ECLI:NL:RBDHA:2025:22386

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 september 2025
Publicatiedatum
27 november 2025
Zaaknummer
NL25.28661
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 ProcedurerichtlijnArt. 8:57 AwbArt. 6:2 AwbArt. 7:1 AwbArt. 6:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen niet tijdig beslissen op asielaanvraag met oplegging dwangsom

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn onbetwist is overschreden en dat een ingebrekestelling niet vereist is in deze zaak. Verweerder heeft nog geen besluit genomen, ondanks het verstrijken van de maximale termijn van 21 maanden zoals genoemd in de Procedurerichtlijn.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt verweerder op om zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken na verzending van deze uitspraak, een besluit te nemen. Tevens legt de rechtbank een rechterlijke dwangsom op van €200 per dag met een maximum van €15.000 voor iedere dag dat verweerder de termijn overschrijdt.

Daarnaast worden proceskosten toegekend aan belanghebbende ter hoogte van €453,50, gebaseerd op het indienen van het beroepschrift. De rechtbank verwijst naar relevante eerdere uitspraken en wettelijke bepalingen, waaronder de Algemene wet bestuursrecht, en bevestigt dat de tijdelijke afschaffing van bestuurlijke dwangsommen in asielzaken niet in strijd is met het Unierecht.

De uitspraak is gedaan zonder zitting en is openbaar bekendgemaakt. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na bekendmaking.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en verweerder wordt opgedragen binnen twee weken te beslissen onder oplegging van een dwangsom van €200 per dag tot maximaal €15.000.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.28661
[V-Nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[belanghebbende] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. C.H. van den Berg),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Belanghebbende heeft beroep ingesteld.
Verweerder heeft de gelegenheid van verweer gehad.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [1]

Overwegingen

Voor het wettelijke kader en de aan het beroep ten grondslag liggende overwegingen verwijst de rechtbank naar de bijlage bij deze uitspraak.
Is de beslistermijn overschreden?
( x ) Ja, belanghebbende heeft onbetwist gesteld dat de beslistermijn is overschreden.
( ) Ja, dit is tussen partijen niet in geschil.
( ) Ja, verweerders standpunt dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard volgt de rechtbank niet. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van 6 januari 2023 [2] .
( ) Ja, verweerders standpunt dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard volgt de rechtbank niet. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraken van 24 januari 2024 [3] .
( ) Ja, verweerders standpunt dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard volgt de rechtbank niet. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak 24 april 2025 [4] .
( ) Nee.
Is er een correcte ingebrekestelling en is het beroep meer dan twee weken later ingesteld?
( ) Ja.
( ) Nee.
( x ) Een ingebrekestelling is in dit geval niet vereist. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling [5] bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 8 maart 2019. [6]
Is het beroep gegrond?
( ) Nee. Het beroep is niet-ontvankelijk omdat niet is voldaan aan de voorwaarden voor het instellen van beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
( x ) Ja.
Heeft belanghebbende de rechtbank verzocht om de bestuurlijke dwangsom vast te stellen?
( ) Ja. Verweerder is in dit geval geen bestuurlijke dwangsom verschuldigd. Met de tijdelijke wet dwangsom heeft verweerder de bestuurlijke dwangsom afgeschaft in asielzaken. Dit is niet in strijd met het Unierechtelijke gelijkwaardigheidsbeginsel of doeltreffendheidsbeginsel. Voor de motivering van dit oordeel wordt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 30 november 2022. [7] ( x ) Nee.
Binnen welke termijn moet verweerder alsnog een besluit nemen?
( ) De rechtbank stelt een termijn vast die aansluit bij het 8+8-wekenmodel zoals geformuleerd in de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2020. [8] Het nader gehoor is nog niet afgenomen. Dat betekent dat de rechtbank verweerder thans nog zestien weken biedt om te beslissen op de asielaanvraag.
( ) De rechtbank stelt een termijn vast die aansluit bij het 8+8-wekenmodel zoals geformuleerd in de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2020. [9] Het nader gehoor is al afgenomen. Dat betekent dat de rechtbank verweerder thans nog acht weken biedt om te beslissen op de asielaanvraag.
( ) De rechtbank stelt vast dat verweerder in het verleden uitdrukkelijk is opgedragen te beslissen op de aanvraag van belanghebbende, maar dat nog steeds niet heeft gedaan. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die daaraan sedertdien in de weg hebben gestaan. Dat betekent dat de rechtbank verweerder thans de standaardtermijn van twee weken biedt om te beslissen op de asielaanvraag.
( x ) De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om verweerder op te dragen zo snel mogelijk op de asielaanvraag van belanghebbende te beslissen, maar uiterlijk twee weken na verzending van deze uitspraak. De rechtbank stelt vast dat de uiterste termijn van 21 maanden zoals genoemd in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn is verstreken zonder dat verweerder een besluit heeft genomen. [10]
Hoe hoog is de rechterlijke dwangsom als verweerder niet binnen deze termijn beslist?( ) € 100,-, met een maximum van € 7.500,-.
( x ) € 200,-, met een maximum van € 15.000,-.
( ) € 250,-, met een maximum van € 37.500,-.
Is er aanleiding om proceskosten vast te stellen?
( x ) Ja.
( ) Nee.
Hoe hoog zijn de te vergoeden proceskosten?De volgende proceskosten worden toegekend:
( x ) 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5.
( ) 0,5 punt voor een nadere reactie met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5.
( ) 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1.
( ) 0,5 punt voor een nadere reactie met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1.

