ECLI:NL:RBDHA:2025:23419

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
NL25.21583 en NL25.21585
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Asielaanvraag van Iraanse moeder en zoon met betrekking tot geloofsgroei en dienstplicht in Iran

In deze zaak hebben eiseres en eiser, een moeder en zoon van Iraanse afkomst, asiel aangevraagd in Nederland. Eiseres heeft eerder in 2017 een asielprocedure doorlopen die in 2020 negatief is afgesloten. Op 29 juli 2021 hebben zij een opvolgende aanvraag ingediend, waarbij eiseres zich beroept op geloofsgroei en de gevolgen van haar afvalligheid van de islam. De minister van Asiel en Migratie heeft de aanvragen afgewezen als kennelijk ongegrond, met een terugkeerbesluit naar Iran en een inreisverbod van twee jaar. De rechtbank heeft de beroepen van eisers behandeld en vastgesteld dat de minister de vergewisplicht niet is nagekomen. De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met de psychische toestand van eiseres en de gevolgen daarvan voor haar verklaringen. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten en draagt de minister op om opnieuw te beslissen op de asielaanvragen binnen drie maanden. De rechtbank heeft ook de proceskosten van eisers toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.21583 en NL25.21585
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres],V-nummer: [nummer], eiseres,
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser,
hierna tezamen aangeduid als: eisers,
(gemachtigde: mr. F. Khodajoo-Aziz Maleki),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. L.S. Hartogh).
Procesverloop
Met de besluiten van 2 mei 2025 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de (opvolgende) aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid en onder g, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Daarbij heeft verweerder eisers een aanvullend terugkeerbesluit met terugkeerverplichting voor Iran opgelegd alsmede een inreisverbod voor de duur van twee jaar.
Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroepen ingesteld (NL25.21583 en NL25.21585). Zij hebben in het kader van die beroepen de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen (NL25.21584 en NL25.21586).
De rechtbank heeft de beroepen en de verzoeken om een voorlopige voorziening op 18 november 2025 op een zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Eiser is niet verschenen. Als tolk voor eiseres is verschenen R.H. Por Koros Jamaladad (5137). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling
1. Eiseres en eiser zijn moeder en zoon, hebben de Iraanse nationaliteit en zijn geboren op respectievelijk [geboortedatum] 1974 en [geboortedatum] 2004. Eisers hebben eerder in Nederland een asielprocedure doorlopen naar aanleiding van hun aanvraag in 2017. Deze procedure is in 2020 geëindigd in een voor eisers negatief resultaat.
2. Eisers hebben op 29 juli 2021 een opvolgende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: asielaanvraag) bij verweerder ingediend. Die aanvragen liggen ten grondslag aan de hier bestreden besluiten.

Eerdere asielprocedure eisers

3. Eiseres heeft op 20 december 2017 asiel aangevraagd mede namens eiser, die destijds nog minderjarig was. Verkort weergegeven heeft eiseres aan deze asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zij in Iran afstand heeft genomen van de islam. Zij was ook lid van de Mankind Enlightment Love Group en is in mei 2012 aanwezig geweest bij een bijeenkomst van deze groep, waarbij de Iraanse inlichtingendienst een inval heeft gedaan. Hierdoor staat eiseres in de negatieve belangstelling bij de autoriteiten. Voorts heeft eiseres zich in januari 2017 in Iran tot het christendom bekeerd. Hierbij is zij vanuit Nederland geholpen door haar vriend [naam]. Dit proces heeft zij in Nederland voorgezet, waarbij ze kerkdiensten, Bijbelstudie en cursussen heeft bezocht en zich op 1 april 2018 heeft laten dopen. Ook heeft zij verschillende personen geëvangeliseerd, waaronder haar minderjarige zoon. Eiseres heeft verder verklaard in Iran in maart 2017 te zijn ontslagen omdat ze op haar werk in een kluisje een Bijbel verstopte. Eiseres vermoedt dat zij hierdoor ook problemen heeft gekregen met haar zus en zwager. In de periode mei en juni 2017 – toen eiseres bij haar broer verbleef – werd zij door onbekende nummers gebeld, waarbij gedreigd werd met een uitreisverbod. Eiseres vermoedt bij terugkeer naar Iran opnieuw problemen te zullen ondervinden met haar familie en te worden overgedragen aan de inlichtingendienst. Ter onderbouwing van deze asielaanvraag heeft eiseres verschillende documenten overgelegd, waaronder een verklaring van de Naviderahaie Church Amsterdam, verklaringen van de Christelijke Gereformeerde Kerk Hoogeveen, een verklaring van [naam] en een kopie van het doopcertificaat.
4. Met het besluit van 20 december 2019 heeft verweerder deze asielaanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31 van de Vw 2000. Verweerder volgt de door eiseres gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst alsmede het afstand nemen van de islam. De verklaringen van eiseres over de problemen naar aanleiding van het lidmaatschap van de Mankind Enlightment Love groep, de bekering tot het christendom en de problemen naar aanleiding van de bekering tot het christendom acht verweerder niet geloofwaardig. Verweerder vindt verder de door eiseres gestelde vrees voor vervolging bij terugkeer naar Iran vanwege het afstand nemen van de islam niet aannemelijk.
5. Eiseres heeft rechtsmiddelen aangewend tegen het besluit van 20 december 2019 en daarbij diverse aanvullende documenten ingediend ter onderbouwing van haar bekering. Met de uitspraak van 29 juli 2020 (NL19.6190) heeft de rechtbank Den Haag het beroep ongegrond verklaard. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft met de uitspraak van 27 oktober 2020 (zaaknummer 202004709/1/V2) het door eiseres ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard.

