ECLI:NL:RBDHA:2025:23743

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
NL25.46953
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van het niet in behandeling nemen van een asielaanvraag op basis van de Dublinverordening met betrekking tot Polen

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, wordt het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag beoordeeld. Eiser, van Eritrese nationaliteit, heeft zijn aanvraag ingediend, maar de minister van Asiel en Migratie heeft deze niet in behandeling genomen op basis van de Dublinverordening, omdat Polen verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. De rechtbank behandelt de argumenten van eiser, die stelt dat er sprake is van ernstige tekortkomingen in de asielprocedure in Polen en dat hij vreest voor indirect refoulement. De rechtbank oordeelt dat de minister zich op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag baseren, wat betekent dat er van wordt uitgegaan dat Polen zijn internationale verplichtingen zal nakomen. Eiser heeft niet voldoende bewijs geleverd dat er structurele tekortkomingen zijn in de asielprocedure in Polen die een risico op schending van zijn rechten met zich meebrengen.

De rechtbank wijst ook de beroepsgronden van eiser af die betrekking hebben op de goede procesorde en de motivering van het bestreden besluit. Eiser heeft zijn beroepsgronden te laat ingediend, wat de minister in staat stelde om tijdig te reageren. De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit zorgvuldig tot stand is gekomen en voldoende is gemotiveerd. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn situatie voldoet aan de vereisten van de Dublinverordening, en de rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat de minister niet verplicht is om de aanvraag in Nederland te behandelen.

