ECLI:NL:RBDHA:2025:23825

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
NL25.35185
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Y. Yeniay - Cenik
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 EU HandvestArt. 13 DublinverordeningArt. 17 DublinverordeningRichtlijn 2013/33/EU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel

Eiser diende op 9 mei 2025 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in Nederland. De minister nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening. Eiser stelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet langer geldt vanwege structurele tekortkomingen in de Spaanse opvang, onderbouwd met rapporten en jurisprudentie.

De rechtbank oordeelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat Spanje niet langer kan worden vertrouwd met de behandeling van zijn asielaanvraag. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft dit vertrouwen in eerdere uitspraken bevestigd. Het meest recente AIDA-rapport en de lopende inbreukprocedure tegen Spanje bieden onvoldoende grond om het vertrouwensbeginsel te doorbreken.

Ook de verklaringen van eiser over zijn ervaringen in Spanje zijn onvoldoende concreet en onderbouwen geen systeemfouten die een overdracht zouden verbieden. De minister heeft terecht geoordeeld dat eiser geen asielaanvraag in Spanje heeft gedaan en zich niet bij de autoriteiten heeft gemeld. Het beroep op artikel 17 van Pro de Dublinverordening is onvoldoende gemotiveerd.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en handhaaft het besluit van de minister. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter Y. Yeniay - Cenik en griffier R.C. Lubbers.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.35185

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 december 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M.L. Saija),
en

de minister van Asiel en Migratie.