NL25.21583: het beroep van eiseres

Asielaanvraag- en procedure

6. Blijkens het door eiseres op 29 juli 2021 ingediende aanvraagformulier (‘M35-0’) beroept zij zich in het kader van deze opvolgende asielaanvraag op geloofsgroei. Ter onderbouwing van deze asielaanvraag heeft eiseres in de loop van de bestuurlijke fase de volgende documenten bij verweerder ingeleverd: een brief van Parousia, Evangelische Gemeente Den Bosch (‘geloofsbetrokkenheid [eiseres]’) van 15 juni 2021, een brief van de City Life Church Assen (‘bewijs van betrokkenheid’) van 15 juni 2021, een brief van Stichting Gave (‘affirmation letter’) van 29 juli 2021, een brief van de Iraanse kerk in Nederland van 10 september 2023 en een brief van [naam] (zonder datum).
7. Eiseres heeft in eerste instantie over haar asielmotieven verklaard in het gehoor opvolgende aanvraag dat op 12 september 2023 is gehouden. Op 24 november 2023 en 5 juni 2024 zijn aanvullende gehoren gehouden. Samengevat heeft eiseres tijdens deze drie gehoormomenten het volgende verteld over haar geloofsgroei. Eiseres verklaart dat zij is gegroeid in haar christelijk geloof en dat ze God meer is gaan vertrouwen. Ze heeft geen agressie meer, en kan nu liefde geven aan anderen, vergeven en aardig en geduldig zijn. Ze is hierdoor iemand anders geworden en heeft echte rust gevonden. Voorheen, toen eiseres illegaal werd, was ze zwak. Ze zat op het verkeerde pad, en richtte zich meer op het aardse leven, wat leidde tot afstand tot het geloof. Tussen februari 2018 en oktober 2020 heeft eiseres meermaals ups en downs beleefd met betrekking tot haar geloof. Ze realiseerde zich dat ze destijds – tijdens de vorige procedure – niet handelde naar Gods woord en dat daardoor alle deuren voor haar dicht bleven. Ze deed toen niets met de informatie die ze kreeg en was doelloos bezig. De wortels van haar geloof waren nog niet sterk genoeg; ze beschouwt zichzelf toentertijd als een ‘jonge boom’. Ze kreeg destijds niet de juiste educatie, begeleiding en vorming en had geen volledige kennis over God. Sinds oktober 2020 is eiseres verder gegroeid in haar geloof. De veranderingen zijn begonnen met de cursus die zij toen is gestart. Eiseres heeft nu geleerd hoe zij geordend kan leren. Ze kan nu beter naar haar geloof handelen, en ze kan kritischer naar zichzelf en haar eigen tekortkomingen kijken. Voorheen was ze angstig en leefde ze in het verleden, maar door Paulus’ lessen weet ze dat ze naar voren moet kijken, naar het licht. De drijfveer van eiseres voor de veranderingen was dat ze meer op Jezus wilde lijken, ze wilde zijn volger worden en het leven leiden zoals hij deed. Dat is voor haar het zijn van een ware christen. Zij vraagt zich nu steeds éérst af wat ze hoort te doen en wat Jezus zou doen. Op het moment dat ze twijfelt, geeft ze zichzelf over aan de heilige geest, die voor haar zorgt en haar helpt met kiezen. Zij is er nu op gefocust om een goed mens te zijn.
8. Ten aanzien van de afwending van de islam verklaart eiseres in de gehoren van 12 september 2023 en 5 juni 2024 dat in eerste instantie alleen haar familie ervan op de hoogte was dat ze de islam niet meer praktiseerde, maar later zijn ze er op haar werk ook achter gekomen. Daar zijn ze komen te weten dat ze christen is geworden, en na haar ontslag op haar werk is ook voor haar familie bekend geworden dat ze dit is. In Nederland laat zij zien dat ze afvallig is door haar gedrag en toewijding tot het christendom. Het klopt dat zij geen serieuze problemen heeft ondervonden in Iran vanwege haar afvalligheid, omdat zij het aan niemand liet merken. Als het echter niet verboden zou zijn en als zij geen problemen zou krijgen met haar echtscheiding en voogdij, waar zij destijds mee bezig was, dan zou ze zich daarover wél hebben uitgesproken. Eiseres wil in Iran niet gaan liegen en doen alsof ze in de islam gelooft. Ze zullen ook horen dat ze over het christendom praat en dit gaat zij voortzetten. Eiseres verklaart dat als zij bij terugkeer een formulier moet invullen ze dan niet zal liegen over haar religie.

Bestreden besluit I

9. Verweerder heeft het asielrelaas van eiseres onderscheiden in de volgende asielmotieven:
  • Identiteit, nationaliteit en herkomst
  • Geloofsgroei
10. Verweerder acht de door eiseres gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. De geloofsgroei acht verweerder ongeloofwaardig. Dat eiseres uit Iran komt is onvoldoende om vluchtelingschap dan wel een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. Verweerder acht het voorts niet aannemelijk dat eiseres door haar afvalligheid te vrezen heeft. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiseres met het bestreden besluit I afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid en onder g, van de Vw 2000. Daarbij heeft verweerder eiseres verder een aanvullend terugkeerbesluit met terugkeerverplichting voor Iran opgelegd alsmede een inreisverbod voor de duur van twee jaar.

Het beroep van eiseres

11. Eiseres heeft op 9 mei 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Op 20 mei 2025 en 12 november 2025 heeft zij in het kader van dit beroep aanvullende gronden ingediend. Eiseres heeft op 11 november 2025 aanvullende stukken ingediend, te weten een brief van psycholoog F. Fereidooni van PsyValens van 27 augustus 2025 en een uitdraai van het huisartsenjournaal van eiseres van 4 november 2025.

