ECLI:NL:RVS:2024:27

Raad van State

Datum uitspraak
8 januari 2024
Publicatiedatum
8 januari 2024
Zaaknummer
202306980/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArtikel 17 DublinverordeningArtikel 4 EU-HandvestArtikel 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag vreemdeling uit Syrië

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam een asielaanvraag van een vreemdeling niet in behandeling. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank, die het besluit vernietigde en de staatssecretaris opdroeg een nieuw besluit te nemen.

De staatssecretaris ging in hoger beroep bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak toetste het beroep en verwees naar een eerdere uitspraak over het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Roemenië, die ook hier van toepassing is.

De vreemdeling stelde dat bijzondere omstandigheden, waaronder onmenselijke behandeling in Roemenië, in aanmerking genomen moesten worden bij de toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. De Afdeling oordeelde dat deze omstandigheden onvoldoende onderbouwd waren en dat er geen reëel risico is op strijdige behandeling bij overdracht.

Daarom werd het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.

Uitspraak

202306980/1/V3.
Datum uitspraak: 8 januari 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 8 november 2023 in zaak nr. NL23.30353 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 21 september 2023 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 8 november 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M. Erik, advocaat te Den Haag, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.       De Afdeling heeft de in de enige grief opgeworpen rechtsvraag over het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Roemenië, beantwoord in haar uitspraak van 27 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4844. De overwegingen in die uitspraak zijn ook hier van toepassing. Hieruit vloeit voort dat de grief slaagt.
2.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
3.       De vreemdeling heeft betoogd dat de staatssecretaris ten onrechte heeft nagelaten om bij de vraag of hij toepassing moet geven aan zijn discretionaire bevoegdheid uit artikel 17 van Pro de Dublinverordening, in onderlinge samenhang te betrekken dat de vreemdeling gevlucht is uit Syrië en in Roemenië te maken heeft gehad met een onmenselijke behandeling, waarvoor hij bovendien opnieuw vreest na overdracht.
Deze beroepsgrond faalt. De staatssecretaris heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding is om de asielaanvraag in behandeling te nemen op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. De vreemdeling heeft zijn verklaringen over wat hem eerder in Roemenië zou zijn overkomen namelijk niet onderbouwd. Daardoor is niet gebleken dat sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Roemenië van onevenredige hardheid getuigt. Daarnaast volgt uit de onder 1 genoemde uitspraak dat er geen aanleiding is om te veronderstellen dat de vreemdeling bij overdracht aan Roemenië een reëel risico loopt op een met artikel 4 van Pro het EU Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM strijdige behandeling.
4.       Het beroep is ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 8 november 2023 in zaak nr. NL23.30353;
III.      verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Buntjer, griffier.
w.g. Verburg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Buntjer
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2024
962