ECLI:NL:RBDHA:2025:22570

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 november 2025
Publicatiedatum
28 november 2025
Zaaknummer
NL24.35253
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag op basis van ernstig, niet-politiek misdrijf door huwelijk met minderjarig meisje

Deze uitspraak betreft de afwijzing van de asielaanvraag van eiser, die traditioneel gehuwd is met een minderjarig meisje. De rechtbank heeft geoordeeld dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven, omdat eiser een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan door seks te hebben met een veertienjarige. Eiser heeft op 27 september 2022 een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel ingediend, die door de minister op 4 september 2024 als kennelijk ongegrond is afgewezen. Eiser heeft beroep ingesteld en de rechtbank heeft de zaak op 17 juli 2025 behandeld. De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister terecht heeft geoordeeld dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde, gezien de ernst van het gepleegde feit. De rechtbank heeft de beroepsgronden van eiser besproken, waaronder de leeftijd van zijn echtgenote en de juridische context van hun huwelijk. De rechtbank concludeert dat de belangen van de echtgenote en kinderen niet opwegen tegen de tegenwerping van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag en het besluit tot signalering voor tien jaar.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.35253

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. J. Oosterhof)
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. M.P. Gaal-de Groot).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Eiser is als volwassen man van zesentwintig jaar traditioneel gehuwd met een destijds minderjarig meisje van veertien jaar, met wie hij in de huwelijksnacht seks heeft gehad. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat eiser hierdoor een ernstig, absoluut, niet-politiek misdrijf heeft begaan, waardoor hij geen asielvergunning kan krijgen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. Onder 5 wordt het bestreden besluit van de minister toegelicht, waarna onder 6 de beroepsgronden van eiser worden besproken. Onder 7 zet de rechtbank het juridisch kader uiteen. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 8. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 27 september 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 4 september 2024 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. De minister heeft eiser daarnaast gesignaleerd in het SIS [2] voor de duur van tien jaar.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening [3] op 17 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
2.3.
Op 21 juli 2025 heeft de rechtbank besloten het onderzoek te heropenen om de minister in de gelegenheid te stellen een standpunt in te nemen over de op 15 juli 2025 ingediende aanvullende gronden. Bij bericht van 14 augustus 2025 heeft de minister de rechtbank dit standpunt doen toekomen. Op 16 september 2025 heeft de gemachtigde van eiser gereageerd op dit standpunt van de minister. Partijen hebben de rechtbank op 27 oktober 2025 toestemming gegeven om zonder nadere zitting uitspraak te doen. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten.

Overwegingen

3. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
4. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Op het verzoek om een voorlopige voorziening zal bij afzonderlijke uitspraak worden beslist.
Het bestreden besluit
5. De minister heeft de afwijzing in het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder j, van de Vw 2000. Op grond van dit artikel kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden afgewezen als kennelijk ongegrond in de zin van artikel 32, tweede lid, van de Procedurerichtlijn [4] , indien de vreemdeling op ernstige gronden een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Volgens de minister vormt eiser een gevaar voor de openbare orde, omdat ten aanzien van eiser ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag [5] . Eiser heeft verklaard dat hij traditioneel gehuwd is met een destijds minderjarig meisje van veertien jaar, met wie hij in de huwelijksnacht seks heeft gehad. Eiser heeft volgens de minister hierdoor een ernstig, absoluut, niet-politiek misdrijf begaan. Omdat eisers gedrag een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving, heeft de minister ook besloten om eiser voor de duur van tien jaar te laten registeren in het SIS.
Gronden
6. Eiser stelt zich allereerst op het standpunt dat de minister ten onrechte voorbij gaat aan de stelling dat zijn echtgenote niet is geboren op 1 januari 2001 maar op 7 november 1999. Zij was ten tijde van het sluiten van het traditionele huwelijk dus 15 jaar oud en niet 14 jaar oud. De minister passeert daarmee ten onrechte de verklaringen van de echtgenote en haar familieleden evenals de verklaring die eiser heeft gegeven voor het aanhouden van de datum van 1 januari 2001 tijdens de gehoren.
6.1.
