Eiseres, sinds 1994 werkzaam bij de politie en vanaf 2019 teamchef, meldde zich ziek met diverse psychische en fysieke klachten die zij toeschrijft aan een arbeidsconflict met haar werkgever. Zij verzocht om erkenning van haar ziekte als beroepsziekte, wat door verweerder werd afgewezen. De rechtbank toetst of de ziekte in overwegende mate is veroorzaakt door de werkzaamheden of bijzondere omstandigheden daarvan.
De rechtbank stelt vast dat er sprake is van een onherstelbaar verstoorde arbeidsverhouding, maar dat de omstandigheden objectief niet als buitensporig kunnen worden aangemerkt. Eiseres heeft onvoldoende feitelijke en toetsbare gegevens aangeleverd om haar betoog te onderbouwen. Ook berichten in de media en het bezoek van politieagenten aan haar woning kwalificeren niet als buitensporige omstandigheden.
De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat de bedrijfsartsverklaring niet doorslaggevend is en dat het primair aan de werkgever is om te bepalen of sprake is van beroepsziekte. Het beroep wordt ongegrond verklaard, en eiseres krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.