Beoordeling rechtbank

Referentiekader en medische situatie met betrekking tot horen en beslissen
Standpunt eiseres
12. Eiseres heeft aangevoerd dat zij ernstige psychische problemen heeft en niet in staat was om gehoord te worden, anders dan in het advies van Medifirst is aangegeven. Het onderzoek van Medifirst is een momentopname. Tijdens het gesprek met Medifirst zijn niet alle problemen ter sprake gekomen. Ook is niet gebleken dat Medifirst voldoende informatie had om te kunnen beoordelen dat eiseres gehoord kon worden. Eiseres wijst er voorts op dat ook uit WI 2022/3 volgt dat rekening gehouden moet worden met de achtergrond en de omstandigheden van eiseres. Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met de ernstige psychische klachten van eiseres. Er zijn door verweerder te hoge eisen gesteld aan haar verklaringen. In het verlengde van het voorgaande vindt eiseres – zo heeft zij desgevraagd verduidelijkt ter zitting – dat haar psychische gesteldheid ook gevolgen heeft voor de weging van haar verklaringen door verweerder. Niet kenbaar is hoe verweerder in dat kader hiermee rekening heeft gehouden.
Standpunt verweerder
13. Verweerder heeft in zijn besluitvorming opgemerkt dat hij rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiseres, en meer in het bijzonder met de door eiseres onderbouwde psychische problemen (aan de hand van een brief van Huisartsenpraktijk Sauwerd van 3 oktober 2023 en een brief van GZ-psycholoog Poolman van 11 september 2023). Ook heeft verweerder een advies van Medifirst opgevraagd, wat niet gebruikelijk is bij een opvolgende aanvraag. Het Medifirst-advies van 30 januari 2024 heeft hij vervolgens bij zijn besluitvorming betrokken; met de daarin opgenomen inhoud is rekening gehouden bij het horen en beslissen. Zo is eiseres op drie losse dagen gehoord en is tijdens de gehoren regelmatig een pauze aangeboden, is er een stretcher voor eiseres geregeld en kreeg zij de mogelijkheid om vrij te bewegen op momenten dat zij pijn voelde. Ook zijn de gehoren beëindigd toen eiseres aangaf echt niet meer te kunnen. Verweerder vindt dan ook dat hij zorgvuldig is omgegaan met de persoonlijke situatie van eiseres tijdens de gehoren. Hij vindt dat hij ruimschoots aan zijn samenwerkingsverplichting heeft voldaan, door eiseres uitgebreid gelegenheid te bieden haar geloofsgroei aan te tonen. Verweerder vindt verder in algemene zin niet dat hij te hoge eisen stelt aan eiseres. Hij stelt zich in dat kader op het standpunt dat de aanwezige inconsistenties in de verklaringen van eiseres van dien aard zijn, dat haar medische toestand niet als verschoonbare reden kan worden gezien.
Beoordeling
14. Op grond van artikel 24 van de Procedurerichtlijn (Richtlijn EU 2013/32) beoordelen lidstaten binnen een redelijke termijn nadat een verzoek om internationale bescherming wordt gedaan of de verzoeker een verzoeker is die bijzondere procedurele waarborgen behoeft. Uit artikel 3.108b, eerste lid, van het Vb 2000 volgt dat voorafgaand aan of tijdens het onderzoek naar de asielaanvraag beoordeeld wordt of de vreemdeling bijzondere procedurele waarborgen behoeft als bedoeld in artikel 24 van de Procedurerichtlijn. Uit de toelichting bij de invoering van dit artikel volgt dat de besluitgever een medisch advies een belangrijk middel acht om te beoordelen of er belemmeringen zijn waarmee tijdens het horen en beslissen rekening dient te worden gehouden (Nota van toelichting, blz. 23-25;
Stb.2015, 294).
15. Op grond van artikel 3.118b, eerste en tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 3.109, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) bestaat voor verweerder geen verplichting een medisch onderzoek aan te bieden aan de vreemdeling bij een opvolgende aanvraag. Uit de Werkinstructie (WI) 2024/9 (‘Medische problematiek en horen en beslissen in de asielprocedure’) van verweerder volgt dat in geval van een opvolgende aanvraag niet standaard een medisch advies wordt aangevraagd, tenzij er op basis van het dossier aanleiding bestaat om een medisch advies aan te vragen.
16. Uit de uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2084 volgt dat verweerder rekening moet houden met voor het horen relevante beperkingen zoals weergegeven in het medisch advies. Uit deze uitspraak volgt voorts dat de gehoorambtenaar tijdens het horen alert moet blijven op signalen dat de vreemdeling niet in staat is zijn asielrelaas naar voren te brengen of vragen daarover te beantwoorden. Bij twijfel hierover dient hij de vreemdeling opnieuw te verwijzen naar de medisch adviseur. Deze uitgangspunten zijn ook uitgewerkt in WI 2024/9. Uit voornoemde uitspraak van de Afdeling volgt voorts dat wat een vreemdeling verklaart en wat wordt waargenomen door een hoormedewerker tijdens of rondom het gehoor indicaties kunnen vormen dat de vreemdeling bijzondere procedurele waarborgen nodig heeft.
17. Uit vaste rechtspraak volgt verder dat verweerder, indien en voor zover hij een advies van MediFirst aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, zich er ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van moet vergewissen dat dit advies – naar wijze van totstandkoming – zorgvuldig en – naar inhoud – inzichtelijk en concludent is. Als dit het geval is, en indien verweerder bij het horen het advies in acht neemt, en uit de verslagen van de gehoren niet blijkt dat betrokkene onmiskenbaar niet in staat is geweest het asielrelaas naar voren te brengen en vragen daarover te beantwoorden, mag verweerder zich baseren op de verklaringen die betrokkene tijdens de gehoren heeft afgelegd. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 28 mei 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1783) en de hiervoor genoemde Afdelingsuitspraak van 27 juni 2018.
18. In de hiervoor al genoemde WI 2024/9 is vermeld dat het doel van het medisch advies is om in kaart te brengen wat de medische beperkingen zijn die van invloed kunnen zijn op het horen en beslissen door verweerder (pag. 2). Hierin staat aangegeven dat lichamelijke en psychische factoren die ertoe kunnen leiden dat een betrokkene niet of onvoldoende in staat is om ‘coherent, consistent en compleet’ te verklaren, allereerst kunnen blijken uit het medisch advies (pag. 3). Onder andere de mentale toestand speelt een rol tijdens het proces van besluitvorming. Er moet rekening worden gehouden met ‘verschonende omstandigheden’ bij de geloofwaardigheidstoets (pag. 6). Voorts is vermeld dat van belang is om in de besluitvorming inzichtelijk te maken dat en hoe rekening is gehouden met het referentiekader en de medische/psychische toestand (pag. 7).
19. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in dit geval in strijd met het beginsel van een zorgvuldige voorbereiding heeft gehandeld in het kader van de medische situatie van eiseres. De rechtbank legt dit hierna uit.