Voorts heeft eiser, onder verwijzing naar informatie van een Syrische strafrechtadvocaat, aangevoerd dat de minister artikel 491, eerste lid, van het Syrische Wetboek van Strafrecht, waarin is aangegeven dat seks met een persoon jonger dan vijftien jaar strafbaar is, ten onrechte niet in samenhang heeft beschouwd met de artikelen 489, 490 en 508 van dat Wetboek van Strafrecht. Hieruit blijkt namelijk dat de strafbaarstelling niet opgaat als partijen gehuwd zijn. In de Syrische juridische praktijk en jurisprudentie wordt daarom aangenomen dat er geen sprake is van strafbaarheid als er een geldig of zelfs gebrekkig huwelijk tussen partijen bestaat. Daarbij komt dat de Syrische wetgeving in artikel 18.2 van de Syria Personal Status Law de rechter de mogelijkheid geeft om af te wijken van de wettelijk huwbare leeftijd voor meisjes tot een leeftijd van dertien jaar. Het feit dat het huwelijk van eiser later (in 2023) door een rechter is geregistreerd en een familieboekje is afgegeven, wijst er ook op dat deze Syrische rechter van oordeel was dat door eiser geen strafbaar feit is gepleegd. Van de door de minister gestelde strafbaarstelling in Syrië is in zijn situatie derhalve geen sprake, aldus eiser.
6.2.
Ook heeft eiser onder verwijzing naar jurisprudentie van de Nederlandse strafrechter aangevoerd dat het hebben van vrijwillige seks met een minderjarige in Nederland vaak niet als een ernstig misdrijf wordt beoordeeld, als er verzachtende omstandigheden zijn. De maximale straf waar de minister naar verwijst, wordt nagenoeg nooit toegepast. Dat de strafmaat op 1 juli 2024 is verhoogd van 8 naar 15 jaar is niet relevant, nu de minister de strafmaat dient te hanteren die gold op het moment van het vermeende gepleegde misdrijf.
6.3.
Verder bestrijdt eiser dat de minister bij de beoordeling of sprake is van een ernstig misdrijf voldoende heeft gemotiveerd dat er internationale consensus bestaat dat seksuele gemeenschap met een minderjarige van veertien jaar een ernstig strafbaar feit is. Eiser verwijst daarbij naar een publicatie van de European Union Agency For Fundamental Rights waar volgens hem uit volgt dat in Oostenrijk, Bulgarije, Estland, Duitsland, Hongarije, Italië en Portugal veertien jaar de ‘minimum age of consent’ is voor seksuele gemeenschap met een volwassene. [6]
6.4.
Daarnaast ontgaat het eiser waarom de minister bij zijn stelling blijft dat het besluit tot het huwelijk is genomen door eiser en de familie van zijn echtgenote. Eiser en zijn echtgenote hebben elkaar eerst leren kennen. Toen zij elkaar leuk bleken te vinden heeft eiser de hand van zijn echtgenote gevraagd. Dit blijkt ook uit de verklaringen van de echtgenote en haar vader. Daarbij dient bij de beoordeling van de seksuele handelingen rekening gehouden te worden met de omstandigheden van het geval, zoals dat ook in Nederland gebeurt. In Syrië is het niet ongebruikelijk dat meisjes minderjarig zijn. Ook was het zo dat de echtgenote van eiser het initiatief nam en er geen moment sprake is geweest van dwang.
6.5.
Verder heeft eiser aangevoerd dat de minister in het bestreden besluit ten onrechte voorbij is gegaan aan de belangen van de echtgenote van eiser en de kinderen. Het gevolg van het besluit van de minister is dat de echtgenote en de kinderen, terwijl zij al jaren gelukkig zijn samen, nu van eiser gescheiden worden, met grote psychische schade tot gevolg. Algemeen aanvaard is dat kinderen naast hun moeder ook een vader nodig hebben om uit te groeien tot evenwichtige volwassenen, terwijl ook de geestelijke problemen van hun moeder, als gevolg van het gemis van eiser, hun weerslag op de kinderen hebben. Het besluit is dan ook in strijd met de Gezinsherenigingsrichtlijn [7] en het evenredigheidsbeginsel.
6.6.
Tot slot heeft eiser aangevoerd dat de minister ten onrechte een besluit tot signalering heeft opgelegd voor de komende tien jaar, omdat dit tot gevolg heeft dat eiser niet welkom is in Nederland terwijl hij tegelijkertijd niet zal worden uitgezet naar Syrië. Dit leidt tot een patstelling waardoor het opleggen van een signalering in strijd is met de rechten van de mens.

