Beoordeling rechtbank
Referentiekader en medische situatie met betrekking tot horen en beslissen
12. Eiseres heeft aangevoerd dat zij ernstige psychische problemen heeft en niet in staat was om gehoord te worden, anders dan in het advies van Medifirst is aangegeven. Het onderzoek van Medifirst is een momentopname. Tijdens het gesprek met Medifirst zijn niet alle problemen ter sprake gekomen. Ook is niet gebleken dat Medifirst voldoende informatie had om te kunnen beoordelen dat eiseres gehoord kon worden. Eiseres wijst er voorts op dat ook uit WI 2022/3 volgt dat rekening gehouden moet worden met de achtergrond en de omstandigheden van eiseres. Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met de ernstige psychische klachten van eiseres. Er zijn door verweerder te hoge eisen gesteld aan haar verklaringen. In het verlengde van het voorgaande vindt eiseres – zo heeft zij desgevraagd verduidelijkt ter zitting – dat haar psychische gesteldheid ook gevolgen heeft voor de weging van haar verklaringen door verweerder. Niet kenbaar is hoe verweerder in dat kader hiermee rekening heeft gehouden.
13. Verweerder heeft in zijn besluitvorming opgemerkt dat hij rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiseres, en meer in het bijzonder met de door eiseres onderbouwde psychische problemen (aan de hand van een brief van Huisartsenpraktijk Sauwerd van 3 oktober 2023 en een brief van GZ-psycholoog Poolman van 11 september 2023). Ook heeft verweerder een advies van Medifirst opgevraagd, wat niet gebruikelijk is bij een opvolgende aanvraag. Het Medifirst-advies van 30 januari 2024 heeft hij vervolgens bij zijn besluitvorming betrokken; met de daarin opgenomen inhoud is rekening gehouden bij het horen en beslissen. Zo is eiseres op drie losse dagen gehoord en is tijdens de gehoren regelmatig een pauze aangeboden, is er een stretcher voor eiseres geregeld en kreeg zij de mogelijkheid om vrij te bewegen op momenten dat zij pijn voelde. Ook zijn de gehoren beëindigd toen eiseres aangaf echt niet meer te kunnen. Verweerder vindt dan ook dat hij zorgvuldig is omgegaan met de persoonlijke situatie van eiseres tijdens de gehoren. Hij vindt dat hij ruimschoots aan zijn samenwerkingsverplichting heeft voldaan, door eiseres uitgebreid gelegenheid te bieden haar geloofsgroei aan te tonen. Verweerder vindt verder in algemene zin niet dat hij te hoge eisen stelt aan eiseres. Hij stelt zich in dat kader op het standpunt dat de aanwezige inconsistenties in de verklaringen van eiseres van dien aard zijn, dat haar medische toestand niet als verschoonbare reden kan worden gezien.
14. Op grond van artikel 24 van de Procedurerichtlijn (Richtlijn EU 2013/32) beoordelen lidstaten binnen een redelijke termijn nadat een verzoek om internationale bescherming wordt gedaan of de verzoeker een verzoeker is die bijzondere procedurele waarborgen behoeft. Uit artikel 3.108b, eerste lid, van het Vb 2000 volgt dat voorafgaand aan of tijdens het onderzoek naar de asielaanvraag beoordeeld wordt of de vreemdeling bijzondere procedurele waarborgen behoeft als bedoeld in artikel 24 van de Procedurerichtlijn. Uit de toelichting bij de invoering van dit artikel volgt dat de besluitgever een medisch advies een belangrijk middel acht om te beoordelen of er belemmeringen zijn waarmee tijdens het horen en beslissen rekening dient te worden gehouden (Nota van toelichting, blz. 23-25;
Stb.2015, 294).
15. Op grond van artikel 3.118b, eerste en tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 3.109, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) bestaat voor verweerder geen verplichting een medisch onderzoek aan te bieden aan de vreemdeling bij een opvolgende aanvraag. Uit de Werkinstructie (WI) 2024/9 (‘Medische problematiek en horen en beslissen in de asielprocedure’) van verweerder volgt dat in geval van een opvolgende aanvraag niet standaard een medisch advies wordt aangevraagd, tenzij er op basis van het dossier aanleiding bestaat om een medisch advies aan te vragen.