Uitspraak

uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.46953
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. H. Drenth),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. R.A. Mandersloot).
Inleiding
1.1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiser stelt van Eritrese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1994. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 25 september 2025 niet in behandeling genomen omdat Polen verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.2. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3. De rechtbank heeft het beroep op 2 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, T. Bhata als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening (Dvo). Op grond van de Dvo neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1 In dit geval heeft Nederland bij Polen een verzoek om terugname gedaan. Polen heeft dit verzoek aanvaard.
Goede procesorde
5. Voor zover eiser zich op het standpunt stelt dat aan de zijde van de minister is gehandeld in strijd met de goede procesorde, omdat pas op 1 december 2025 een verweerschrift is ingediend, volgt de rechtbank dit niet. Hierbij wijst de rechtbank erop dat eiser op zondagavond 30 november 2025 (2 dagen voor de zitting) pas zijn (derde) beroepsgronden heeft ingediend. Vervolgens heeft de minister de volgende ochtend 1 december 2025 een verweerschrift ingediend. Niet is gebleken dat eiser daarvan niet tijdig kennis heeft kunnen nemen.
Standaard voornemen
6. Eiser voert aan dat de minister gebruik heeft gemaakt van een standaard voornemen. Er is in het voornemen geen enkele motivering opgenomen over eisers verklaring dat hij in Polen al twee keer is weggestuurd. Door dit na te laten is de besluitvorming onzorgvuldig tot stand gekomen. Volgens eiser dient het bestreden besluit daarom vernietigd te worden.
7. De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit zorgvuldig tot stand is gekomen en voldoende is gemotiveerd. De rechtbank volgt eiser in zijn stelling dat de minister in het voornemen niet expliciet is ingegaan op de verklaringen die hij heeft afgelegd. Het voornemen is echter een voorbereidingshandeling en dient als aankondiging van wat de minister van plan is te gaan beslissen, namelijk het niet in behandeling nemen van eisers asielaanvraag en de voorgenomen overdracht aan Polen. Vervolgens is eiser in de gelegenheid gesteld om in een zienswijze hierop te reageren. In het besluit is de minister ingegaan op alle relevante elementen die tot het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag hebben geleid. Verder is in het bestreden besluit kenbaar ingegaan op de verklaringen van eiser en wat hij in de zienswijze heeft aangevoerd. De beroepsgrond slaagt niet.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
8. Eiser stelt dat de minister niet mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Polen. Eiser is van mening dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat er geen aanknopingspunten zijn om te stellen dat sprake is van ernstige structurele tekortkomingen in de asielprocedure in Polen. Hiertoe voert eiser aan dat hij in Polen nooit in de gelegenheid is gesteld om asiel aan te vragen en dat hij tweemaal te maken heeft gehad met pushbacks. Hierdoor had eiser ook geen toegang tot een advocaat of de rechter om hierover te kunnen klagen. Eiser verwijst hierbij naar het nieuwsbericht over minister Tusk2, waaruit volgt dat Polen zich niet langer zal houden aan de Dublinregels en dat de Poolse rechterlijke macht als onvoldoende onafhankelijk wordt beschouwd. Ook voert eiser aan dat in het bestreden besluit geen danwel onvoldoende sprake is van een evenredige belangenafweging. Eiser verwijst bij zijn gronden naar de volgende stukken; het rapport van ECRE van 30 april 20233, het jaarrapport van USDOS van 22 april 20244 en het AIDA-rapport, update 2024. Tot slot verwijst eiser naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 12 augustus 20255 waarin de rechtbank concludeert dat twijfel bestaat ten aanzien van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten opzichte van Polen.
1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2 Nieuwsbericht van Notes from Poland, ‘Tusk: Poland will no longer comply with EU’s Dublin Regulation on returning asylum seekers’, van 21 maart 2025.
3 ECRE - European Council on Refugees and Exiles: Fact-Finding Report: Seeking Refuge in Poland: Access to Asylum and Reception Conditions for Asylum Seekers.
9. De rechtbank overweegt dat de minister in zijn algemeenheid ten aanzien van lidstaten mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft dit voor Polen onlangs nog bevestigd in de uitspraken van 4 september 20246 en 14 augustus 20257. Dit betekent dat de minister in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Polen zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat de behandeling van eiser in Polen niet in strijd zal zijn met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Polen, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Poolse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Polen overleggen of verklaringen afleggen over zijn eigen ervaringen aangaande het asiel- en opvangsysteem in Polen. Van een schending van artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM zal, in geval eiser aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken8.
10. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om anders te oordelen dan de Afdeling heeft gedaan in de in overweging 9 genoemde uitspraken dat ten aanzien van Polen van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. Eiser heeft met hetgeen hij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat in Polen sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure of het opvangsysteem die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. In de uitspraak van de Afdeling van 4 september 2024 is geoordeeld dat asielzoekers die in het kader van de Dvo worden overgedragen aan Polen, geen risico lopen om slachtoffer te worden van pushbacks. In deze uitspraak is de Afdeling ook op de rapporten van USDOS en het AIDA-rapport, update 2024, ingegaan. De Afdeling oordeelt hierover dat Dublinclaimanten geen risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest. Het rapport van ECRE maakt vorenstaande niet anders. Uit de uitspraak van de Afdeling van 14 augustus 2025 volgt dat de uitspraak van Tusk geen reden vormt om niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit te kunnen gaan. De rechtbank ziet geen reden om over het vorenstaande anders te oordelen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in Polen geen toegang heeft tot rechtsmiddelen of dat de rechterlijke macht niet onafhankelijk is. Aan eisers ervaringen in Polen komt niet de door hem gewenste betekenis toe, omdat hij niet eerder aan Polen is overgedragen als Dublinclaimant. Verder is van belang dat Polen met het claimakkoord heeft gegarandeerd dat de asielaanvraag van eiser in behandeling zal worden genomen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. Als eiser problemen ondervindt, mag van hem worden verwacht dat hij klaagt bij de Poolse autoriteiten. Niet is gebleken dat klagen voor eiser niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is. Eisers beroep op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 12 augustus 2025 slaagt ook niet, omdat deze uitspraak door de Afdeling bij uitspraak van 1 september 2025 is vernietigd9. De minister hoefde ook geen nader onderzoek te verrichten nu uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en er geen omstandigheden zijn genoemd die aanleiding geven voor nader onderzoek. Alles in samenhang bezien heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat ten aanzien van Polen van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan. De beroepsgrond slaagt niet.
4 USDOS – U.S. Department of State: 2023 country Reports on Human Rights Practices.
8 Zie punten 91-93 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218, in de zaak Jawo.
Indirect refoulement
11. Voor zover eiser bedoelt te stellen dat hij bij overdracht aan Polen vreest voor indirect refoulement, overweegt de rechtbank als volgt. Uit de uitspraak van het HvJ van 30 november 202310 en de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 202411 volgt dat er in een Dublinprocedure geen ruimte is voor het toetsen van het risico op indirect refoulement als gevolg van het beschermingsbeleid, en dat ook materiële meningsverschillen tussen lidstaten over de vraag wanneer een vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming, niet relevant zijn. Dit is anders wanneer niet langer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Gezien hetgeen daarover hiervoor overwogen is kan bij Polen nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan worden. De rechtbank komt daarom niet toe aan het toetsen van indirect refoulement. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 9 van de Dvo
12. Eiser stelt dat, gelet op artikel 9 van de Dvo, Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag. Eiser is van mening dat zijn situatie voldoet aan de vereisten van dit artikel. Er is sprake van een gezinsband met zijn partner in Nederland en zij hebben er beiden schriftelijk mee ingestemd dat Nederland het asielverzoek van eiser behandelt. Door tegen te werpen dat eisers partner (door naturalisatie) inmiddels de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen en zij niet (meer) kan worden aangemerkt als persoon die internationale bescherming geniet, zoals bedoeld in artikel 9 van de Dvo, wordt afbreuk gedaan aan het nuttig effect van de Dvo. Eiser verwijst ook naar de uitspraak van de Afdeling van 7 november 202512, waarin is geoordeeld dat de partner het recht heeft om een naturalisatieverzoek te doen. De minister mag eiser dus niet tegenwerpen dat zijn partner geen internationale bescherming geniet en dat daarom artikel 9 van de Dvo niet van toepassing is.
13. De rechtbank oordeelt als volgt. Een beroep op artikel 9 van de Dvo slaagt niet. Dit artikel gaat over een persoon die internationale bescherming geniet en is toegelaten voor verblijf in een lidstaat. Eisers gestelde partner is genaturaliseerd en heeft de Nederlandse nationaliteit verkregen. Eisers gestelde partner kan dus niet worden aangemerkt als persoon die internationale bescherming geniet. De rechtbank wijst ter vergelijking op de uitspraak van de Afdeling van 28 september 201713, waarin de Afdeling heeft overwogen dat de Dvo wel waarborgen beoogt te bieden voor gezinsleden die asiel hebben aangevraagd om deze zoveel mogelijk bijeen te houden. De Dvo is echter niet bedoeld als route waarlangs op reguliere gronden verblijf bij een gezinslid in Nederland kan worden verkregen, aldus de Afdeling. Eiser heeft niet nader toegelicht waarom hiermee afbreuk wordt gedaan aan het nuttig effect van de Dvo. In de uitspraak van de Afdeling van 7 november 2025 is ook geen grond gelegen voor toepassing van artikel 9 van de Dvo, omdat die zaak een mvv-procedure en dus een heel ander toetsingskader betreft. Verwijzing naar een uitspraak van het HvJ van 29 maart 201214 kan eiser evenmin helpen, omdat het ook in die zaak om een heel ander beoordelingskader gaat. De beroepsgrond slaagt niet.