Beoordeling door de rechtbank

Juridisch kader
7. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een ernstig, niet-politiek misdrijf in de zin van artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag hanteert de rechtbank onderstaand juridisch kader.
7.1.
Ingevolge artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag zijn de bepalingen van het Vluchtelingenverdrag niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat hij een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten.
7.2.
Uit paragraaf C2/7.10.2.2 van de Vc 2000 [8] volgt dat de volgende misdrijven in ieder geval moeten worden aangemerkt als ernstig, niet-politiek misdrijf in de zin van artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag:
  • moord;
  • doodslag;
  • verkrachting;
  • oorlogsmisdrijven, zoals gedefinieerd in artikel 8, Statuut van Rome, inzake het internationaal Strafhof;
  • foltering;
  • genocide, zoals gedefinieerd in artikel 6, Statuut van Rome, inzake het internationaal Strafhof,
  • slavernij en slavenhandel; en
  • misdrijven die vallen binnen de delictsomschrijving van enig bindend internationaal instrument dat bepaalt dat er in geval van een misdrijf dat binnen het bereik van dat instrument valt geen sprake kan zijn van een politiek misdrijf en/of vluchtelingschap.
7.3.
Ook volgt uit paragraaf C2/7.10.2.2 van de Vc 2000 dat de beoordeling of een misdrijf ‘ernstig’ is in de zin van artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag, een individuele beoordeling betreft aan de hand van de individuele omstandigheden. De volgende elementen kunnen daarbij van belang zijn:
aard van het gepleegde feit/handeling;
omvang van de gevolgen c.q. de schade die is teweeggebracht;
strafmaat;
internationale (rechterlijke) consensus dat het gepleegde feit is aan te merken als ernstig misdrijf;
de gevolgde strafprocedure.
Het is afhankelijk van de individuele feiten en omstandigheden welke elementen – al dan niet in samenhang – relevant zijn en moeten worden betrokken in de beoordeling.
(…)
Ad 3
Bij het wegen van de strafmaat is van belang de maximumstraf die volgens het Nederlands Wetboek van Strafrecht op het misdrijf is gesteld dan wel – als de vreemdeling al is veroordeeld – de hoogte van de opgelegde straf (na strafmaatvergelijking). Uitsluiting op grond van artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag gebeurt echter niet slechts op basis van de strafmaat, maar alleen na onderzoek en beoordeling van alle relevante feiten.
Ad 4
De internationale standaard en consensus of een bepaald misdrijf als ‘ernstig’ is aan te merken in de zin van artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag kan worden afgeleid uit bronnen als:
- de richtlijnen van UNHCR [9] voor de toepassing van artikel 1F Vluchtelingenverdrag, Handboek UNHCR;
  • internationale verdragen, Europese richtlijnen en verordeningen, resoluties van de VN Veiligheidsraad, resoluties/conclusies of andere uitlatingen van Europese instellingen (bijv. Europese Commissie, Raad van Ministers van de EU);
  • rechtspraak van Europese en internationale gerechtelijke instanties, evenals de wetgeving, uitvoering van rechtspraktijk van (andere) landen.
(…)
Om te bepalen of de vreemdeling verantwoordelijk kan worden gehouden voor misdrijven en daden als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag, onderzoekt de IND volgens de Vc 2000 [10] of de vreemdeling weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het betreffende misdrijf (knowing participation) en of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (personal participation).
‘Knowing participation’
Er is in ieder geval sprake van ‘knowing participation’ bij de vreemdeling in één van de volgende situaties:
a.de vreemdeling heeft gewerkt bij een organisatie, waarvan de IND heeft aangetoond dat deze organisatie op systematische wijze en/of op grote schaal zich schuldig heeft gemaakt aan misdrijven die genoemd worden in artikel 1F Vluchtelingenverdrag;
b.de vreemdeling heeft behoord tot een groep die door de minister is aangewezen als groep, waarop in de regel artikel 1F Vluchtelingenverdrag van toepassing is; of
c.de vreemdeling heeft deelgenomen aan handelingen, waarvan hij wist of had moeten weten dat het misdrijven betrof zoals bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag.
(…)
7.4.
