ECLI:NL:RBDHA:2025:23787

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
NL23.27423 en NL24.11963 en NL24.14514
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.S. Gaastra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Richtlijn 2001/55/EGUitvoeringsbesluit (EU) 2022/382Art. 6:19 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging tijdelijke bescherming Oekraïense derdelander en oplegging terugkeerbesluit

Eiseres, een derdelander uit Marokko met tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne, kreeg facultatieve tijdelijke bescherming in Nederland na de invasie van Oekraïne in februari 2022. De minister beëindigde deze bescherming per 4 maart 2024 en legde een terugkeerbesluit op. Eiseres betwistte dit en stelde meerdere beroepen in tegen besluiten van 31 augustus 2023, 21 februari 2024 en 18 augustus 2025.

De rechtbank oordeelt dat het besluit van 31 augustus 2023 is ingetrokken en dat het beroep daarop daarom niet-ontvankelijk is. Het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 is vervangen door het besluit van 18 augustus 2025, waardoor ook het beroep daarop niet-ontvankelijk is. Het beroep tegen het besluit van 18 augustus 2025 is ongegrond omdat de minister terecht de tijdelijke bescherming beëindigde en het terugkeerbesluit oplegde.

Eiseres voerde aan dat zij op toezeggingen mocht vertrouwen en dat het terugkeerbesluit een inbreuk op haar privéleven vormt. De rechtbank volgt dit niet, verwijzend naar uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak en het Hof van Justitie die bevestigen dat de tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 rechtsgeldig eindigde en dat geen toezeggingen waren gedaan die anders doen gelden.

De rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres. De uitspraak is gedaan door rechter A.S. Gaastra en griffier B. Voors op 11 december 2025.

Uitkomst: Beroep tegen intrekking tijdelijke bescherming niet-ontvankelijk; beroep tegen vervangend terugkeerbesluit ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL23.27423 en NL24.11963 en NL24.14514