Beslissing

De rechtbank:
( ) verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
( x ) verklaart het beroep gegrond;
( ) draagt verweerder op binnen maximaal zestien weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit bekend te maken;
( ) draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit bekend te maken;
( ) draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit bekend te maken;
( x ) draagt verweerder op zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit bekend te maken;
( x ) bepaalt dat verweerder aan belanghebbende een dwangsom van
( ) € 100,- ( x ) € 200,- ( ) € 250,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van ( ) € 7.500,- ( x ) € 15.000,- ( ) € 37.500,-.
( x ) veroordeelt verweerder in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van
( x ) € 453,50 ( ) € 680,25 ( ) € 907,- ( ) € 1.360,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechter,
in aanwezigheid van mr. S. Özçelik, griffier.

Bijlage

Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. [11] Het beroepschrift kan worden ingediend als het bestuursorgaan niet tijdig een besluit heeft genomen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen. [12]
Als niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor een beroep tegen niet tijdig beslissen, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.
Als verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Verweerder moet dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. [13] Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen. [14]
De rechtbank bepaalt dat verweerder bij het overschrijden van de door de rechtbank vastgestelde termijn een dwangsom verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden. [15] Dit is de rechterlijke dwangsom. Voor de dwangsomtermijn wordt uitgegaan van een termijn van 75 dagen voor verweerder om alsnog een besluit te nemen. De rechtbank legt in beginsel een dwangsom op van € 100,- per dag met een maximum van € 7.500,-. Bij opvolgende beroepen niet tijdig die worden ingesteld nádat de maximale dwangsom is volgelopen, zal de dwangsom worden verdubbeld, bij een gelijk aantal dagen. Bij zaken waarin zelfs de 21-maanden-termijn is overschreden is verweerder een dwangsom van € 200,- verschuldigd voor elke dag waarmee de genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.
Als het beroep gegrond is, bepaalt de rechtbank dat verweerder het griffierecht moet vergoeden als belanghebbende dat heeft betaald. [16] Als belanghebbende is bijgestaan door een rechtsbijstandverlener, stelt de rechtbank een vergoeding vast van zijn kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. [17] De zaak is van licht gewicht als het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden en/of een dwangsom is verbeurd.
uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.ECLI:NL:RBDHA:2023:136. Deze uitspraak gaat over WBV 2022/22.
3.ECLI:NL:RBDHA:2024:617 en ECLI:NL:RBDHA:2024:620. Deze uitspraken gaan over WBV 2023/3.
4.ECLI:NL:RBDHA:2025:7807. Deze uitspraak gaat over WBV 2023/26.
5.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
11.Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.
12.Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
13.Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.
14.Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.
15.Op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
16.Artikel 74, eerste lid, van de Awb.
17.Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.