Artikel 19, eerste lid, van het IVRK [11] bepaalt:
‘1. De Staten die partij zijn, nemen alle passende wettelijke en bestuurlijke maatregelen en maatregelen op sociaal en opvoedkundig gebied om het kind te beschermen tegen alle vormen van lichamelijk of geestelijk geweld, letsel of misbruik, lichamelijk of geestelijke verwaarlozing of nalatige behandeling, mishandeling of exploitatie, met inbegrip van seksueel misbruik, terwijl het kind onder de hoede is van de ouder(s), wettige voogd(en) of iemand anders die de zorg voor het kind heeft.’
Is sprake van een ernstig, niet politiek misdrijf?
8. De rechtbank is allereerst van oordeel dat eiser niet kan worden gevolgd in zijn stelling dat zijn echtgenote ten tijde van hun traditionele huwelijk bijna zestien jaar oud was. Deze in de zienswijze naar voren gebrachte verklaring stemt namelijk niet overeen met eisers verklaringen over haar leeftijd die hij in het aanmeldgehoor, het nader gehoor en het aanvullend 1F gehoor heeft afgelegd. Tijdens deze gehoren heeft eiser meermaals aangegeven dat zijn echtgenote is geboren op 1 januari 2001 en dat zij ten tijde van hun traditionele huwelijk en de consummatie ervan, veertien jaar oud was. Deze verklaringen zijn in de correcties en aanvullingen op deze gehoren nooit gecorrigeerd. De verklaringen van zijn echtgenote en familieleden die eiser heeft overgelegd, kunnen niet leiden tot een ander oordeel omdat deze niet objectief verifieerbaar zijn. Om die reden kan ook het door eiser verzochte videogesprek met de echtgenote en haar familie niet tot een ander oordeel leiden.
9. De rechtbank is voorts van oordeel dat de minister eiser heeft mogen tegenwerpen dat hij als volwassen man van zesentwintig jaar oud een traditioneel huwelijk is aangegaan met zijn huidige echtgenote, toen zij veertien jaar oud was en dit huwelijk direct heeft geconsumeerd. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister terecht dat het hebben van seks met een veertienjarige naar zijn aard een zeer ernstig misdrijf is vanwege de zeer ernstige inbreuk op de lichamelijke en geestelijke integriteit van de echtgenote en de mogelijke langdurige nadelige psychische gevolgen daarvan. Daarbij heeft de minister er ook terecht op gewezen dat minderjarigen, gezien hun leeftijd, beschermd moeten worden tegen personen die van hen seksueel misbruik willen maken. De rechtbank overweegt dat die bescherming ook ziet op de minderjarige zelf. Dat is immers de reden waarom (in ieder geval naar Nederlands recht) instemming van de minderjarige de strafbaarheid van de gedraging niet uitsluit. Een persoon van veertien jaar oud kan niet in staat worden geacht om zijn of haar seksuele integriteit te bewaken en weerstand te bieden aan een volwassene. Dat de ouders van de echtgenote hebben ingestemd met het traditionele huwelijk en dat de echtgenote de seks zelf zou hebben gewild, maakt het voorgaande niet anders. Ook onder die omstandigheden is, gelet op wat er hiervoor is overwogen, sprake van een seksueel misdrijf dat naar zijn aard zeer ernstig is.
9.1.
De rechtbank stelt verder vast dat partijen het erover eens zijn dat seks met een veertienjarige in zowel Syrië als Nederland strafbaar is. De minister heeft in dat kader gewezen op artikel 491, eerste lid, van het Syrisch Wetboek van Strafrecht, waaruit blijkt dat seks met een persoon jonger dat vijftien jaar strafbaar is en dat daarop een straf van dwangarbeid van negen jaar is gesteld. Eiser heeft aangevoerd dat dit artikel in samenhang bezien moet worden met de artikelen 489, 490 en 508 van dat Wetboek van Strafrecht, waaruit blijkt dat de strafbaarstelling niet van toepassing is indien partijen gehuwd zijn. In de overgelegde e-mail van een strafrechtadvocaat van 15 juli 2025 staat het volgende:
“Therefore, although Article 491 does not explicitly mention an exception for marriage, in Syrian legal practice and jurisprudence, it is understood that criminal liability under this article does not arise if a valid or even defective marriage exists between the parties.”