16. Uit de uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2084 volgt dat verweerder rekening moet houden met voor het horen relevante beperkingen zoals weergegeven in het medisch advies. Uit deze uitspraak volgt voorts dat de gehoorambtenaar tijdens het horen alert moet blijven op signalen dat de vreemdeling niet in staat is zijn asielrelaas naar voren te brengen of vragen daarover te beantwoorden. Bij twijfel hierover dient hij de vreemdeling opnieuw te verwijzen naar de medisch adviseur. Deze uitgangspunten zijn ook uitgewerkt in WI 2024/9. Uit voornoemde uitspraak van de Afdeling volgt voorts dat wat een vreemdeling verklaart en wat wordt waargenomen door een hoormedewerker tijdens of rondom het gehoor indicaties kunnen vormen dat de vreemdeling bijzondere procedurele waarborgen nodig heeft. 17. Uit vaste rechtspraak volgt verder dat verweerder, indien en voor zover hij een advies van MediFirst aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, zich er ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van moet vergewissen dat dit advies – naar wijze van totstandkoming – zorgvuldig en – naar inhoud – inzichtelijk en concludent is. Als dit het geval is, en indien verweerder bij het horen het advies in acht neemt, en uit de verslagen van de gehoren niet blijkt dat betrokkene onmiskenbaar niet in staat is geweest het asielrelaas naar voren te brengen en vragen daarover te beantwoorden, mag verweerder zich baseren op de verklaringen die betrokkene tijdens de gehoren heeft afgelegd. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 28 mei 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1783) en de hiervoor genoemde Afdelingsuitspraak van 27 juni 2018. 18. In de hiervoor al genoemde WI 2024/9 is vermeld dat het doel van het medisch advies is om in kaart te brengen wat de medische beperkingen zijn die van invloed kunnen zijn op het horen en beslissen door verweerder (pag. 2). Hierin staat aangegeven dat lichamelijke en psychische factoren die ertoe kunnen leiden dat een betrokkene niet of onvoldoende in staat is om ‘coherent, consistent en compleet’ te verklaren, allereerst kunnen blijken uit het medisch advies (pag. 3). Onder andere de mentale toestand speelt een rol tijdens het proces van besluitvorming. Er moet rekening worden gehouden met ‘verschonende omstandigheden’ bij de geloofwaardigheidstoets (pag. 6). Voorts is vermeld dat van belang is om in de besluitvorming inzichtelijk te maken dat en hoe rekening is gehouden met het referentiekader en de medische/psychische toestand (pag. 7).
19. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in dit geval in strijd met het beginsel van een zorgvuldige voorbereiding heeft gehandeld in het kader van de medische situatie van eiseres. De rechtbank legt dit hierna uit.
20. De rechtbank stelt vast dat verweerder op 12 september 2023 eiseres in het kader van deze opvolgende asielaanvraag voor het eerst heeft gehoord tijdens een gehoor opvolgende aanvraag. Dit gehoor is vroegtijdig beëindigd; eiseres is tijdens dit gehoor onwel geworden, waarna 112 is gebeld, een ambulance is gearriveerd, medisch personeel eiseres heeft verzorgd en eiseres in een kamer op bed is gelegd. De rechtbank leidt uit het dossier (pag. 2, pag. 8 en pag. 15 van het verslag gehoor opvolgende aanvraag) en de behandeling ter zitting af dat eiseres voorafgaand aan dit gehoor onder meer de brief van GZ-psycholoog Poolman (hierna: de GZ-psycholoog) van 11 september 2023 in het portal van verweerder heeft geüpload. De rechtbank stelt verder vast dat eiseres (pas) op 18 januari 2024 is uitgenodigd voor een afspraak bij Medifirst, om de eventuele beperkingen voor het horen en beslissen in beeld te brengen. Medifirst heeft op 30 januari 2024 een ‘Medisch advies horen en beslissen’ uitgebracht.
21. In de voornoemde brief van de GZ-psycholoog van 11 september 2023 staat onder meer het volgende vermeld:
“[…]
Vanaf oktober 2022 is zij, op verwijzing van haar huisarts, aangemeld bij Helder GGZ. Ondergetekende is de regiebehandelaar bij Helder GGZ en heeft in die hoedanigheid [eiseres] gezien. Op basis van de tijdens de intakes gestelde diagnoses werd besloten dat haar, mede op basis van haar persoonlijkheidsproblematiek, eerst geruime tijd persoonlijke begeleiding aangeboden zou worden, om haar daarmee voor te bereiden op de uiteindelijk beoogde traumatherapie.