20. De rechtbank stelt vast dat verweerder op 12 september 2023 eiseres in het kader van deze opvolgende asielaanvraag voor het eerst heeft gehoord tijdens een gehoor opvolgende aanvraag. Dit gehoor is vroegtijdig beëindigd; eiseres is tijdens dit gehoor onwel geworden, waarna 112 is gebeld, een ambulance is gearriveerd, medisch personeel eiseres heeft verzorgd en eiseres in een kamer op bed is gelegd. De rechtbank leidt uit het dossier (pag. 2, pag. 8 en pag. 15 van het verslag gehoor opvolgende aanvraag) en de behandeling ter zitting af dat eiseres voorafgaand aan dit gehoor onder meer de brief van GZ-psycholoog Poolman (hierna: de GZ-psycholoog) van 11 september 2023 in het portal van verweerder heeft geüpload. De rechtbank stelt verder vast dat eiseres (pas) op 18 januari 2024 is uitgenodigd voor een afspraak bij Medifirst, om de eventuele beperkingen voor het horen en beslissen in beeld te brengen. Medifirst heeft op 30 januari 2024 een ‘Medisch advies horen en beslissen’ uitgebracht.
21. In de voornoemde brief van de GZ-psycholoog van 11 september 2023 staat onder meer het volgende vermeld:
“[…]
Vanaf oktober 2022 is zij, op verwijzing van haar huisarts, aangemeld bij Helder GGZ. Ondergetekende is de regiebehandelaar bij Helder GGZ en heeft in die hoedanigheid [eiseres] gezien. Op basis van de tijdens de intakes gestelde diagnoses werd besloten dat haar, mede op basis van haar persoonlijkheidsproblematiek, eerst geruime tijd persoonlijke begeleiding aangeboden zou worden, om haar daarmee voor te bereiden op de uiteindelijk beoogde traumatherapie.
Op basis van de intakes ben ik tot de volgende diagnostiek gekomen:
Diagnose volgens de DSM-V Classificatie:
As I
309.81
Posttraumatische stressstoornis (meervoudig)
296.3x Depressieve stoornis, Ernstig met zowel melancholische als atypische kenmerken
As II: Borderline + paranoïde trekken
As III: Gynaecologische klachten
As IV: Problemen binnen de primaire steungroep
Problemen gebonden aan de sociale omgeving
Andere psychosociale en omgevingsproblemen
As V: GAF 40-45
Als gevolg van meerdere tot een meervoudige posttraumatische stressstoornis geleid hebbende trauma’s is zij, überhaupt alleen al op die gronden al, binnen het kader van eerder IND-interviews, niet in staat geweest om consistent, logisch en betrouwbaar te kunnen communiceren c.q. niet in staat geweest een wezenlijke bijdrage aan waarheidsvinding in deze tot stand te brengen.
(…)
De stoornis vertoont in significante mate lijden of beperkingen in sociaal of beroepsmatig functioneren of het functioneren op belangrijke terreinen.
(…)
Bij het binnen dat kader de eis van ‘consistent verklaren’ stellen, is er in de zaak van mw. Mouzarmi sprake van een factor, die kortweg omschreven kan worden als het stellen van eisen waar in het algemeen bij mensen die aan een meervoudige posttraumatische stressstoornis lijden op medisch/psychiatrische gronden in het algemeen niet aan voldaan kan worden, hetgeen in het geval van [eiseres] eens te meer en wel specifiek aan de orde is.”
22. De rechtbank stelt vast dat een BIG-geregistreerd GZ-psycholoog aangeeft dat eiseres kampt met diverse (ernstige) psychische aandoeningen die volgens hem duidelijk van invloed zijn op het vermogen van eiseres om adequaat te verklaren. Meer specifieke geeft deze GZ-psycholoog aan dat eiseres als gevolg van haar psychische aandoeningen niet in staat is consistent en logisch te verklaren. Bovendien stelt de rechtbank vast dat deze brief al voor gehoor van 12 september 2023 bij verweerder bekend was. Alleen al op grond van deze brief had verweerder Medifirst om een medisch advies moeten vragen alvorens hij overging tot het horen van eiseres. In dit geval bestond immers op basis van informatie over eiseres voorafgaand aan het gehoor concrete aanleiding om zo’n medisch advies te vragen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 7 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1584, onder 3.2). Zoals onder 15 is overwogen, heeft verweerder dit uitgangspunt ook zelf neergelegd in WI 2024/9. Door met het horen te starten zonder voorafgaand een medisch advies te vragen, heeft verweerder zijn besluitvorming onzorgvuldig en in strijd met zijn – als beleid gelijk te stellen – gedragslijn voorbereid.
23. De rechtbank is ook van oordeel dat verweerder in strijd met zijn vergewisplicht – en daarmee het zorgvuldigheidsbeginsel – heeft gehandeld door onverkort uit te gaan van het medisch advies van Medifirst van 29 januari 2024 en dit advies aan het besluitvormingsproces ten grondslag te leggen. De rechtbank is namelijk van oordeel dat dit advies niet inzichtelijk is, waardoor ook niet kan worden vastgesteld dat dit advies – naar wijze van totstandkoming – zorgvuldig is. Hierbij is het volgende van belang.
24. Allereerst valt uit het advies van Medifirst in het geheel niet af te leiden welke medische informatie is betrokken bij de totstandkoming van dit advies. Dit wordt namelijk niet kenbaar aangegeven. Enkel is hierin vermeld dat de door eiseres meegebrachte medische informatie is bestudeerd. Ook dit geeft onvoldoende inzicht welke concrete medische informatie bij de beoordeling is betrokken. Daardoor is niet duidelijk of – onder meer – de hiervoor genoemde brief van de GZ-psycholoog van 11 september 2023 is betrokken. De totstandkoming van het advies is daarmee niet inzichtelijk, nu hiermee voor het bestuursorgaan – en vervolgens de bestuursrechter – niet is na te gaan op basis van welke concrete medische informatie (en de eventueel daarin opgenomen diagnoses) de betreffende conclusies worden getrokken.
25. In het licht van de brief van de GZ-psycholoog van 11 september 2023 – en ervan uitgaande dat Medifirst deze wél zou moeten hebben betrokken, wat verweerder ter zitting heeft aangegeven – valt bovendien niet in te zien dat Medifirst in het geheel niet ingaat op de door de GZ-psycholoog gestelde diagnoses en benoemde problemen in het kader van het vermogen van eiseres om adequaat te communiceren. Doordat in het medisch advies een uitdrukkelijke passage in dit kader ontbreekt, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gesproken van een volledig en inzichtelijk advies. De rechtbank houdt het er – bij gebrek aan concrete indicaties die wijzen op het tegendeel – onder de aan de orde zijnde omstandigheden voor dat Medifirst niet bekend was met de brief van de GZ-psycholoog van 11 september 2023 dan wel deze niet in de advisering heeft betrokken. Verweerder had dit in het kader van zijn vergewisplicht dienen te verifiëren en zich opnieuw tot Medifirst moeten wenden, alvorens hij overging tot het horen van eiseres.
26. De rechtbank stelt verder vast dat Medifirst in het medisch advies feitelijk enkel is ingegaan op beperkingen die relevant zijn voor het
horen. Dit blijkt ook uit de opzet van het advies, gezien het kopje ‘Horen of niet horen’. Of, en zo ja wat de beperkingen voor het beslissen zijn blijft onduidelijk, terwijl dit volgens WI 2024/9 (ook) een uitdrukkelijk doel is van het medisch advies. Het betoog van de gemachtigde van verweerder tijdens de zitting dat uit de omstandigheid dat hierover niets is opgenomen in het advies blijkt dat deze beperkingen er niet zijn, volgt de rechtbank niet. Gelet op de brief van de GZ-psycholoog van 11 september 2023 had Medifirst op z’n minst moeten uitleggen waarom in afwijking van die brief geen beperkingen worden aangenomen. Het door Medifirst gegeven advies is daardoor onvolledig en kan niet, zonder nadere motivering, aan het besluit op de asielaanvraag van eiseres ten grondslag worden gelegd. Deze zittingsplaats heeft eerder op dit punt gewezen (zie de uitspraak van 26 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:6048).