(gemachtigde: mr. C.D.G. IJzendoorn).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt tot het oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten aanzien van Spanje niet langer mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank komt verder tot het oordeel dat de minister de aanvraag ook niet zelf in behandeling heeft hoeven nemen op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 9 mei 2025 in Nederland een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Met het bestreden besluit van
30 juli 2025 heeft de minister deze aanvraag niet in behandeling genomen.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 10 november 2025 op zitting behandeld samen met zaak NL25.35186. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser en zijn gemachtigde zijn met vooraankondiging niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Procesbelang
3. De minister heeft per bericht van 15 oktober 2025 aan de rechtbank verzocht om een oordeel te geven over de vraag of eiser nog procesbelang heeft, omdat hij volgens de minister met onbekende bestemming (MOB) is vertrokken.
3.1.
De gemachtigde van eiser betoogt dat eiser niet MOB is, omdat hij naar een
voetbalwedstrijd was en zich daardoor niet heeft gemeld. Zij heeft een screenshot overgelegd van een mailbericht van 21 oktober 2025 waaruit blijkt dat hij nog contact heeft met eiser en betoogt dat eiser zich zo snel mogelijk weer zal melden bij de Nederlandse autoriteiten.
3.2.
De minister heeft ter zitting aangegeven dat omdat uit de berichtgeving van de gemachtigde van eiser blijkt dat zij nog contact heeft met eiser, daarom procesbelang moet worden aangenomen. De rechtbank is het met de minister eens omdat niet is gebleken dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. [1] Eiser heeft daarom procesbelang.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [2] In dit geval heeft Nederland bij Spanje een verzoek om overname gedaan. Spanje heeft dit verzoek op 18 juli 2025 op grond van artikel 13, eerste lid, van de Dublinverordening, aanvaard.
Het interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. Eiser betoogt dat ten aanzien van Spanje niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, omdat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvangvoorzieningen. Eiser verwijst naar het meest recente AIDA-rapport van 30 april 2025: ‘Country report: Spain (2024 update)’ en de inbreukprocedure die is gestart door de Europese Commissie. Ook verwijst eiser naar een uitspraak van de Afdeling van 4 september 2024 en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond van 6 september 2024. [3] Eiser betoogt dat artikel 4 van Pro het EU Handvest in de weg staat aan de overdracht van eiser aan Spanje. De door eiser afgelegde verklaringen over zijn eerdere ervaringen in Spanje geven er volgens hem blijk van dat hij na overdracht zal worden geconfronteerd met systeemfouten in de opvang en/of asielprocedure die de zeer hoge drempel van zwaarwegendheid halen als bedoeld in het arrest Jawo. [4] Eiser voert aan dat de minister miskent dat uit verklaringen van eiser aanknopingspunten voor deze systeemfouten blijken en dat deze in samenhang met de door hem aangedragen landeninformatie tot de conclusie leiden dat sprake is van systeemfouten. De minister heeft eiser naar eigen zeggen daarom niet mogen tegenwerpen dat hij niet zelf asiel heeft aangevraagd in Spanje. De minister dient volgens eiser ook inhoudelijk in te gaan op de verklaringen van eiser over wat hij heeft gedaan om zich tot de autoriteiten te wenden om opvang te verkrijgen en kan deze verklaringen niet terzijde leggen met de verwijzing naar een algemeen uitgangspunt.
Het juridisch kader
5.1.
Bij de beoordeling van de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een door een vreemdeling in een van de lidstaten ingediend asielverzoek, mag de minister uitgaan van het vermoeden dat de behandeling van de vreemdeling in de aangezochte lidstaat in overeenstemming is met de bepalingen van het EU Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM. Uit artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening en de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt echter dat de minister een vreemdeling niet mag overdragen aan de verantwoordelijke lidstaat als hij niet onkundig kan zijn van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in dat land waardoor de verzoeker een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van Pro het EU Handvest. De minister moet bij zijn beoordeling alle informatie betrekken die de verzoeker heeft ingebracht, en ook uit eigen beweging rekening houden met relevante en objectieve informatie waarvan hij kennis heeft. [5] Als blijkt van tekortkomingen die structureel of fundamenteel zijn, moeten die tekortkomingen een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken om tot een schending van artikel 4 van Pro het EU Handvest te leiden. [6] Niet iedere schending van een grondrecht door de verantwoordelijke lidstaat heeft onder de Dublinverordening gevolgen voor de verplichtingen van de overige lidstaten. [7]
Het oordeel van de rechtbank
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat eiser er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat ten aanzien van Spanje niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling heeft in de uitspraak van 27 juli 2023 [8] geoordeeld dat ten aanzien van Spanje kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit heeft de Afdeling in de uitspraken van 24 juni 2024 [9] en 23 december 2024 [10] nogmaals bevestigd. Daarbij overweegt de rechtbank dat de Spaanse autoriteiten met het claimakkoord hebben gegarandeerd het asielverzoek van eiser in behandeling te nemen. Daarmee garanderen de Spaanse autoriteiten dat zij zich zullen houden aan de internationale verplichtingen die voortvloeien uit de verdragen en Europese richtlijnen die horen bij het behandelen van een asielaanvraag.