Dit zou betekenen dat de artikelen 489, 490 en 508 een uitzondering vormen op de hoofdregel van artikel 491, eerste lid, van het Syrisch Wetboek van Strafrecht. Eiser meent dat hij onder die uitzondering valt. Dit dient eiser aannemelijk te maken, hetgeen hij naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende heeft gedaan. Behalve deze e-mail zijn geen bronnen of jurisprudentie overgelegd waaruit blijkt dat dit in de Syrische rechtspraktijk inderdaad de wijze is waarop deze artikelen worden toegepast. Verder heeft eiser onvoldoende onderbouwd dat het traditionele huwelijk, waarvan sprake was op het moment van de consummatie, een ‘valid or even defective marriage’ is in de zin van de Syrische wetgeving. De rechtbank acht ook onvoldoende onderbouwd dat de strafbaarstelling is komen te vervallen doordat het huwelijk later (in 2023) door een Syrische rechter wettelijk is geregistreerd en een huwelijksboekje is afgegeven.
9.2.
Voorts overweegt de rechtbank dat de gedraging in Nederland ook wordt aangemerkt als een zwaar misdrijf, waarop hoge straffen staan. Sinds 1 juli 2024 geldt een maximum gevangenisstraf van vijftien jaar en kwalificeert de gedraging als verkrachting op grond van artikel 248 van het WvSr [12] . Daarvoor gold een maximumstraf van acht jaar voor het verkrachten van een kind tussen de 12 en 16 jaar. [13] Gezien deze maximumstraf stelt de minister terecht dat sprake is van een ernstig misdrijf in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Anders dan eiser betoogt wordt een dergelijk strafbaar feit in Nederland in de praktijk doorgaans niet licht bestraft. [14]
9.3.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich eveneens terecht op het standpunt dat er internationale consensus bestaat dat seks met een persoon van veertien jaar als een ernstig misdrijf wordt gezien. De rechtbank stelt hierbij voorop dat voor het bestaan van internationale consensus niet vereist is dat alle landen precies hetzelfde denken over seks met een kind van veertien. Wel is van belang dat er consensus is in een groot deel van de landen. Dat is volgens de rechtbank het geval. Dit volgt uit het door de minister aangehaalde artikel 19 van het IVRK en het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (het Verdrag van Istanbul), waarvan veel landen partij zijn. [15] Verder blijkt deze consensus ook uit de nationale en internationale rechtspraktijk. Zo heeft de minister terecht gewezen op uitspraken gedaan door deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 22 augustus 2024 [16] , zittingsplaats Haarlem van 24 oktober 2024 [17] , zittingsplaats Rotterdam van 11 maart 2024 [18] en 19 december 2024 [19] . En ook op de reacties van een tiental Europese landen [20] waarin deze aangeven dat het consumeren van een kindhuwelijk kan worden geschaard onder artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag. Dat een aantal Europese landen de leeftijd van veertien jaar hanteert als ‘minimum age of consent’ voor het hebben van seksuele gemeenschap betekent gelet op het voorgaande niet dat van internationale consensus geen sprake is. De twee door eiser aangehaalde Belgische arresten [21] waarin seks met een minderjarige niet als een 1F-misdrijf is aangemerkt, leiden de rechtbank ook niet tot een ander oordeel. In de ene zaak [22] was bovendien sprake van specifieke omstandigheden, de man was namelijk ten tijde van het hebben van seks met de minderjarige zelf ook nog minderjarig.
Knowing participation
10. Voor zover eiser bestrijdt dat sprake is geweest van ‘knowing participation’ is de rechtbank van oordeel dat dit betoog niet kan slagen. Op grond van paragraaf C2/7.10.2.4, onder c, van de Vc 2000 is sprake van ‘knowing participation’ als het gaat om het deelnemen aan handelingen, waarvan de vreemdeling wist of had moeten weten dat het misdrijven betroffen zoals bedoeld in artikel 1F aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag. De rechtbank overweegt dat het hebben van seks met een veertienjarige (ook) in Syrië strafbaar is gesteld en dat van eiser verwacht mag worden dat hij hiervan op de hoogte was. Ook is in het bestreden besluit (pagina’s 4 en 5) deugdelijk gemotiveerd dat uit eisers verklaringen volgt dat hij zich bewust was van de jonge leeftijd van zijn echtgenote, haar kwetsbaarheid en het overwicht dat hij had als meerderjarige man, en daarmee dus van het strafbare karakter van zijn gedrag. Desondanks heeft hij ervoor gekozen om seks te hebben met een kind van veertien jaar, terwijl hij ervoor had kunnen kiezen om dat niet te doen.
