ECLI:NL:RBDHA:2025:22323

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
NL24.10772
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging van facultatieve tijdelijke bescherming en terugkeerbesluit voor derdelander uit Oekraïne

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, enkelvoudige kamer, op 25 november 2025, wordt de beëindiging van de facultatieve tijdelijke bescherming van eiser, een derdelander uit Oekraïne, behandeld. Eiser had tijdelijke bescherming verkregen op basis van de Richtlijn tijdelijke bescherming, maar de minister van Asiel en Migratie heeft deze bescherming per 4 maart 2024 beëindigd en een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld. De rechtbank oordeelt dat de minister terecht de bescherming heeft beëindigd, maar dat het terugkeerbesluit prematuur was, omdat dit al op 21 februari 2024 was genomen, terwijl de bescherming pas op 4 maart 2024 eindigde. De rechtbank concludeert dat de minister de hoorplicht niet heeft geschonden, omdat eiser eerder de gelegenheid heeft gehad om zijn zienswijze naar voren te brengen. Uiteindelijk wordt het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de minister veroordeeld in de proceskosten van eiser.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.10772

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 november 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. E. Ceylan),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van de aan eiser toegekende facultatieve tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming (Richtlijn) [1] en de oplegging van meerdere terugkeerbesluiten. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht de aan eiser toegekende facultatieve tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 heeft geëindigd en per die datum een terugkeerbesluit heeft opgelegd. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. De minister heeft eiser bij besluit van 21 februari 2024 een terugkeerbesluit opgelegd in verband met de beëindiging van de aan hem toegekende tijdelijke bescherming per 4 maart 2024. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Ook heeft eiser verzocht een voorlopige voorziening te treffen (NL24.10773).
2.1.
Bij uitspraak van 4 april 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats dit verzoek toegewezen en bepaald dat eiser moet worden behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming op hem van toepassing is, tot uitspraak is gedaan op het beroep. [2]
2.2.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [3]
Feiten en inleidende opmerkingen
3. Eiser komt uit Marokko. Hij had in Oekraïne een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met een grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier als zogeheten derdelander facultatieve tijdelijke bescherming verkregen op grond van de Richtlijn en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van 4 maart 2022 (Uitvoeringsbesluit). [4] Ook heeft hij, om deze tijdelijke bescherming te kunnen krijgen, een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Deze aanvraag is op 22 augustus 2023 buiten behandeling gesteld. Hiertegen is geen beroep ingesteld.
3.1.
De minister heeft aanvankelijk bepaald dat de facultatieve tijdelijke bescherming met ingang van 4 september 2023 eindigt. Dit heeft de minister aan eiser bij besluit van 22 augustus 2023 bekendgemaakt. Met dit besluit is eiser ook een terugkeerbesluit opgelegd. Dit besluit heeft de minister ingetrokken nadat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bij uitspraak van 17 januari 2024 [5] had bepaald dat het recht op tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning van rechtswege niet op deze datum kon eindigen, maar van rechtswege zou eindigen op 4 maart 2024. In een brief van 21 februari 2024 heeft de minister eiser gewezen op deze beëindiging van rechtswege op 4 maart 2024. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
3.2.
Deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, en de Afdeling hebben op 29 maart 2024 [6] en 25 april 2024 [7] prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie. Deze vragen zijn beantwoord in een arrest van 19 december 2024 (arrest Kaduna). [8] Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat het Unierecht het een lidstaat toestaat om de verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip in te trekken dan dat waarop de verplichte tijdelijke bescherming geen rechtsgevolgen meer heeft. Ook heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat het lidstaten niet is toegestaan een terugkeerbesluit te nemen voordat de tijdelijke bescherming is beëindigd. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 [9] uitgelegd hoe het arrest van het Hof van Justitie dient te worden toegepast en bevestigd dat de tijdelijke bescherming voor derdelanders op 4 maart 2024 is geëindigd. Bij brief van 3 juni 2025 heeft de minister meegedeeld dat hij besloten heeft om naar aanleiding van deze Afdelingsuitspraken de bevriezingsmaatregel per 4 september 2025 te beëindigen. [10] Op 10 juli 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, naar aanleiding van het arrest van 19 december 2024 einduitspraak gedaan. [11]
Heeft eiser nog procesbelang?
4. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij de beoordeling van zijn beroep. De minister heeft de rechtbank met de brief van 9 april 2024 op de hoogte gesteld dat eiser zelfstandig uit Nederland is vertrokken. De gemachtigde van eiser heeft laten weten dat hij betoogt dat eiser nog procesbelang heeft, aangezien eiser verzoekt om intrekking van het terugkeerbesluit en verwijdering van registratie van zijn naam uit het Schengeninformatiesysteem. Ook heeft de gemachtigde van eiser nog contact met eiser.