9.ECLI:NL:RVS:2025:4165

10 ECLI:EU:C:2023:934.
Artikel 17, eerste lid, van de Dvo
14. Eiser stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij geen aanleiding heeft gezien om de asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dvo aan zich te trekken. Hiertoe voert eiser aan dat hij een partner in Nederland heeft. De minister heeft ten onrechte aangenomen dat geen sprake is van een duurzame relatie en heeft onvoldoende duidelijk aangegeven wat een duurzame relatie inhoudt. De enkele omstandigheid dat de relatie niet bestond in het land van herkomst maakt niet dat geen sprake kan zijn van een duurzame relatie. Ter onderbouwing van de relatie heeft eiser verklaringen van zijn partner en hemzelf overgelegd waarin zij aangeven dat zij samen zijn, verloofd zijn, samenwonen en afhankelijk zijn van elkaar.
15. Paragraaf C2/5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) bepaalt dat de minister terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming hier te lande te behandelen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dvo, ook al is Nederland op grond van de in de verordening neergelegde criteria daartoe niet verplicht. De minister gebruikt de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming hier te lande te behandelen als er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van onevenredige hardheid getuigt.
16. De rechtbank oordeelt dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat hij de aanvraag niet onverplicht aan zich had hoeven trekken omdat geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht aan Polen onevenredig hard is. Niet in geschil is dat de relatie nog niet bestond in het land van herkomst. Daarom is de gestelde partner geen gezinslid in de zin van artikel 2, onder g, van de Dvo. Van een door de Dvo beschermde gezinsband is dan ook geen sprake. Verder heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser bij overdracht niet zonder meer van zijn gestelde partner zal worden gescheiden omdat zij de Nederlandse nationaliteit bezit en als Unieburger in Polen mag verblijven en desgewenst met eiser naar Polen kan reizen en/of zich daar kan vestigen. De minister heeft de persoonlijke omstandigheden van eiser voldoende meegewogen en voldoende gemotiveerd waarom geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Polen van onevenredige hardheid getuigt. De beroepsgrond slaagt niet.

Artikel 16 van de Dvo

17. Voor zover eiser een beroep doet op artikel 16 van de Dvo en daarbij stelt dat hij en zijn gestelde partner afhankelijk zijn van elkaar, slaagt ook die beroepsgrond niet. Artikel 16 van de Dvo is niet van toepassing op de situatie van eiser. Eisers gestelde partner is namelijk geen kind, broer, zus of ouder, terwijl dat een voorwaarde is voor toepassing van dit artikel.

14.JV 2012/234

Artikel 8 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens
18. Voor zover eiser een beroep doet op artikel 8 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) overweegt de rechtbank dat in de Dublinprocedure niet aan artikel 8 van het EVRM wordt getoetst. De Dublinprocedure is niet bedoeld als route waarlangs op reguliere gronden verblijf bij familie- of gezinsleden kan worden verkregen en er geen inhoudelijke behandeling van eiser zijn verzoek om internationale bescherming in Nederland plaatsvindt.15 De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
19. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
11 december 2025
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.