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. K.P.E. van Tulden),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van de aan eiseres toegekende facultatieve tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming (Richtlijn) [1] en de oplegging van meerdere terugkeerbesluiten. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht de aan eiseres toegekende facultatieve tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 heeft beëindigd en per die datum een terugkeerbesluit heeft opgelegd. Het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel en een inbreuk op het privéleven maken dat niet anders. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. De minister heeft eiseres bij besluit van 31 augustus 2023 in kennis gesteld van de beëindiging van de aan haar toegekende bescherming per 4 september 2023. Dit besluit geldt ook als terugkeerbesluit. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld (NL23.27423). Ook heeft zij verzocht een voorlopige voorziening te treffen (NL23.27424). Op 31 januari 2024 heeft de minister het besluit van 31 augustus 2023 ingetrokken.
2.1.
Bij uitspraak van 4 april 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats het verzoek een voorlopige voorziening te treffen (NL23.27424) toegewezen en bepaald dat eiseres moet worden behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming op haar van toepassing is, tot uitspraak is gedaan op het beroep.
2.2.
Op 21 februari 2024 heeft de minister een nieuw terugkeerbesluit genomen waarin eiseres is meegedeeld dat de aan haar toegekende tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 eindigt. Hiertegen heef eiseres beroep ingesteld (NL24.11963) en heeft zij verzocht een voorlopige voorziening te treffen (NL24.14514).
2.3.
Bij besluit van 18 augustus 2025 heeft de minister eiseres meegedeeld dat het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 is ingetrokken en vervangen door een nieuw terugkeerbesluit. Ook hierin is eiseres medegedeeld dat de aan haar toegekende tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 is geëindigd. Hiertegen heeft eiseres op 4 september 2025 aanvullende gronden gericht.
2.4.
Omdat geen van de partijen, nadat zij zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord, heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht, heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting verder achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten en inleidende opmerkingen
3. Eiseres komt uit Marokko. Zij had in Oekraïne een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met een grootschalige invasie van Oekraïne. Eiseres is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier als zogeheten derdelander facultatieve tijdelijke bescherming verkregen op grond van de Richtlijn en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 [2] van 4 maart 2022 (Uitvoeringsbesluit). Ook heeft zij, om deze tijdelijke bescherming te kunnen krijgen, een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Deze aanvraag is op 31 augustus 2023 buiten behandeling gesteld. Hiertegen is geen beroep ingesteld.
3.1.
De minister heeft aanvankelijk bepaald dat de facultatieve tijdelijke bescherming met ingang van 4 september 2023 eindigt. Dit heeft de minister aan eiseres bij besluit van 31 augustus 2023 bekendgemaakt. Met dit besluit is eiseres ook een terugkeerbesluit opgelegd. Hiertegen heeft eiseres beroep ingesteld. Dit besluit heeft de minister ingetrokken nadat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bij uitspraak van 17 januari 2024 [3] had bepaald dat het recht op tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning van rechtswege niet op deze datum kon eindigen, maar van rechtswege zou eindigen op 4 maart 2024. In een brief van 24 januari 2024 heeft de minister eiseres gewezen op deze beëindiging van rechtswege op 4 maart 2024. Eiseres heeft haar beroep echter gehandhaafd.
3.2.
De minister heeft op 21 februari 2024 opnieuw een terugkeerbesluit opgelegd en vastgesteld dat eiseres met ingang van 5 maart 2024 niet langer rechtmatig in Nederland verblijft en de Europese Unie moet verlaten. Tegen dit besluit heeft eiseres ook beroep ingesteld.
3.3.
Deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, en de Afdeling hebben op 29 maart 2024 [4] en 25 april 2024 [5] prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie. Deze vragen zijn beantwoord in een arrest van 19 december 2024 (arrest Kaduna). [6] Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat het Unierecht het een lidstaat toestaat om de verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip in te trekken dan dat waarop de verplichte tijdelijke bescherming geen rechtsgevolgen meer heeft. Ook heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat het lidstaten niet is toegestaan een terugkeerbesluit te nemen voordat de tijdelijke bescherming is beëindigd.
De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 [7] uitgelegd hoe het arrest van het Hof van Justitie dient te worden toegepast en bevestigd dat de tijdelijke bescherming voor derdelanders op 4 maart 2024 is geëindigd. Bij brief van 3 juni 2025 heeft de minister meegedeeld dat hij besloten heeft om naar aanleiding van deze Afdelingsuitspraken de bevriezingsmaatregel per 4 september 2025 te beëindigen. [8] Op 10 juli 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, naar aanleiding van het arrest van 19 december 2024 einduitspraak gedaan. [9]
3.4.
Bij besluit van 18 augustus 2025 heeft de minister eiseres meegedeeld dat het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 is ingetrokken en is vervangen door een nieuw terugkeerbesluit, waarbij de datum van beeindiging, te weten 4 maart 2024, onveranderd is gebleven
Beroep tegen beëindiging tijdelijke bescherming/terugkeerbesluit per 4 september 2023
4. De minister heeft het besluit van 31 augustus 2023 tot beëindiging per 4 september 2023 van de aan eiseres toegekende tijdelijke bescherming en tot oplegging van een terugkeerbesluit ingetrokken. Dat betekent in beginsel dat eiseres geen belang meer heeft bij een beoordeling van het tegen dit besluit gerichte beroep. Eiseres heeft ook geen omstandigheden naar voren gebracht die tot een ander oordeel moeten leiden. Daarom is het beroep tegen het besluit van 31 augustus 2023 niet-ontvankelijk.
Beroep tegen het terugkeerbesluit van 21 februari 2024
