ECLI:NL:RBDHA:2025:23743
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van het niet in behandeling nemen van een asielaanvraag op basis van de Dublinverordening met betrekking tot Polen
In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, wordt het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag beoordeeld. Eiser, van Eritrese nationaliteit, heeft zijn aanvraag ingediend, maar de minister van Asiel en Migratie heeft deze niet in behandeling genomen op basis van de Dublinverordening, omdat Polen verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. De rechtbank behandelt de argumenten van eiser, die stelt dat er sprake is van ernstige tekortkomingen in de asielprocedure in Polen en dat hij vreest voor indirect refoulement. De rechtbank oordeelt dat de minister zich op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag baseren, wat betekent dat er van wordt uitgegaan dat Polen zijn internationale verplichtingen zal nakomen. Eiser heeft niet voldoende bewijs geleverd dat er structurele tekortkomingen zijn in de asielprocedure in Polen die een risico op schending van zijn rechten met zich meebrengen.
De rechtbank wijst ook de beroepsgronden van eiser af die betrekking hebben op de goede procesorde en de motivering van het bestreden besluit. Eiser heeft zijn beroepsgronden te laat ingediend, wat de minister in staat stelde om tijdig te reageren. De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit zorgvuldig tot stand is gekomen en voldoende is gemotiveerd. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn situatie voldoet aan de vereisten van de Dublinverordening, en de rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat de minister niet verplicht is om de aanvraag in Nederland te behandelen.