5.3.
In de hierboven genoemde uitspraken van de Afdeling wordt verwezen naar eerdere rechtspraak waarin eerdere versies van het door eiser aangehaalde AIDA-rapport zijn besproken. In de uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2024 is bijvoorbeeld het AIDA- rapport van 31 mei 2024 betrokken. [11] Het meest recente door eiser aangehaalde AIDA-rapport laat naar het oordeel van de rechtbank geen wezenlijk ander beeld zien. Hoewel het lastig kan zijn voor Dublinclaimanten om toegang te verkrijgen tot opvangvoorzieningen, blijkt niet dat die problemen dermate structureel en ernstig zijn, dat bij overdracht aan Spanje op voorhand sprake is van een reëel risico op een met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het EU Handvest strijdige behandeling. Eiser heeft verder ook niet geconcretiseerd op welke punten de informatie uit het meest recente AIDA-rapport verschilt ten opzichte van de eerdere rapporten.
5.4.
Voor zover eiser zich beroept op de inbreukprocedure jegens Spanje vanwege het niet volledig omzetten van alle bepalingen van de Opvangrichtlijn [12] , ziet de rechtbank eveneens geen aanknopingspunten voor het oordeel dat ten aanzien van Spanje niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Het starten van deze procedure op zichzelf is onvoldoende om aan te tonen dat Spanje structurele tekortkomingen heeft in de opvangvoorzieningen. Daar komt bij dat de Europese Commissie de Spaanse autoriteiten de gelegenheid heeft gegeven om de gebrekkige implementatie van de Opvangrichtlijn te herstellen. De rechtbank wijst ter onderbouwing van haar oordeel op de uitspraak van de Afdeling van 3 september 2025 en de aan die uitspraak ten grondslag liggende uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht van 22 augustus 2025. [13] Mocht eiser in Spanje toch problemen ervaren, dan dient hij zich hiervoor wenden tot de (hogere) Spaanse autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit voor hem niet mogelijk is of dat de Spaanse autoriteiten hem niet zouden kunnen of willen helpen.
5.5.
De rechtbank ziet verder geen aanleiding voor het oordeel dat de minister de verklaringen van eiser over zijn reis door Spanje, in combinatie met de door eiser aangehaalde landeninformatie niet, of niet op een juiste manier, in de beoordeling heeft betrokken. De minister baseert zijn standpunt terecht op de omstandigheid dat eiser geen eigen ervaring heeft als Dublinclaimant in Spanje en dat hij ook geen asiel heeft aangevraagd zodat hij niet uit eigen ervaring kan verklaren over wat hem (mogelijk) te wachten staat als hij wordt overgedragen aan Spanje. Eiser heeft immers slechts verklaard enige tijd in een opvang te hebben gezeten, waar hij naar eigen zeggen niet kon uitkomen voor zijn homoseksualiteit omdat hij bang was voor (andere) Afrikaanse bewoners. Hij heeft ook verklaard niet naar de politie te zijn geweest omdat dit niet in hem opkwam omdat hij zo ver mogelijk wilde reizen en dat het ook niet in hem is opgekomen om dit elders te melden. De minister heeft de verklaringen van eiser expliciet betrokken in zijn besluitvorming. De minister heeft in deze verklaringen geen indicaties voor systeemfouten hoeven zien en mag ook aan eiser tegenwerpen dat hij zelf heeft verklaard zich nooit bij de autoriteiten van Spanje te hebben gemeld omdat hij daar niet aan heeft gedacht en niet omdat dit volgens hem onmogelijk of zinloos was. Zoals uit voorgaande volgt, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat het meest recente AIDA-rapport geen wezenlijk andere situatie laat zien dan voorgaande edities. Ook aan dit AIDA-rapport heeft de minister expliciet aandacht besteed. De rechtbank volgt gezien voorgaande niet de verwijzing van eiser naar de uitspraak van de Afdeling van 4 september 2024 of de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond van 6 september 2024. [14]
Artikel 17 van Pro de Dublinverordening
6. Eiser voert aan dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is nu hij een gemotiveerd beroep heeft gedaan op artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat eiser niet heeft onderbouwd dat de minister zijn standpunt over artikel 17 van Pro de Dublinverordening niet onvoldoende heeft gemotiveerd. Eiser heeft niet geconcretiseerd waarom dat volgens hem het geval is. Het betoog slaagt alleen al daarom niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van
mr. R.C. Lubbers, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.
2.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
4.HvJ 19 maart 2019,ECLI:EU:C:2019:218.
5.Dit toetsingskader volgt uit HvJ 29 februari 2024 (arrest X), ECLI:EU:C:2024:195, en ABRvS 4 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3455.
6.EHRM 21 januari 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0121JUD003069609 (M.S.S. tegen België en Griekenland), punt 263, en HvJEU 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218 (Jawo), punten 91-93.
7.ECLI:EU:C:2011:865, punt 82.
11.Country report: Spain (2023 update).
12.Richtlijn 2013/33/EU.
13.Zie ECLI:NL:RVS:2025:4183 en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht van 22 augustus 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:15746, rechtsoverwegingen 7, 8 en 10.
14.Zie voetnoot 3.