27. De rechtbank stelt overigens vast dat uit de verschillende verslagen van de gehoren in dit dossier ook onmiskenbaar blijkt dat eiseres geregeld grote moeite had om de vragen van de gehoormedewerker adequaat te beantwoorden. Eiseres springt meermaals van de hak op de tak in het kader van haar beantwoording, vraagt frequent om verduidelijking/herhaling en ook de gehoormedewerker zelf constateert zo nu en dan dat het erop lijkt alsof langs elkaar heen wordt gepraat. Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat zij dit zelf in feite ook heeft ervaren, op het moment dat eiseres aan het einde van de zitting het woord kreeg en daarbij in hoge mate onsamenhangend vertelde over verschillende onderwerpen. De rechtbank is van oordeel, gelet op de onder 16 aangehaalde rechtspraak, dat de genoemde gang van zaken tijdens de gehoren op zichzelf reeds – mede in het licht van de op dat moment bij verweerder bekende informatie van de GZ-psycholoog – reden had moeten zijn om opnieuw te verwijzen voor medisch advies en eiseres niet verder te horen.
28. De rechtbank overweegt ten slotte, in het verlengde van het voorgaande, dat in de besluitvorming (voornemen, pag. 3-4) weliswaar door verweerder is gesteld dat hij rekening houdt met het referentiekader van eiseres – waaronder de vastgestelde psychische beperkingen zoals benoemd door de GZ-psycholoog – maar dat in het daadwerkelijke beslisproces (meer specifiek: de weging van de verklaringen) op geen enkele wijze duidelijk wordt op wat voor manier die vastgestelde beperkingen van invloed kunnen zijn.
29. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat verweerder in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld in het kader van het in kaart brengen van en het rekening houden met de medische beperkingen van eiseres tijdens het horen en beslissen. Hiermee is sprake van strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Het beroep is reeds daarom gegrond en het bestreden besluit I komt voor vernietiging in aanmerking.
30. Het voorgaande betekent dat verweerder zich niet op deze wijze heeft mogen baseren op de verklaringen van eiseres bij zijn geloofwaardigheidsbeoordeling en risicotaxatie in het kader van zijn tegenwerpingen. De rechtbank acht het onder de aan de orde zijnde omstandigheden opportuun om eveneens in te gaan op de gronden van eiseres gericht tegen de geloofwaardigheidsbeoordeling.
Geloofwaardigheidsbeoordeling geloofsgroei
Standpunt eiseres
31. Eiseres voert aan dat verweerder in strijd heeft gehandeld met WI 2022/3. In de zienswijze – die eiseres in de fase van beroep herhaalt en inlast – heeft zij in dit kader aangegeven dat de beoordeling niet heeft plaatsgevonden aan de hand van de in die werkinstructie benoemde drie elementen. Eiser heeft verder naar voren gebracht dat uit haar verklaringen volgt dat zij een christelijk leven naleeft. Uit alle activiteiten die zij verricht en alle verklaringen die eiseres overgelegd heeft, blijkt dat zij haar geloof wel praktiseert. Zij is gegroeid in haar geloof door Bijbelstudie en deelname aan bijeenkomsten. Zij heeft geleerd hoop te hebben.
Standpunt verweerder
32. Verweerder vindt de door eiseres gestelde geloofsgroei ongeloofwaardig. Hij geeft aan dat hij – conform Werkinstructie 2022/3 – de verklaringen van eiseres in de vorige procedure heeft vergeleken met de verklaringen in de huidige procedure. Verweerder stelt zich op het standpunt dat niet voldaan is aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder c van de Vw 2000. Met de door eiseres afgelegde verklaringen heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij gegroeid is in het geloof ten opzichte van de eerste procedure. Eiseres is meerdere malen gevraagd wat er nu anders is in vergelijking met de vorige asielprocedure. Eiseres kan dat niet concreet maken. De verklaringen in de huidige procedure komen voorts niet overeen met wat eiseres tijdens de vorige procedure heeft verklaard ten aanzien van de vraag waarom zij denkt dat zij nooit zal twijfelen aan God. Ook heeft zij in de vorige procedure verklaard dat zij niet een agressief of ruziemakend persoon is, en heeft eiseres in de vorige procedure eveneens verklaard dat zij mensen heeft vergeven. Over het niet meer agressief zijn, het liefde kunnen geven aan anderen, het vergeven en het geduld opbrengen heeft eiseres in de vorige procedure evenzeer vergelijkbaar verklaard. In de vorige procedure stelde eiseres óók dat zij veel problemen heeft gehad en dat de omgeving haar niet hielp, en dat zij toen naar een hogere macht had gezocht en die in God had gevonden. Verder wordt opgemerkt dat de persoonlijke diepgang ontbreekt in haar verklaringen. Eiseres maakt niet concreet hoe zij zich precies – zoals zij verklaart – meer tot God heeft gewend na de afwijzing van de eerste aanvraag, in plaats van tot de mensen om haar heen. Verder stelt eiseres nu dat ze destijds haar geloof niet serieus nam, maar uit de vorige procedure blijkt niet dat zij dat toentertijd niet deed.
33. Eiseres heeft in deze procedure verklaard dat zij tijdens de vorige procedure enkel het woord van God aanhoorde, maar daar niet naar handelde. Dit strookt volgens verweerder niet met verklaringen uit de vorige procedure. Ditzelfde geldt voor de verklaringen van eiseres over de Heilige Geest, omdat zij in de vorige procedure onder meer heeft verklaard dat wanneer twee mensen bij elkaar zijn en hun ziel samen is, de derde de Heilige Geest is. Wat betreft de antwoorden van eiseres op de vraag waarom haar geloof sterker is overweegt verweerder dat eiseres in de vorige procedure heeft verklaard dat zij lessen volgde over woede, vergeving en wraak en heeft gesteld dat zij vanaf haar doop geen woede meer heeft gevoeld. Ten aanzien van de antwoorden op de vraag hoe eiseres geleerd heeft om haar wortels te versterken, blijft eiseres vaag. Onduidelijk is wat door eiseres bedoeld wordt met vrijheid en genezing en wat voor impact dit heeft gehad op haar geloof. Eiseres noemt voorts niet wat groei of succes voor haar betekent en wat zij kan bereiken volgens het heilige boek. Ook geeft zij geen inzicht in wat zij heeft bereikt en hoe dit zich vertaalt naar geloofsgroei. Eiseres geeft evenmin inzicht in haar gevoelens en beweegredenen ten aanzien van de zwakheden die zij heeft overwonnen. Voorts is niet inzichtelijk gemaakt dat haar vertrouwen is gegroeid ten opzichte van de vorige procedure.
34. Eiseres weet verder niet uit te leggen hoe zij, zoals zij stelt, hard gewerkt heeft aan het niet meer naar het verleden kijken. Ook wordt niet benoemd waarom eiseres Jezus en zijn woorden moet volgen of hoe haar dit hielp om niet in het verleden te blijven hangen.