Op basis van de intakes ben ik tot de volgende diagnostiek gekomen:
Diagnose volgens de DSM-V Classificatie:
As I
309.81
Posttraumatische stressstoornis (meervoudig)
296.3x Depressieve stoornis, Ernstig met zowel melancholische als atypische kenmerken
As II: Borderline + paranoïde trekken
As III: Gynaecologische klachten
As IV: Problemen binnen de primaire steungroep
Problemen gebonden aan de sociale omgeving
Andere psychosociale en omgevingsproblemen
As V: GAF 40-45
Als gevolg van meerdere tot een meervoudige posttraumatische stressstoornis geleid hebbende trauma’s is zij, überhaupt alleen al op die gronden al, binnen het kader van eerder IND-interviews, niet in staat geweest om consistent, logisch en betrouwbaar te kunnen communiceren c.q. niet in staat geweest een wezenlijke bijdrage aan waarheidsvinding in deze tot stand te brengen.
(…)
De stoornis vertoont in significante mate lijden of beperkingen in sociaal of beroepsmatig functioneren of het functioneren op belangrijke terreinen.
(…)
Bij het binnen dat kader de eis van ‘consistent verklaren’ stellen, is er in de zaak van mw. Mouzarmi sprake van een factor, die kortweg omschreven kan worden als het stellen van eisen waar in het algemeen bij mensen die aan een meervoudige posttraumatische stressstoornis lijden op medisch/psychiatrische gronden in het algemeen niet aan voldaan kan worden, hetgeen in het geval van [eiseres] eens te meer en wel specifiek aan de orde is.”
22. De rechtbank stelt vast dat een BIG-geregistreerd GZ-psycholoog aangeeft dat eiseres kampt met diverse (ernstige) psychische aandoeningen die volgens hem duidelijk van invloed zijn op het vermogen van eiseres om adequaat te verklaren. Meer specifieke geeft deze GZ-psycholoog aan dat eiseres als gevolg van haar psychische aandoeningen niet in staat is consistent en logisch te verklaren. Bovendien stelt de rechtbank vast dat deze brief al voor gehoor van 12 september 2023 bij verweerder bekend was. Alleen al op grond van deze brief had verweerder Medifirst om een medisch advies moeten vragen alvorens hij overging tot het horen van eiseres. In dit geval bestond immers op basis van informatie over eiseres voorafgaand aan het gehoor concrete aanleiding om zo’n medisch advies te vragen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 7 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1584, onder 3.2). Zoals onder 15 is overwogen, heeft verweerder dit uitgangspunt ook zelf neergelegd in WI 2024/9. Door met het horen te starten zonder voorafgaand een medisch advies te vragen, heeft verweerder zijn besluitvorming onzorgvuldig en in strijd met zijn – als beleid gelijk te stellen – gedragslijn voorbereid. 23. De rechtbank is ook van oordeel dat verweerder in strijd met zijn vergewisplicht – en daarmee het zorgvuldigheidsbeginsel – heeft gehandeld door onverkort uit te gaan van het medisch advies van Medifirst van 29 januari 2024 en dit advies aan het besluitvormingsproces ten grondslag te leggen. De rechtbank is namelijk van oordeel dat dit advies niet inzichtelijk is, waardoor ook niet kan worden vastgesteld dat dit advies – naar wijze van totstandkoming – zorgvuldig is. Hierbij is het volgende van belang.
24. Allereerst valt uit het advies van Medifirst in het geheel niet af te leiden welke medische informatie is betrokken bij de totstandkoming van dit advies. Dit wordt namelijk niet kenbaar aangegeven. Enkel is hierin vermeld dat de door eiseres meegebrachte medische informatie is bestudeerd. Ook dit geeft onvoldoende inzicht welke concrete medische informatie bij de beoordeling is betrokken. Daardoor is niet duidelijk of – onder meer – de hiervoor genoemde brief van de GZ-psycholoog van 11 september 2023 is betrokken. De totstandkoming van het advies is daarmee niet inzichtelijk, nu hiermee voor het bestuursorgaan – en vervolgens de bestuursrechter – niet is na te gaan op basis van welke concrete medische informatie (en de eventueel daarin opgenomen diagnoses) de betreffende conclusies worden getrokken.