4.1.
De rechtbank verwijst naar vaste rechtspraak van de Afdeling, [12] waaruit volgt dat een vreemdeling nog procesbelang heeft bij een uitgewerkt terugkeerbesluit door de signalering in het Schengeninformatiesysteem. De rechtbank oordeelt daarom dat eiser nog belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep.
Beroep tegen het terugkeerbesluit van 21 februari 2024
5. Eiser betoogt dat de minister de tijdelijke bescherming onrechtmatig heeft beëindigd vanaf 4 maart 2024. Daarbij verwijst eiser naar een uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024. [13] Eiser voert aan dat de Afdeling met de uitspraak van 17 januari 2024 onrechtmatig op de stoel van de wetgever is gaan zitten. Ook betoogt eiser dat de overweging met betrekking tot de beëindiging van de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 een overweging ten overvloede is, waardoor deze geen onderdeel uitmaakt van het dictum. Eiser betoogt dan ook dat de tijdelijke bescherming doorloopt na 4 maart 2024.
5.1.
De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 geoordeeld dat de minister de facultatieve tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne mocht beëindigen op 4 maart 2024. In deze uitspraken heeft de Afdeling ook geoordeeld [14] , onder verwijzing naar haar eerdere uitspraak van 17 januari 2024 [15] , dat de minister geen toezeggingen heeft gedaan waaruit derdelanders mochten afleiden dat hun tijdelijke bescherming pas zou eindigen als de maximale duur daarvan was bereikt. De Afdeling heeft overwogen dat geen reden bestaat om op dit punt tot een ander oordeel te komen. In de uitspraak van 17 januari 2024 heeft de Afdeling daarnaast nog geoordeeld dat de minister geen gegronde verwachtingen heeft gewekt dat derdelanders altijd hetzelfde zouden worden behandeld als andere ontheemden uit Oekraïne die tijdelijke bescherming hebben gekregen. De rechtbank verwijst verder nog naar haar eerdere uitspraak van 1 november 2023. [16] De beroepsgrond slaagt in zoverre dus niet.
5.2.
De beroepsgrond met betrekking tot het premature terugkeerbesluit slaagt. In de uitspraken van 23 april 2025 heeft de Afdeling bevestigd dat de tijdelijke bescherming (van rechtswege) op 4 maart 2024 is geëindigd. Aangezien het terugkeerbesluit op 21 februari 2024 is genomen, is het terugkeerbesluit prematuur. De minister heeft ook geen later terugkeerbesluit genomen. De minister had dan ook niet op 21 februari 2024 al een terugkeerbesluit kunnen nemen, aangezien de tijdelijke bescherming van eiser pas is geëindigd op 4 maart 2024.
Heeft de minister de hoorplicht geschonden?
6. Eiser betoogt dat de minister hem ten onrechte niet heeft gehoord voorafgaand aan het opleggen van het terugkeerbesluit. Dit maakt dat het terugkeerbesluit onrechtmatig is en in strijd is met artikel 4:8 van de Awb. In dat kader verwijst eiser naar twee uitspraken van het Hof van 15 februari 2023 en van 22 november 2022. [17]
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de hoorplicht niet geschonden. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende. Voorafgaand aan het opleggen van een belastend besluit moet de vreemdeling in de gelegenheid worden gesteld om zijn zienswijze naar voren te brengen. De rechtbank verwijst hierbij naar artikel 4:11 van de Awb, waaruit volgt dat mag worden afgezien van het horen wanneer de vreemdeling eerder in de gelegenheid is gesteld om zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan. In 2023 is aan eiser het voornemen toegestuurd, waarbij de minister eiser in de gelegenheid heeft gesteld om zijn zienswijze naar voren te brengen. In 2024, ten tijde van het nieuwe voornemen, is dat niet gebeurd omdat eiser al eerder de mogelijkheid had gekregen om zijn zienswijze naar voren te brengen. Eiser heeft ook niet aangegeven wat er is veranderd ten opzichte van 2023, wat maakt dat hij opnieuw in de gelegenheid moet worden gesteld om zijn zienswijze naar voren te brengen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en dat het bestreden besluit wordt vernietigd.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is veroordeelt de rechtbank de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van €907 en een wegingsfactor 1). Ook moet de minister het door eiseres betaalde griffierecht aan haar vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van € 907.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E. Brokke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
2.Rb. Den Haag (zp Arnhem) 4 april 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:4809.
3.Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
4.Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van Richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan.
5.ABRvS 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:32.
6.Rb. Den Haag (zp Amsterdam) 29 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:4394.
7.ABRvS 25 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1742.
8.Hof van Justitie 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038 (Kaduna).
10.TK 2024-2025, 19637, nr. 3434.
11.Rb. Den Haag (zp Amsterdam) 19 december 2024, ECLI:NL:RBDHA:2025:12445.
12.ABRvS 21 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1178.
13.ABRvS 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:32.
14.ABRvS 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1827 en ECLI:NL:RVS:2025:1829, onder 4 en ECLI:NL:RVS:2025:1836, onder 6
15.ABRvS 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:32, onder 10.2
16.Rb. Den Haag (zp Arnhem) 1 november 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:16410.
17.ECLI:EU:C:2013:122 en ECLI:EU:C:2022:913.