Evenredigheidsbeginsel en de belangen van de echtgenote en de kinderen
11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in het bestreden besluit [23] afdoende gemotiveerd waarom de belangen van de echtgenote en kinderen niet kunnen opwegen tegen de tegenwerping van artikel 1F aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag. Daarbij heeft de minister erop mogen wijzen op de kinderen in Syrië zijn geboren en getogen en hun moeder bij hen is om voor hen te zorgen. Niet gebleken is dat zij in dit bestaan worden bedreigd. Tevens heeft de minister verwezen naar de eerder genoemde uitspraak van de rechtbank, zittingsplaats Haarlem [24] , waarin deze heeft geoordeeld dat de omstandigheid dat door de tegenwerping van artikel 1F aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag geen mogelijkheid bestaat tot gezinshereniging, de toepassing ervan niet disproportioneel maakt.
Signalering in de Schengeninformatiesystemen
12. De rechtbank is tot slot van oordeel dat eiser niet gevolgd kan worden in zijn stelling dat hem ten onrechte een besluit tot signalering is opgelegd voor de duur van tien jaar. Onder verwijzing naar zijn beleid heeft de minister voldoende gemotiveerd dat het gedrag van eiser een actueel, werkelijk en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. Zo heeft de minister betrokken dat aan eiser artikel 1F aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag wordt tegengeworpen vanwege een zeer ernstig misdrijf, dat hij persoonlijk betrokken was bij het misdrijf en dat hij verantwoordelijk kan wordt gehouden voor het misdrijf. Ook heeft de minister betrokken dat het misdrijf relatief kort geleden is gepleegd en dat het misdrijf naar zijn aard zeer lang actueel blijft. Tot slot heeft de minister betrokken dat eiser niets naar voren heeft gebracht waaruit enig inzicht, rekenschap of verantwoordelijkheidsbesef voor zijn handelen blijkt, terwijl de minister in zijn besluitvorming heeft gemotiveerd waarom daar geen sprake van is. Zo is niet gebleken dat eiser op enig moment afstand heeft genomen van zijn handelen. Onder deze omstandigheden heeft de minister zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat eiser een actueel, werkelijk en voldoende ernstig gevaar vormt voor de openbare orde en dus terecht het besluit tot signalering heeft opgelegd.

Conclusie en gevolgen

13. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de weigering van de asielaanvraag en het besluit tot signalering in stand blijven. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, voorzitter, en mr. M. Munsterman en
mr. A.G.D. Overmars, leden, in aanwezigheid van mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Schengeninformatiesysteem.
3.Zaaknummer NL24.35254.
4.Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (herschikking), PbEU 2013, L 180.
5.Internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen van 28 juli 1951, gewijzigd door het Protocol van New York van 31 januari 1967.
6.https://fra.europa.eu/en/publication/2017/mapping-minimum-age-requirements/consent-sexual-activity-adult.
7.Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging, PbEU 2003 L 251/12.
8.Vreemdelingencirculaire 2000. Na het bestreden besluit is sprake geweest van een vernummering van artikelen in de Vc 2000. Nu is sprake van paragraaf C2/7.10.7.2.2. In deze uitspraak worden de artikelnummers gebruikt zoals ze ten tijde van het bestreden besluit luidden.
9.United Nations High Commissioner for Refugees, de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties.
10.Paragraaf 7.10.2.4. Bewijslast en verantwoordelijkheid.
11.Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind.
12.Wetboek van Strafrecht.
13.Artikel 245 WvSr.
14.Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s Hertogenbosch, van 22 augustus 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:14784.
15.https://rm.coe.int/1680462530.
20.België, Denemarken, Finland, Ierland, Luxemburg, Noorwegen, Oostenrijk, Polen, Zweden en Zwitserland.
21.De uitspraak van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van 7 september 2021 (260.333) en het arrest van het Conseil du Contentieux des Etrangers van 26 maart 2021 (251 696).
22.Zaak die leidde tot de uitspraak van 7 september 2021.
23.Pagina 8 en 9.