25. In het licht van de brief van de GZ-psycholoog van 11 september 2023 – en ervan uitgaande dat Medifirst deze wél zou moeten hebben betrokken, wat verweerder ter zitting heeft aangegeven – valt bovendien niet in te zien dat Medifirst in het geheel niet ingaat op de door de GZ-psycholoog gestelde diagnoses en benoemde problemen in het kader van het vermogen van eiseres om adequaat te communiceren. Doordat in het medisch advies een uitdrukkelijke passage in dit kader ontbreekt, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gesproken van een volledig en inzichtelijk advies. De rechtbank houdt het er – bij gebrek aan concrete indicaties die wijzen op het tegendeel – onder de aan de orde zijnde omstandigheden voor dat Medifirst niet bekend was met de brief van de GZ-psycholoog van 11 september 2023 dan wel deze niet in de advisering heeft betrokken. Verweerder had dit in het kader van zijn vergewisplicht dienen te verifiëren en zich opnieuw tot Medifirst moeten wenden, alvorens hij overging tot het horen van eiseres.
26. De rechtbank stelt verder vast dat Medifirst in het medisch advies feitelijk enkel is ingegaan op beperkingen die relevant zijn voor hethoren. Dit blijkt ook uit de opzet van het advies, gezien het kopje ‘Horen of niet horen’. Of, en zo ja wat de beperkingen voor het beslissen zijn blijft onduidelijk, terwijl dit volgens WI 2024/9 (ook) een uitdrukkelijk doel is van het medisch advies. Het betoog van de gemachtigde van verweerder tijdens de zitting dat uit de omstandigheid dat hierover niets is opgenomen in het advies blijkt dat deze beperkingen er niet zijn, volgt de rechtbank niet. Gelet op de brief van de GZ-psycholoog van 11 september 2023 had Medifirst op z’n minst moeten uitleggen waarom in afwijking van die brief geen beperkingen worden aangenomen. Het door Medifirst gegeven advies is daardoor onvolledig en kan niet, zonder nadere motivering, aan het besluit op de asielaanvraag van eiseres ten grondslag worden gelegd. Deze zittingsplaats heeft eerder op dit punt gewezen (zie de uitspraak van 26 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:6048). 27. De rechtbank stelt overigens vast dat uit de verschillende verslagen van de gehoren in dit dossier ook onmiskenbaar blijkt dat eiseres geregeld grote moeite had om de vragen van de gehoormedewerker adequaat te beantwoorden. Eiseres springt meermaals van de hak op de tak in het kader van haar beantwoording, vraagt frequent om verduidelijking/herhaling en ook de gehoormedewerker zelf constateert zo nu en dan dat het erop lijkt alsof langs elkaar heen wordt gepraat. Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat zij dit zelf in feite ook heeft ervaren, op het moment dat eiseres aan het einde van de zitting het woord kreeg en daarbij in hoge mate onsamenhangend vertelde over verschillende onderwerpen. De rechtbank is van oordeel, gelet op de onder 16 aangehaalde rechtspraak, dat de genoemde gang van zaken tijdens de gehoren op zichzelf reeds – mede in het licht van de op dat moment bij verweerder bekende informatie van de GZ-psycholoog – reden had moeten zijn om opnieuw te verwijzen voor medisch advies en eiseres niet verder te horen.
28. De rechtbank overweegt ten slotte, in het verlengde van het voorgaande, dat in de besluitvorming (voornemen, pag. 3-4) weliswaar door verweerder is gesteld dat hij rekening houdt met het referentiekader van eiseres – waaronder de vastgestelde psychische beperkingen zoals benoemd door de GZ-psycholoog – maar dat in het daadwerkelijke beslisproces (meer specifiek: de weging van de verklaringen) op geen enkele wijze duidelijk wordt op wat voor manier die vastgestelde beperkingen van invloed kunnen zijn.
29. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat verweerder in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld in het kader van het in kaart brengen van en het rekening houden met de medische beperkingen van eiseres tijdens het horen en beslissen. Hiermee is sprake van strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Het beroep is reeds daarom gegrond en het bestreden besluit I komt voor vernietiging in aanmerking.
