Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:20642

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 november 2025
Publicatiedatum
5 november 2025
Zaaknummer
NL25.46214
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b VreemdelingenbesluitArt. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 27 Dublin III-verordeningArt. 29 Dublin III-verordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige bewaring en overdracht aan Portugal wegens schending verdedigingsbeginsel en medische zorgplicht

Eiseres, een asielzoekster met ernstige psychische problemen, werd op 23 september 2025 in bewaring gesteld om haar overdracht aan Portugal te verzekeren. De rechtbank stelde vast dat ten onrechte handboeien werden aangelegd, het verdedigingsbeginsel werd geschonden doordat haar gemachtigde niet adequaat werd geïnformeerd, en dat onvoldoende medisch onderzoek had plaatsgevonden om de overdracht verantwoord te kunnen uitvoeren.

De rechtbank oordeelde dat het overdrachtsbesluit niet kon worden uitgevoerd omdat er geen BMA-advies was uitgebracht en dat de overdracht ondanks ernstige gezondheidsrisico's toch plaatsvond, wat een schending van artikel 4 van Pro het Handvest inhoudt. De maatregel was daarom onrechtmatig, evenals de feitelijke overdracht. Tevens was onvoldoende onderzocht of een lichter middel volstond en was de motivering van de maatregel gebrekkig.

De rechtbank gelastte de onmiddellijke teruggeleiding van eiseres naar Nederland en kende haar een schadevergoeding toe voor de drie dagen onrechtmatige bewaring. Ook werd verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten. De uitspraak benadrukt de zorgplicht van de overheid bij bewaring en overdracht, het belang van volledige informatieverstrekking aan de verdediging en de noodzaak van medische beoordeling bij kwetsbare vreemdelingen.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, wijst schadevergoeding toe en gelast onmiddellijke teruggeleiding van eiseres wegens onrechtmatige bewaring en overdracht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.46214

Einduitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres],

geboren op [geboortedatum] 1997, Angolese nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer],
eiseres,
(gemachtigde: mr. H. Drenth),
en

de Minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigden: L. Verhaegh en mr. M. Ruijzendaal).

Procesverloop

Verweerder heeft eiseres op 23 september 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 om de overdracht aan Portugal te verzekeren.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de oplegging van de maatregel, welk beroep wordt aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft de maatregel op 25 september 2025 opgeheven om de feitelijke overdracht aan Portugal te kunnen effectueren.
Eiseres heeft desgevraagd aangeven haar beroep te handhaven in verband met haar aanspraak op schadevergoeding.
Op 4 oktober 2025 heeft de rechtbank een bericht in het dossier geplaatst met de navolgende inhoud:
(…)
De rechtbank verzoekt verweerder om de dag voor de zitting het dossier aan te vullen met in
ieder geval een verslag van de fit-to-fly keuring en een verslag van de feitelijke overdracht door de twee medewerkers van de Koninklijke Marechaussee en de medewerker van de Dutch Medical Group die eiseres tijdens de feitelijke vlucht hebben begeleid. De rechtbank verzoekt verweerder tevens het navolgende voorafgaand aan de zitting na te gaan:
* In de maatregel is vermeld dat op 2 september 2025 een BMA-advies is gevraagd. Is dat
advies opgemaakt? Zo ja, dan verzoekt de rechtbank om dat advies aan het dossier toe te
voegen.
* Is door eiseres bezwaar gemaakt tegen de feitelijke overdracht en een verzoek om een
voorlopige voorziening hangende dit bezwaar ingediend? Zo ja, dan verzoekt de rechtbank om deze stukken aan het dossier toe te voegen.
De rechtbank verzoekt verweerder tevens om na te gaan of eiseres gedurende haar bewaring in een time-out kamer of observatiecel is geplaatst om redenen van suïcide preventie, of dat cameratoezicht vanwege deze reden heeft plaatsgevonden. De rechtbank verzoekt verweerder tevens om de stukken van de Dublinprocedure aan dit bewaringsdossier toe te voegen, zodat de gemachtigde die eiseres in de onderhavige procedure bijstaat van deze stukken kennis kan nemen.
De rechtbank verzoekt gemachtigde van eiseres om bij DC Zeist het medische dossier van
eiseres, waaronder het verslag van de medische intake, op te vragen en aan het dossier toe te voegen. Indien gemachtigde van eiseres over meer medische informatie over eiseres beschikt, verzoekt de rechtbank gemachtigde om deze informatie over te leggen.
(…)
De rechtbank heeft het beroep op 7 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft na de behandeling van het beroep het onderzoek ter zitting gesloten.
Bij bericht van 9 oktober 2025 heeft de rechtbank partijen medegedeeld dat het onderzoek wordt heropend omdat de rechtbank het noodzakelijk acht om nader te worden geïnformeerd door partijen. De rechtbank heeft op 9 oktober 2025 een tussenuitspraak gedaan en partijen opgedragen nadere informatie te verschaffen (ECLI:NL:RBDHA:2025:18663).
Beide partijen hebben op verschillende data de door de rechtbank opgevraagde informatie (grotendeels) verschaft.
Bij bericht van 3 november 2025 heeft de rechtbank partijen medegedeeld dat het onderzoek wordt gesloten en de rechtbank op korte termijn een einduitspraak zal doen.

