar de medische adviezen – voldoende gemotiveerd dat het op dit moment nog te vroeg is om een definitieve uitspraak te doen over de blijvendheid van de zorgbehoefte van [naam 1] . Het is zonder meer aannemelijk dat [naam 1] door zijn aandoeningen gedurende zijn gehele leven een zekere mate van begeleiding en ondersteuning nodig zal hebben. Dit volgt ook uit de medische informatie die eiser in beroep heeft overgelegd. Zo volgt uit de brief van [naam 4] en [naam 5] van het Hagaziekenhuis van 21 oktober 2025 dat [naam 1] is aangewezen op intensieve zorg en begeleiding en dat zelfstandig functioneren in de toekomst niet wordt verwacht. Het CIZ heeft echter voldoende gemotiveerd dat wel mag worden verwacht dat [naam 1] gelet op zijn leeftijd nog ontwikkeling zal doormaken op het gebied van zelfredzaamheid. Weliswaar op aangepast tempo en in kleine stapjes, maar het is niet gebleken dat hij nu al aan zijn plafond zit wat betreft ontwikkeling. Zo blijkt uit het ontwikkelingsperspectief van de school van [naam 1] dat er groei en vooruitgang wordt gezien. Ook is er in het psychologisch onderzoek van 8 april 2024 aangegeven dat [naam 1] , ondanks dat het moeilijk voor hem is om zich dingen eigen te maken, geleerd kan worden om in bepaalde mate voor zichzelf te zorgen. De rechtbank benadrukt dat dit niet betekent dat het in de lijn der verwachting ligt dat [naam 1] in de toekomst een zelfstandig leven zal kunnen leiden. In het kader van de Wlz gaat het er echter om of hij zich nog zodanig kan ontwikkelen dat hij voldoende zelfstandig wordt om niet meer aangewezen te zijn op permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wlz. Daarbij is tevens van belang dat voor [naam 1] – mede door zijn jonge leeftijd – nog behandelmogelijkheden bestaan, gericht op het leren omgaan met zijn beperkingen en het vergroten van zijn zelfstandigheid. [2]

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Leichel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 10 april 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7639), 14 juli 2021 (ECLI:NL:CRVB:2021:1743) en 12 april 2023 (ECLI:NL:CRVB:2023:694).
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 8 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2173.