Wat betreft de verklaringen van eiseres dat zij rustiger is geworden doordat zij meer vertrouwen heeft in God, stelt verweerder dat eiseres tijdens de vorige procedure ook heeft verklaard rust te hebben gevonden in het geloof en heeft verklaard over haar zoektocht naar rust. Eiseres stelde zelf dat zij rust ervoer omdat zij de stem van Jezus heeft gehoord op een nacht in 2018. Eiseres legt niet uit wat zij bedoelt met de oppervlakkigheid van de rust toen en de diepere rust nu. Eiseres heeft verder de vraag van de hoormedewerker – hoe zij door het christendom bescheiden is geworden, niet meer boos en geduldig en meer hoop heeft – niet beantwoord. Eiseres begint vervolgens zelf over hoe zij zichzelf heeft vergeven, maar blijft ook hierin oppervlakkig. Zij legt bijvoorbeeld niet uit wat zij zichzelf vergeven heeft of waarom het proces van vergeving moeilijk voor haar was. Verweerder stelt verder dat eiseres tijdens de vorige procedure ook lessen heeft gevolgd, en dat eiseres in deze procedure niet verklaart wat het verschil met toen is. Uit de vorige procedure blijkt daarnaast niet dat eiseres toentertijd de lessen niet serieus nam of de regels niet correct opvolgde. Eiseres blijft met haar verklaringen in dit kader voorts oppervlakkig en geeft geen inzicht in het verschil van leren tijdens de vorige procedure en nu.
35. Verweerder meent dat uit de door eiseres ingeleverde documenten niet blijkt van geloofsgroei. Opgemerkt wordt dat de brieven niet gezien kunnen worden als objectief bewijsmateriaal. Bij de vorige aanvraag zijn een viertal brieven overgelegd met eenzelfde strekking, waaruit ook al volgende dat eiseres kerkdiensten en Bijbelstudies volgde en activiteiten verrichte voor de kerk. Wel is er één verschil, namelijk dat eiseres nu evangelisatie-activiteiten heeft gecoördineerd. Maar dit heeft eiseres in haar eigen gehoren níet betrokken, waaruit valt op te maken dat eiseres zelf hieraan niet veel gewicht toekent. Ook is niet inzichtelijk gemaakt waarom eiseres deze activiteiten is gaan coördineren of hoe dit tot geloofsgroei heeft geleid. Ten slotte stelt verweerder dat eiseres nu langer heeft deelgenomen aan de activiteiten (kerkgang en Bijbelstudies), wat op zich zou kunnen leiden tot geloofsverdieping, maar eiseres heeft niet inzichtelijk gemaakt dat dit in haar geval zo is.
Beoordeling
36. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 28 september 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2713) overwogen op welke wijze de aanvraag van een betrokkene die in een opvolgende procedure voortborduurt op een eerder ongeloofwaardig geachte bekering moet worden beoordeeld. De Afdeling heeft in deze uitspraak vastgesteld dat verweerder in zijn tot dan toe geldende beleid onvoldoende het belang van een procedure-overstijgende integrale geloofwaardigheidsbeoordeling heeft onderkend. In deze uitspraak is – onder meer – vastgesteld dat alle informatie die de betrokkene aanlevert over de drie elementen van een bekering (motieven voor en proces van bekering, kennis en activiteiten), aanleiding kunnen geven tot nader onderzoek in een opvolgende procedure. Dit heeft ook tot gevolg dat verweerder in een opvolgende procedure over geloofsgroei, net als in een eerste procedure, aan de betrokkene conform WI 2022/3, paragraaf 3.4.4, de mogelijkheid moet bieden om ontoereikende verklaringen over één van de drie elementen van een bekering (motieven voor en proces van bekering, kennis van het nieuwe geloof en religieuze activiteiten), te compenseren met overtuigende verklaringen over de andere twee elementen. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 12 mei 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:977), moet verweerder daar in het licht van de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling kenbaar gemotiveerd op ingaan.
37. Wat betreft de verklaringen van derden heeft de Afdeling eerder overwogen (zie de uitspraak van 5 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1911 en 12 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:977) dat een verklaring van een kerkelijke functionaris of instantie weliswaar kan dienen ter staving van een bekering, maar dat dit de verantwoordelijkheid van de betrokkene onverlet laat om zelf tegenover verweerder overtuigende verklaringen af te leggen over zijn bekering en het proces dat tot de bekering heeft geleid. In de uitspraak van 12 mei 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:977) is in dit kader overwogen dat verweerder voortaan ook daadwerkelijk en kenbaar moeten motiveren hoe hij overgelegde verklaringen van derden heeft gewogen in het licht van de tegenover hem afgelegde en ongeloofwaardig geachte verklaringen over de gestelde bekering. In WI 2022/3 is in verband met verklaringen van derden vermeld dat deze altijd meegewogen worden in het kader van de beoordeling van de geloofwaardigheid van een bekering, maar dat het gewicht dat hieraan wordt toegekend afhankelijk is van de individuele casus. Als uitgangspunt geldt dat de betrokkene zelf overtuigende verklaringen moet afleggen omtrent zijn of haar bekering. Verklaringen van derden zijn met name relevant indien ze feitelijke informatie toevoegen.
38. De rechtbank deelt het standpunt van eiseres dat uit de besluitvorming niet blijkt dat de beoordeling van deze opvolgende aanvraag heeft plaatsgevonden aan de hand van de drie elementen, benoemd in WI 2022/3: 1) motieven voor en proces van bekering, 2) kennis van het nieuwe geloof en 3) activiteiten. Nagenoeg alle vragen die door de gehoormedewerkers aan eiseres zijn gesteld richten zich op de motieven en proces voor/van haar gestelde bekering/geloofsgroei, en wat er sinds de vorige procedure is veranderd. De tegenwerpingen die verweerder hanteert – zoals weergegeven onder 32 tot en met 34 – concentreren zich ook enkel op deze aspecten. Over de bij eiseres aanwezige kennis van het christendom zijn in het geheel geen vragen gesteld en hierover is in de besluitvorming ook niets overwogen. Hoewel hier en daar tijdens de gehoren wel iets ter sprake is gekomen over verrichte activiteiten, is eiseres nagenoeg niet uitdrukkelijk bevraagd over de door haar verrichte activiteiten. De in de werkinstructie neergelegde compensatiemogelijkheid in het kader van de drie elementen heeft, mede als gevolg hiervan, in het geheel niet kenbaar gemotiveerd plaatsgevonden. Dit terwijl uit de voornoemde Afdelingsjurisprudentie volgt dat dit ook bij een opvolgende bekeringsaanvraag dient te gebeuren.
39. De rechtbank stelt verder vast dat verweerder kort is ingegaan op de door eiseres overgelegde verklaringen, met de onder 35 vermelde motivering. Mede in het licht van wat over de waarde van verklaringen van derden is opgenomen in WI 2022/3 acht de rechtbank het standpunt van verweerder onvoldoende dragend gemotiveerd. Deze verklaringen verschaffen op enkele punten namelijk juist primair feitelijke informatie over de door eiseres verrichte (kerkelijke) activiteiten, terwijl verweerder nalaat kenbaar in te gaan op de betekenis van deze verlengde duur en aard van de activiteiten. De enkele stelling dat eiseres niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom deze activiteiten tot geloofsgroei leiden, acht de rechtbank in dit kader een te summiere tegenwerping.
40. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat ook deze beroepsgrond van eiseres slaagt. Het besluit is op dit punt in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.
41. De overige beroepsgronden van eiseres die zien op de risicotaxatie vanwege de afvalligheid behoeven als gevolg van de voorgaande conclusie geen bespreking meer.