30. Het voorgaande betekent dat verweerder zich niet op deze wijze heeft mogen baseren op de verklaringen van eiseres bij zijn geloofwaardigheidsbeoordeling en risicotaxatie in het kader van zijn tegenwerpingen. De rechtbank acht het onder de aan de orde zijnde omstandigheden opportuun om eveneens in te gaan op de gronden van eiseres gericht tegen de geloofwaardigheidsbeoordeling.
Geloofwaardigheidsbeoordeling geloofsgroei
31. Eiseres voert aan dat verweerder in strijd heeft gehandeld met WI 2022/3. In de zienswijze – die eiseres in de fase van beroep herhaalt en inlast – heeft zij in dit kader aangegeven dat de beoordeling niet heeft plaatsgevonden aan de hand van de in die werkinstructie benoemde drie elementen. Eiser heeft verder naar voren gebracht dat uit haar verklaringen volgt dat zij een christelijk leven naleeft. Uit alle activiteiten die zij verricht en alle verklaringen die eiseres overgelegd heeft, blijkt dat zij haar geloof wel praktiseert. Zij is gegroeid in haar geloof door Bijbelstudie en deelname aan bijeenkomsten. Zij heeft geleerd hoop te hebben.
32. Verweerder vindt de door eiseres gestelde geloofsgroei ongeloofwaardig. Hij geeft aan dat hij – conform Werkinstructie 2022/3 – de verklaringen van eiseres in de vorige procedure heeft vergeleken met de verklaringen in de huidige procedure. Verweerder stelt zich op het standpunt dat niet voldaan is aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder c van de Vw 2000. Met de door eiseres afgelegde verklaringen heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij gegroeid is in het geloof ten opzichte van de eerste procedure. Eiseres is meerdere malen gevraagd wat er nu anders is in vergelijking met de vorige asielprocedure. Eiseres kan dat niet concreet maken. De verklaringen in de huidige procedure komen voorts niet overeen met wat eiseres tijdens de vorige procedure heeft verklaard ten aanzien van de vraag waarom zij denkt dat zij nooit zal twijfelen aan God. Ook heeft zij in de vorige procedure verklaard dat zij niet een agressief of ruziemakend persoon is, en heeft eiseres in de vorige procedure eveneens verklaard dat zij mensen heeft vergeven. Over het niet meer agressief zijn, het liefde kunnen geven aan anderen, het vergeven en het geduld opbrengen heeft eiseres in de vorige procedure evenzeer vergelijkbaar verklaard. In de vorige procedure stelde eiseres óók dat zij veel problemen heeft gehad en dat de omgeving haar niet hielp, en dat zij toen naar een hogere macht had gezocht en die in God had gevonden. Verder wordt opgemerkt dat de persoonlijke diepgang ontbreekt in haar verklaringen. Eiseres maakt niet concreet hoe zij zich precies – zoals zij verklaart – meer tot God heeft gewend na de afwijzing van de eerste aanvraag, in plaats van tot de mensen om haar heen. Verder stelt eiseres nu dat ze destijds haar geloof niet serieus nam, maar uit de vorige procedure blijkt niet dat zij dat toentertijd niet deed.
33. Eiseres heeft in deze procedure verklaard dat zij tijdens de vorige procedure enkel het woord van God aanhoorde, maar daar niet naar handelde. Dit strookt volgens verweerder niet met verklaringen uit de vorige procedure. Ditzelfde geldt voor de verklaringen van eiseres over de Heilige Geest, omdat zij in de vorige procedure onder meer heeft verklaard dat wanneer twee mensen bij elkaar zijn en hun ziel samen is, de derde de Heilige Geest is. Wat betreft de antwoorden van eiseres op de vraag waarom haar geloof sterker is overweegt verweerder dat eiseres in de vorige procedure heeft verklaard dat zij lessen volgde over woede, vergeving en wraak en heeft gesteld dat zij vanaf haar doop geen woede meer heeft gevoeld. Ten aanzien van de antwoorden op de vraag hoe eiseres geleerd heeft om haar wortels te versterken, blijft eiseres vaag. Onduidelijk is wat door eiseres bedoeld wordt met vrijheid en genezing en wat voor impact dit heeft gehad op haar geloof. Eiseres noemt voorts niet wat groei of succes voor haar betekent en wat zij kan bereiken volgens het heilige boek. Ook geeft zij geen inzicht in wat zij heeft bereikt en hoe dit zich vertaalt naar geloofsgroei. Eiseres geeft evenmin inzicht in haar gevoelens en beweegredenen ten aanzien van de zwakheden die zij heeft overwonnen. Voorts is niet inzichtelijk gemaakt dat haar vertrouwen is gegroeid ten opzichte van de vorige procedure.
