In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 19 november 2025, met zaaknummers NL25.47574 en NL25.47575, wordt het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag beoordeeld. Eiser, die stelt de Iraakse nationaliteit te hebben, heeft zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De rechtbank oordeelt dat de aanvraag niet in behandeling is genomen omdat Roemenië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag, conform de Dublinverordening. Eiser voert aan dat er een reëel risico bestaat op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest, en dat verweerder ten onrechte heeft volstaan met een standaardvoornemen zonder zijn individuele omstandigheden te betrekken.
De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt is dat lidstaten van de EU hun verdragsverplichtingen nakomen en dat van dit uitgangspunt slechts kan worden afgeweken indien eiser aannemelijk maakt dat er ernstige tekortkomingen zijn in het asiel- en opvangsysteem van Roemenië. De rechtbank concludeert dat eiser er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat er sprake is van een reëel risico op een slechte behandeling na overdracht aan Roemenië. De rechtbank wijst erop dat verweerder voldoende gemotiveerd heeft aangegeven waarom de aanvraag niet in behandeling is genomen en dat eiser in de gelegenheid is gesteld om zijn zienswijze te geven. De rechtbank verklaart het beroep kennelijk ongegrond en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.