5. Het tegen het besluit van 31 augustus 2023 gehandhaafde beroep is ook gericht tegen het alsnog op 21 februari 2024 genomen terugkeerbesluit. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft eerder overwogen dat dit naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024 genomen terugkeerbesluit op grond van artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege bij de beoordeling van dat beroep moet worden betrokken. [10] De rechtbank ziet nu geen aanleiding voor een ander oordeel. Dit besluit van 21 februari 2024 heeft namelijk een gelijke strekking en is gebaseerd op dezelfde bevoegdheidsgrondslag en feitelijke grondslag als het eerdere besluit van 31 augustus 2023 en vertoont daarmee dus een onlosmakelijke samenhang. Die samenhang volgt ook uit de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024, waarin zowel op de verblijfsbeëindiging per 4 september 2023 als die per 4 maart 2024 wordt ingegaan. Verder heeft het besluit van 21 februari 2024 ook rechtsgevolg, omdat het de reikwijdte van het besluit van 31 augustus 2023, namelijk de datum waarop het rechtmatig verblijf van eiseres eindigt en vanaf wanneer een vertrekplicht ontstaat, wijzigt. Het tijdsverloop tussen het moment van intrekking (31 januari 2024) van het eerdere terugkeerbesluit en het vervangende terugkeerbesluit van 21 februari 2024 betekent niet dat artikel 6:19 van Pro de Awb niet kan worden toegepast. Het aanmerken van het besluit van 21 februari 2024 als een 6:19-besluit dient ook de proceseconomie: de rechtzoekende kan zijn bezwaren tegen het nieuwe besluit in de al aanhangig gemaakte procedure naar voren brengen en hoeft dus geen afzonderlijk rechtsmiddel in te dienen.
5.1.
De rechtbank is echter van oordeel dat eiseres geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van dit besluit. De minister heeft het prematuur genomen terugkeerbesluit van 21 februari 2024, als gevolg van het arrest Kaduna en de uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025, vervangen door het terugkeerbesluit van 18 augustus 2025. Eiseres heeft geen omstandigheden naar voren gebracht die meebrengen dat zij toch een belang heeft bij het tegen het besluit van 21 februari 2024 gerichte beroep. Daarom is het beroep ook in zoverre niet-ontvankelijk.
Beroep tegen het terugkeerbesluit van 18 augustus 2025
Kwalificatie van het besluit van 18 augustus 2025
6. In het besluit van 18 augustus 2025 staat dat de minister het eerdere terugkeerbesluit van 21 februari 2024 intrekt en vervangt door het met dat besluit opgelegde terugkeerbesluit. De rechtbank zal dit besluit aanmerken als een besluit tot vervanging, als bedoeld in artikel 6:19 van Pro de Awb, van het eerdere terugkeerbesluit. De rechtbank zal hierna de tegen dit besluit aangevoerde beroepsgronden bespreken.
Vertrouwensbeginsel en inbreuk op privéleven
7. Eiseres betoogt dat de minister bij binnenkomst toezeggingen heeft gedaan waarop zij had mogen vertrouwen dat zij in Nederland mocht blijven zolang het conflict in Oekraïne voortduurde. Daarnaast heeft zij hier in Nederland een privéleven opgebouwd waarop het terugkeerbesluit een inbreuk is.
7.1.
De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 geoordeeld dat de minister de facultatieve tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne mocht beëindigen op 4 maart 2024. De beroepsgronden leiden niet tot een ander oordeel. In de uitspraken van 23 april 2025 heeft de Afdeling geoordeeld [11] , onder verwijzing naar haar eerdere uitspraak van 17 januari 2024 [12] , dat de minister geen toezeggingen heeft gedaan waaruit derdelanders mochten afleiden dat hun tijdelijke bescherming pas zou eindigen als de maximale duur daarvan was bereikt. [13] De Afdeling heeft overwogen dat geen reden bestaat om op dit punt tot een ander oordeel te komen. In de uitspraak van 17 januari 2024 heeft de Afdeling daarnaast nog geoordeeld dat de minister geen gegronde verwachtingen heeft gewekt dat derdelanders altijd hetzelfde zouden worden behandeld als andere ontheemden uit Oekraïne die tijdelijke bescherming hebben gekregen. De rechtbank verwijst verder nog naar haar eerdere uitspraak van 1 november 2023. [14] De beroepsgrond over het privéleven heeft eiseres niet onderbouwd en leidt reeds daarom niet tot een ander oordeel. De beroepsgronden slagen dan ook niet.
Beroep met zaaknummer NL24.11963 en het verzoek om een voorlopige voorziening met zaaknummer NL24.14514
8. De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat het beroep met zaaknummer NL23.27423 tegen het besluit van 31 augustus 2023 ook betrekking heeft op de nadien genomen besluiten van 21 februari 2024 en 18 augustus 2025. Het was dus niet nodig om tegen het besluit van 21 februari 2024 nog afzonderlijk beroep in te stellen. Dit beroep is dan ook ten onrechte ingeschreven. De rechtbank zal daarom geen uitspraak doen op dit beroep. Hetzelfde geldt voor het bijbehorende verzoek om een voorlopige voorziening (NL24.14514). Ten tijde van de indiening van dat verzoek had eiseres al een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend (NL23.27424) dat vervolgens op 4 april 2023 is toegewezen, in die zin dat eiseres moet worden behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming op haar van toepassing is, tot uitspraak is gedaan op het beroep met zaaknummer NL23.27423.

Conclusie

9. Het beroep, voor zover gericht tegen de besluiten van 31 augustus 2023 en 21 februari 2024, is niet-ontvankelijk. Het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 18 augustus 2025, is ongegrond.
9.1.
De rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814 bestaande uit een punt voor het beroep tegen het ingetrokken besluit van 31 augustus 2023 en een punt voor de aanvullende gronden gericht tegen het ingetrokken besluit van 21 februari 2024, met een waarde per punt van € 907 en wegingsfactor 1 (gemiddeld).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het besluit van 31 augustus 2023 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 21 februari 2024 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 18 augustus 2025 ongegrond;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. B. Voors, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
2.Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van Pro Richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan.
6.ECLI:EU:C:2024:1038 (Kaduna).
8.TK 2024-2025, 19637, nr. 3434.
10.Zie de uitspraak van 28 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:4375.
12.ECLI:NL:RVS:2024:32, onder 10.2.
13.Vergelijk ook Rb. Den Haag (zp Arnhem) 5 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:16545.
14.ECLI:NL:RBDHA:2023:16410, onder 16.1.