NL25.21585: het beroep van eiser

Asielaanvraag- en procedure

42. Op het door op 29 juli 2021 ingediende formulier (‘M35-0’) heeft eiser aangegeven dat hij geen zelfstandige asielmotieven heeft en dat zijn aanvraag afhankelijk is van die van zijn moeder (eiseres). Eiser is op 12 september 2023 tijdens een nader gehoor echter wel gehoord over mogelijke eigen asielmotieven.
43. Eiser heeft in dat kader het volgende verklaard. De directe aanleiding voor zijn vertrek was de bekering van zijn moeder en de problemen met zijn vader. Zijn moeder heeft in Iran deelgenomen aan geheime bijbellessen, en op een dag is de politie daar binnengevallen. Vanwege de bekering van zijn moeder deed eiser niet meer mee met de collectieve gebeden op school. Dit was de directie en andere leidinggevenden van de school opgevallen, waarna hij vragen kreeg waarom hij daar niet aan deelnam. Ook was zijn moeder ontslagen op werk, omdat haar werkgever achter de bekering was gekomen. Eiser vreest dat bij terugkeer naar Iran hij bij zijn vader moet verblijven. Eiser en zijn moeder werden bedreigd door zijn vader en de familie van zijn vader. Vroeger thuis was vaak ruzie en eisers vader heeft hem lastig gevallen toen hij klein was en geweld tegen hem gebruikt. Eiser heeft vanaf zijn zesde geen contact meer met zijn vader.
44. Daarnaast brengt eiser naar voren dat de militaire dienstplicht in Iran voor hem een probleem kan vormen bij terugkeer. Toen hij uit Iran vertrok was hij minderjarig, maar nu hij meerderjarig is bestaat de kans dat hij gedwongen wordt om de militaire dienst te vervullen. Volgens de wet moet hij de dienstplicht vervullen als hij 18 jaar is. Hij heeft gehoord dat er erge dingen kunnen gebeuren tijdens de dienst. Daarnaast wil hij niet volgzaam zijn.
45. Eiser verklaart verder de islam niet te praktiseren. Eiser ging vroeger thuis soms naar de moskee, maar niet vaak. Hij heeft toen zelf niet de behoefte gehad om te bidden of naar de moskee te gaan. Eiser had ook niet veel kennis over de islam. Hij had slechte dingen over de islam gehoord. Eiser denkt dat hij ongeveer negen jaar oud was, toen hij de islam niet meer aanhing. Hij heeft dit toen niet aan anderen verteld, omdat hij bang was dat hij problemen zou krijgen op school en met strenggelovige familieleden van zijn moeder. Op school werd hij gedwongen mee te doen met islamitische activiteiten, maar eiser probeerde hier steeds onderuit te komen. Eiser verklaart dat hij in Iran nooit problemen heeft gehad omdat hij de islam niet praktiseerde, behalve een paar keer dat zijn moeder naar school moest komen omdat eiser niet meedeed met de activiteiten. Voor eiser is de islam niet een religie waarbinnen hij zich kan ontwikkelen en groeien. Eiser is zich vervolgens gaan interesseren voor het christendom, en ging vragen stellen aan zijn moeder en onderzoek doen. Hij hoorde veel positieve dingen over dit geloof, vooral van zijn moeder. Hij vond de Bijbelverhalen ook realistischer. Hij zag dat zijn moeder – die zijn grote voorbeeld is – veel vrolijker en energieker was. Op dit moment is eiser echter niet meer bezig met het christendom. Dit nadat hij mensen is tegengekomen in de kerk en in de asielopvang die voor problemen zorgden. Deze mensen gedroegen zich min of meer op dezelfde manier als de moslims die hij tegenkwam. Er werd veel geroddeld over zijn moeder. Eisers moeder heeft geprobeerd hem te overtuigen terug te keren naar het christendom, maar hij heeft gezegd dat hij voorlopig zijn eigen weg wil volgen. Eiser zegt wel te geloven, maar is nu niet op zoek naar een religie. Hij voelt zich hierdoor bevrijd. Eiser denkt wel dat hij problemen kan krijgen met de geloofsovertuiging zoals hij die nu heeft. Bijvoorbeeld op het gebied van werk en bij overheidszaken, nu het geloof daarbij zeer belangrijk is. Eiser zegt dat hij het erg zou vinden om in Iran te moeten liegen, als iemand van de overheid hem vraagt naar zijn geloofsovertuiging. Eiser vreest dat hij gearresteerd en mishandeld zal worden, als bekend zou worden wat zijn geloofsovertuiging is.