34. Eiseres weet verder niet uit te leggen hoe zij, zoals zij stelt, hard gewerkt heeft aan het niet meer naar het verleden kijken. Ook wordt niet benoemd waarom eiseres Jezus en zijn woorden moet volgen of hoe haar dit hielp om niet in het verleden te blijven hangen.
Wat betreft de verklaringen van eiseres dat zij rustiger is geworden doordat zij meer vertrouwen heeft in God, stelt verweerder dat eiseres tijdens de vorige procedure ook heeft verklaard rust te hebben gevonden in het geloof en heeft verklaard over haar zoektocht naar rust. Eiseres stelde zelf dat zij rust ervoer omdat zij de stem van Jezus heeft gehoord op een nacht in 2018. Eiseres legt niet uit wat zij bedoelt met de oppervlakkigheid van de rust toen en de diepere rust nu. Eiseres heeft verder de vraag van de hoormedewerker – hoe zij door het christendom bescheiden is geworden, niet meer boos en geduldig en meer hoop heeft – niet beantwoord. Eiseres begint vervolgens zelf over hoe zij zichzelf heeft vergeven, maar blijft ook hierin oppervlakkig. Zij legt bijvoorbeeld niet uit wat zij zichzelf vergeven heeft of waarom het proces van vergeving moeilijk voor haar was. Verweerder stelt verder dat eiseres tijdens de vorige procedure ook lessen heeft gevolgd, en dat eiseres in deze procedure niet verklaart wat het verschil met toen is. Uit de vorige procedure blijkt daarnaast niet dat eiseres toentertijd de lessen niet serieus nam of de regels niet correct opvolgde. Eiseres blijft met haar verklaringen in dit kader voorts oppervlakkig en geeft geen inzicht in het verschil van leren tijdens de vorige procedure en nu.
35. Verweerder meent dat uit de door eiseres ingeleverde documenten niet blijkt van geloofsgroei. Opgemerkt wordt dat de brieven niet gezien kunnen worden als objectief bewijsmateriaal. Bij de vorige aanvraag zijn een viertal brieven overgelegd met eenzelfde strekking, waaruit ook al volgende dat eiseres kerkdiensten en Bijbelstudies volgde en activiteiten verrichte voor de kerk. Wel is er één verschil, namelijk dat eiseres nu evangelisatie-activiteiten heeft gecoördineerd. Maar dit heeft eiseres in haar eigen gehoren níet betrokken, waaruit valt op te maken dat eiseres zelf hieraan niet veel gewicht toekent. Ook is niet inzichtelijk gemaakt waarom eiseres deze activiteiten is gaan coördineren of hoe dit tot geloofsgroei heeft geleid. Ten slotte stelt verweerder dat eiseres nu langer heeft deelgenomen aan de activiteiten (kerkgang en Bijbelstudies), wat op zich zou kunnen leiden tot geloofsverdieping, maar eiseres heeft niet inzichtelijk gemaakt dat dit in haar geval zo is.
36. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 28 september 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2713) overwogen op welke wijze de aanvraag van een betrokkene die in een opvolgende procedure voortborduurt op een eerder ongeloofwaardig geachte bekering moet worden beoordeeld. De Afdeling heeft in deze uitspraak vastgesteld dat verweerder in zijn tot dan toe geldende beleid onvoldoende het belang van een procedure-overstijgende integrale geloofwaardigheidsbeoordeling heeft onderkend. In deze uitspraak is – onder meer – vastgesteld dat alle informatie die de betrokkene aanlevert over de drie elementen van een bekering (motieven voor en proces van bekering, kennis en activiteiten), aanleiding kunnen geven tot nader onderzoek in een opvolgende procedure. Dit heeft ook tot gevolg dat verweerder in een opvolgende procedure over geloofsgroei, net als in een eerste procedure, aan de betrokkene conform WI 2022/3, paragraaf 3.4.4, de mogelijkheid moet bieden om ontoereikende verklaringen over één van de drie elementen van een bekering (motieven voor en proces van bekering, kennis van het nieuwe geloof en religieuze activiteiten), te compenseren met overtuigende verklaringen over de andere twee elementen. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 12 mei 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:977), moet verweerder daar in het licht van de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling kenbaar gemotiveerd op ingaan. 37. Wat betreft de verklaringen van derden heeft de Afdeling eerder overwogen (zie de uitspraak van 5 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1911 en 12 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:977) dat een verklaring van een kerkelijke functionaris of instantie weliswaar kan dienen ter staving van een bekering, maar dat dit de verantwoordelijkheid van de betrokkene onverlet laat om zelf tegenover verweerder overtuigende verklaringen af te leggen over zijn bekering en het proces dat tot de bekering heeft geleid. In de uitspraak van 12 mei 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:977) is in dit kader overwogen dat verweerder voortaan ook daadwerkelijk en kenbaar moeten motiveren hoe hij overgelegde verklaringen van derden heeft gewogen in het licht van de tegenover hem afgelegde en ongeloofwaardig geachte verklaringen over de gestelde bekering. In WI 2022/3 is in verband met verklaringen van derden vermeld dat deze altijd meegewogen worden in het kader van de beoordeling van de geloofwaardigheid van een bekering, maar dat het gewicht dat hieraan wordt toegekend afhankelijk is van de individuele casus. Als uitgangspunt geldt dat de betrokkene zelf overtuigende verklaringen moet afleggen omtrent zijn of haar bekering. Verklaringen van derden zijn met name relevant indien ze feitelijke informatie toevoegen. 38. De rechtbank deelt het standpunt van eiseres dat uit de besluitvorming niet blijkt dat de beoordeling van deze opvolgende aanvraag heeft plaatsgevonden aan de hand van de drie elementen, benoemd in WI 2022/3: 1) motieven voor en proces van bekering, 2) kennis van het nieuwe geloof en 3) activiteiten. Nagenoeg alle vragen die door de gehoormedewerkers aan eiseres zijn gesteld richten zich op de motieven en proces voor/van haar gestelde bekering/geloofsgroei, en wat er sinds de vorige procedure is veranderd. De tegenwerpingen die verweerder hanteert – zoals weergegeven onder 32 tot en met 34 – concentreren zich ook enkel op deze aspecten. Over de bij eiseres aanwezige kennis van het christendom zijn in het geheel geen vragen gesteld en hierover is in de besluitvorming ook niets overwogen. Hoewel hier en daar tijdens de gehoren wel iets ter sprake is gekomen over verrichte activiteiten, is eiseres nagenoeg niet uitdrukkelijk bevraagd over de door haar verrichte activiteiten. De in de werkinstructie neergelegde compensatiemogelijkheid in het kader van de drie elementen heeft, mede als gevolg hiervan, in het geheel niet kenbaar gemotiveerd plaatsgevonden. Dit terwijl uit de voornoemde Afdelingsjurisprudentie volgt dat dit ook bij een opvolgende bekeringsaanvraag dient te gebeuren.
39. De rechtbank stelt verder vast dat verweerder kort is ingegaan op de door eiseres overgelegde verklaringen, met de onder 35 vermelde motivering. Mede in het licht van wat over de waarde van verklaringen van derden is opgenomen in WI 2022/3 acht de rechtbank het standpunt van verweerder onvoldoende dragend gemotiveerd. Deze verklaringen verschaffen op enkele punten namelijk juist primair feitelijke informatie over de door eiseres verrichte (kerkelijke) activiteiten, terwijl verweerder nalaat kenbaar in te gaan op de betekenis van deze verlengde duur en aard van de activiteiten. De enkele stelling dat eiseres niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom deze activiteiten tot geloofsgroei leiden, acht de rechtbank in dit kader een te summiere tegenwerping.
40. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat ook deze beroepsgrond van eiseres slaagt. Het besluit is op dit punt in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.
41. De overige beroepsgronden van eiseres die zien op de risicotaxatie vanwege de afvalligheid behoeven als gevolg van de voorgaande conclusie geen bespreking meer.