Bestreden besluit II

46. Verweerder heeft het asielrelaas van eiser onderscheiden in de volgende asielmotieven:
  • Identiteit, nationaliteit en herkomst
  • Dienstplicht
  • Afvalligheid
47. Verweerder acht alle asielmotieven geloofwaardig. Dat eiser uit Iran komt is echter onvoldoende om vluchtelingschap dan wel een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. De door eiser gestelde vrees vanwege dienstplicht en afvalligheid vindt verweerder voorts niet aannemelijk. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser met het bestreden besluit II afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid en onder g, van de Vw 2000. Daarbij heeft verweerder eiser verder een aanvullend terugkeerbesluit met terugkeerverplichting voor Iran opgelegd alsmede een inreisverbod voor de duur van twee jaar.

Het beroep van eiser

48. Eiser heeft op 9 mei 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Op 20 mei 2025 en 12 november 2025 heeft hij in het kader van dit beroep aanvullende gronden ingediend. Eiser heeft op 11 november 2025 aanvullende stukken ingediend, te weten een brief van basisarts J. Shahi van PsyValens van 9 september 2025 en een doorverwijzing naar het Universitair Medisch Centrum Groningen van 2 september 2025

Beoordeling rechtbank

Risicotaxatie afvalligheid, dienstplicht en terugkeer naar Iran
Standpunt eiser
49. Eiser stelt zich – onder verwijzing naar diverse informatiebronnen – op het standpunt dat hij vanwege zijn afvalligheid bij terugkeer naar Iran problemen zal ondervinden. Eiser stelt dat hij door zijn afvalligheid te vrezen heeft, nu de uiting hiervan een belangrijk onderdeel is van zijn identiteit. Eiser heeft duidelijk aangegeven dat hij niet zal zeggen dat hij moslim is en niet wil liegen. Verweerder dient nader te onderzoeken en motiveren waarom eiser geen risico loopt op vervolging of ernstige schade.
50. Eiser voert meer in het bijzonder aan dat hij bij terugkeer naar Iran problemen zal ondervinden omdat hij dienstplichtig is. Wat betreft deze dienstplicht geeft eiser aan dat hij tijdens de militaire dienst de regels van de islam dient volgen. Juist nu hij afvallig is, is dit voor hem een probleem en weigert hij mee te doen aan deze religieuze verplichtingen. Bovendien weet hij ook simpelweg niet wat de inhoud is van deze verplichtingen (bijv. de tekst van de gebeden), zodat hij direct zal opvallen. Eiser wijst erop dat van hem geen terughoudendheid mag worden geëist.
Standpunt verweerder
51. Verweerder stelt zich op het standpunt dat niet aannemelijk is dat eiser te vrezen heeft vanwege zijn afvalligheid. In zijn verweerschrift heeft verweerder onder meer verwezen naar de beantwoording van vragen die de Afdeling aan verweerder heeft gesteld (brief van 27 augustus 2025 in de zaak 202500442/1/V2). Kort samengevat heeft verweerder hierin – onder verwijzing naar verschillende bronnen, waaronder het Algemeen Ambtsbericht Iran uit 2023 – aangegeven dat het niet aannemelijk is dat iedere afvallige die naar Iran terugkeert, te vrezen heeft voor vervolging. De Iraanse maatschappij seculariseert namelijk in toenemende mate. Dat betekent dat de Iraanse maatschappij steeds minder religieus wordt. Daarom komt iemand die zich heeft afgewend van de islam niet op voorhand in de problemen. Iraniërs worden maatschappelijk niet gedwongen om islamitische rituelen te volgen, zoals het rituele gebed. Iemand die de islam niet praktiseert, zal daar dan ook meestal geen problemen mee krijgen. Een betrokkene dient daarom individueel aannemelijk maken dat hij bij terugkeer naar Iran te vrezen heeft vanwege zijn afvalligheid. De vraag welke mogelijke risico’s afvalligen kunnen lopen bij terugkeer naar Iran hangt vooral af van de manier waarop zij uiting hebben gegeven aan die afvalligheid en de manier waarop zij dat willen gaan doen bij terugkeer. Van belang is of de autoriteiten hiervan op de hoogte zijn. Daarnaast moet er bij terugkeer voor de Iraanse autoriteiten een reden zijn om iemand te ondervragen zoals bekendheid bij de autoriteiten van de activiteiten in het buitenland, signalering in het systeem, langdurig verblijf in het buitenland zonder duidelijke reden (werk, studie), het hebben van een dubbele nationaliteit of een illegale uitreis.
52. Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat het niet zo is dat hij terughoudendheid van eiser verlangt, maar wél dat hij ervan uitgaat dat eiser zich niet openlijk kritisch gaat opstellen tegenover de islam. Ten aanzien van eisers vrees voor de dienstplicht en de – als gevolg daarvan – verplichte deelname aan islamitische activiteiten, ziet verweerder in dat eiser als gevolg daarvan deel zal moeten nemen aan religieuze verplichtingen die in strijd kunnen zijn met zijn huidige geloofsovertuiging. Verweerder vindt echter niet dat hij hierdoor zodanig in zijn religieuze identiteit wordt geschaad dat dit een grond vormt voor asielverlening. Dit juist omdat eiser heeft verklaard dat hij wel in een God gelooft, maar zonder duidelijke religieuze richting. Eiser heeft onder meer verklaard momenteel zoekende te zijn en geen actieve religieuze praktijk te volgen. Daarmee is zijn religieuze identiteit niet vastomlijnd of diepgeworteld. De afwijzing van de islam door eiser lijkt primair te zijn gebaseerd op negatieve ervaringen en verhalen uit zijn jeugd, in plaats van een gefundeerde theologische overtuiging. Eiser heeft weliswaar verklaard dat hij het vervelend zou vinden als hij moet liegen over zijn gebrek aan religie, maar dit is niet voldoende. Verder heeft eiser verklaard dat zijn bezwaren tegen de dienstplicht mede zijn ingegeven op een algemene weerzin tegen de dienstplicht zelf, ongeacht het land. De bezwaren zijn dan ook niet specifiek gerelateerd aan zijn religieuze identiteit, maar eerder aan persoonlijke voorkeuren en algemene vrees voor omstandigheden binnen de dienst.
53. Meer in algemene zin ziet verweerder in eisers bezwaren tegen de dienstplicht in Iran – afgezet tegen de zogeheten Antikian-criteria – geen reden voor asielverlening. Eisers bezwaren tegen de dienstplicht komen niet voort uit een diepgewortelde gewetens- of religieuze overtuiging die fundamenteel onverenigbaar is met de militaire dienst. Evenmin is gebleken dat eiser bij dienstweigering te maken zou krijgen met onevenredige bestraffing die specifiek gericht is op zijn religieuze overtuiging of afvalligheid. Eiser heeft geen concrete informatie verstrekt over de aard of zwaarte van sancties voor dienstweigering, en evenmin is aangetoond dat (disproportionele) sancties zouden worden opgelegd vanwege zijn afvalligheid. Algemene straffen voor dienstweigering, zoals een boete of gevangenisstraf, worden in Iran toegepast ongeacht religieuze overtuiging. Ook is niet gebleken dat eisers dienstweigering voorkomt uit een vrees om betrokken te worden bij militaire acties die in strijd met internationaal recht of gericht zijn tegen zijn eigen volk of familie. Bovendien blijkt uit algemene informatie ook niet dat Iraanse militanten ingezet worden bij dusdanige conflicten.
Beoordeling
54. De rechtbank toetst het standpunt van verweerder met betrekking tot de risicotaxatie volgens vaste jurisprudentie zonder terughoudendheid (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 21 juli 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ3621).
55. Uitgaande van geloofwaardige afvalligheid, moet verweerder beoordelen of een betrokkene naar zijn land van herkomst kan terugkeren. In dat kader moet verweerder de verklaringen van een betrokkene hierover verbinden aan wat bekend is over het land van herkomst (zie de Afdelingsuitspraken van 13 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:890, 15 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3009 en 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:94)
56. De rechtbank overweegt verder dat de Afdeling in de uitspraken van 19 januari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:93 en ECLI:NL:RVS:2022:94) heeft overwogen dat verweerder beter moet onderzoeken en beoordelen of een betrokkene van wie de afvalligheid of het atheïsme geloofwaardig is geacht bij terugkeer naar Iran een risico loopt op vervolging of onmenselijke behandeling. In de uitspraak ECLI:NL:RVS:2022:94, onder 23.1 en 23.2, heeft de Afdeling voorts overwogen dat verweerder bij een geloofwaardig geachte afvalligheid moet onderzoeken en beoordelen of, en zo ja hoe, een betrokkene na terugkeer naar zijn land van herkomst uiting wil geven aan zijn afvalligheid. In meerdere uitspraken heeft de Afdeling voorts overwogen dat verweerder van een betrokkene niet mag verlangen dat hij zich, om vervolging te voorkomen, terughoudend zal opstellen bij de uitoefening van zijn geloofwaardig geachte geloofsovertuiging in het land van herkomst. Dit geldt ook bij geloofwaardig geachte afvalligheid (zie de uitspraken van de Afdeling van 30 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY5578 en 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5349).
57. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het geval van eiser onvoldoende heeft onderzocht en gemotiveerd hoe de dienstplicht voor eiser – die verweerder geloofwaardig acht – zich verhoudt tot zijn – eveneens geloofwaardig geachte – afvalligheid en, meer in het bijzonder, het punt dat in het kader van die afvalligheid geen terughoudendheid van eiser mag worden verlangd. Verweerder heeft in zijn besluitvorming erkend dat de dienstplicht voor eiser zal betekenen dat hij verplicht wordt deel te nemen aan islamitische activiteiten. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat van eiser kan worden verlangd, juist ook vanwege zijn beperkte uiting van afvalligheid, dat hij zich conformeert aan de norm, zoals zovelen tijdens de dienst. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met dit algemene standpunt onvoldoende rekenschap geeft van de relatie tussen de gedwongen deelname aan islamitische verplichtingen uit hoofde van de dienstplicht en het aspect dat je van een afvallige geen terughoudendheid mag verlangen. Dit terwijl verweerder in zijn beantwoording van de vragen van de Afdeling juist eraan heeft gehecht op te merken dat in de Iraanse maatschappij een Iraniër niet wordt gedwongen om islamitische rituelen te volgen. In zoverre vraagt dit aspect om een nadere motivering en onderbouwing, die verweerder niet heeft kunnen geven. Zo heeft verweerder ter zitting niet duidelijk kunnen maken wat de inhoud en omvang van de islamitische verplichtingen tijdens de dienst in Iran precies is, alsmede wat de eventuele (disciplinaire) maatregelen voor eiser zouden kunnen inhouden als hij zich niet aan de islamitische verplichtingen houdt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de verklaringen van eiser op dit punt onvoldoende heeft afgezet tegen wat bekend is over Iran, zoals dat volgt uit objectieve landeninformatie. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser er in dit kader voorts specifiek nog op gewezen dat eiser al jong afvallig is geworden en, als gevolg hiervan, bepaalde islamitische gebeden niet kent. Om die reden zal hij mogelijk opvallen, simpelweg omdat hij niet mee kan doen.
58. Verweerder heeft zich in dit kader ter zitting nog op het standpunt gesteld dat het primair op de weg ligt van eiser om aannemelijk te maken wat de omvang van de islamitische verplichtingen in dienst is en wat de eventuele consequenties bij het daaraan niet kunnen of willen deelnemen zijn. De rechtbank wijst er echter op dat verweerder een verplichting heeft om de relevante elementen van het asielrelaas van eiser in samenwerking met eiser te beoordelen (de zogeheten samenwerkingsverplichting – neergelegd in artikel 4, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn). Nu verweerder zelf heeft nagelaten deugdelijk onderzoek te doen, heeft hij in strijd met deze verplichting gehandeld.
59. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat de beroepsgrond van eiser slaagt. Het bestreden besluit II dient reeds daarom te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.
60. De rechtbank merkt nadrukkelijk op dat zij zich in dit kader niet ten gronde uitlaat over de overige beroepsgronden inzake de risicotaxatie van verweerder ten aanzien van de afvalligheid in algemene zin alsmede de terugkeer naar Iran (wat betreft de situatie op de luchthaven).
Conclusie en gevolgen
61. De beroepen zijn gegrond. De bestreden besluiten worden vernietigd. De rechtbank ziet geen aanleiding voor finale geschilbeslechting omdat verweerder nader onderzoek dient te verrichten in het kader van de asielaanvragen van eisers. Verweerder wordt dan ook opgedragen om opnieuw op deze asielaanvragen te beslissen. Gezien het feit dat het hier gaat over aanvragen die zijn ingediend op 29 juli 2021, ziet de rechtbank aanleiding om hierbij een beslistermijn te stellen. De rechtbank acht in dit geval een beslistermijn van drie maanden passend.
62. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 2.721,00 (twee punten voor twee beroepschriften en één punt voor de zitting, met een waarde van € 907,00 per punt en een wegingsfactor 1,0).

Beslissing

De rechtbank:
-verklaart de beroepen gegrond;
-vernietigt bestreden besluit I en vernietigt bestreden besluit II;
-draagt verweerder op binnen drie maanden om opnieuw te beslissen op de asielaanvragen van eisers; en
-veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 2.721,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M.E. Schulmer, rechter, in aanwezigheid van mr. M.W. Venderbos, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.