Overwegingen

1. Eiseres is met een door de Portugese autoriteiten verstrekt visum de Unie ingereisd. Eiseres heeft vervolgens op 31 december 2024 een asielaanvraag in Nederland gedaan. Op 25 maart 2025 is een claimakkoord met Portugal tot stand gekomen. Verweerder heeft de asielaanvraag op 7 mei 2025 niet in behandeling genomen en een overdrachtsbesluit genomen. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft op 29 augustus 2025 het beroep tegen het overdrachtsbesluit ongegrond verklaard (ECLI:NL:RBLIM:2025:8509, niet gepubliceerd). Eiseres heeft geen hoger beroep ingesteld.
2. Verweerder heeft op 16 september 2025 aan de Portugese autoriteiten aangekondigd dat de feitelijke overdracht zal plaatsvinden op 25 september 2025 om 10:55 uur. Eiseres heeft geen bezwaar gemaakt tegen de feitelijke overdracht.
3. Verweerder heeft op 23 september 2025 een bewaringsmaatregel opgelegd om de overdracht aan Portugal te verzekeren. Eiseres is vanuit bewaring op 25 september 2025 feitelijk overgedragen aan de Portugese autoriteiten. Ten tijde van de rechterlijke controle is deze maatregel reeds opgeheven. De rechtbank beoordeelt in de onderhavige procedure of de oplegging van de maatregel rechtmatig is geweest omdat de rechtbank moet beslissen op het verzoek om schadevergoeding.
4. In de bewaringsmaatregel is overwogen dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eiseres zich aan het toezicht zou onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit, als zware gronden vermeld dat eiseres:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van haar asielverzoek;
3m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen zes maanden na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van haar asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiseres:
4a. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. De gemachtigde van eiseres heeft ter zitting onder meer aangevoerd dat hij contact heeft opgenomen met de gemachtigde die eiseres heeft bijgestaan in de Dublinprocedure en dat die gemachtigde heeft aangegeven niet te zijn benaderd met de vraag of eiseres toestemming aan BMA wilde geven om kennis te nemen van de medische stukken en een onderzoek op te starten. Gemachtigde heeft aangegeven dat ten onrechte handboeien zijn aangelegd bij de overbrenging. In het betreffende proces-verbaal is niet gerelateerd dat deze bevoegdheid op grond van de ambtsinstructie kon worden aangewend en de angst van eiseres is een contra-indicatie voor het geboeid overbrengen. Gemachtigde heeft het bewaringsgehoor bijgewoond, maar is niet voorafgaand aan het gehoor of tijdens het gehoor geïnformeerd over de gezondheidstoestand van eiseres. Dit doet afbreuk aan de verdedigingsrechten. Eiseres heeft zich steeds aan haar meldplicht gehouden. Dat de uiterste overdrachtsdatum bijna is verstreken is niet aan eiseres te wijten en is ook geen rechtvaardiging voor de inbewaringstelling. Verweerder had eerder een vlucht kunnen boeken en als eiseres dan niet zou hebben meegewerkt zou wellicht tot de bewaring kunnen zijn overgegaan. Gemachtigde betwist de grondslag van de maatregel en de gronden die in de maatregel zijn opgevoerd om het significante onttrekkingsrisico te onderbouwen. Gemachtigde heeft ook gemotiveerd aangevoerd dat had moeten worden volstaan met een lichter middel, onder meer gelet op haar psychische situatie en de omstandigheid dat zij zich steeds aan de meldplicht heeft gehouden.
6. Verweerder heeft zich in de aanbiedingsbrief van 6 oktober 2025 primair op het standpunt gesteld dat de bewaringsrechter niet bevoegd is om te beoordelen of het overdrachtsbesluit kon worden aangevoerd. Het arrest Adrar ziet op de uitlegging van de terugkeerrichtlijn en is niet van toepassing. Eiseres had hoger beroep kunnen instellen en had bezwaar kunnen maken tegen de feitelijke overdracht. Er heeft geen fit-to-fly keuring plaatsgevonden en BMA heeft geen onderzoek gedaan en geen advies uitgebracht. Eiseres is in DCZ geplaatst op de AMV-afdeling welke thans niet wordt bewoond door minderjarige vreemdelingen. Deze afdeling wordt gebruikt in geval extra kwetsbare vreemdelingen zoals eiseres in bewaring worden gesteld. Gedurende de nacht stond eiseres onder cameratoezicht en gedurende de dag kon eiseres vrij bewegen en ook naar buiten. Verweerder heeft ter zitting in reactie op de gronden aangevoerd dat de maatregel rechtmatig is opgelegd en dat de vereiste zorgvuldigheid is betracht. Juist omdat eiseres kwetsbaar is heeft verweerder willen bewerkstelligen dat slechts eenmaal een feitelijke overdracht hoeft te worden georganiseerd en eiseres zich maar eenmaal hierop hoeft voor te bereiden. Verweerder is nagegaan hoe de overdracht op de minst belastende wijze kon plaatsvinden en heeft een zogenoemde maatwerkaanhouding verricht met medische begeleiding. Eiseres is meteen na aankomst in het DCZ op een speciale zorgafdeling geplaatst en er is bewust voor gekozen om de duur van de bewaring zo kort mogelijk te laten zijn. Verweerder heeft ook aangegeven dat de rechtbank pas op 29 augustus 2025 uitspraak heeft gedaan en de feitelijke overdracht pas na de uitspraak kan worden georganiseerd waarbij ook rekening moet worden gehouden met de verplichting om de Portugese autoriteiten over de overdracht te infomeren.
7. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren, het verzoek om schadevergoeding toewijzen en de teruggeleiding van eiseres naar Nederland bevelen. De rechtbank motiveert dit als volgt.
Het voortraject
8. Eiseres stelt zich op het standpunt dat ten onrechte handboeien zijn aangelegd bij de overbrenging naar het DTC. Deze beroepsgrond slaagt. In ‘de M105 Proces-verbaal van staandehouding/overbrenging/ophouding’ is onder meer het navolgende vermeld:
(…)
‘Op dinsdag 23 september 2025, omstreeks 08:30 uur bevond ik, verbalisant, mij, in uniform gekleed, op de locatie van het AZC Druten, aan de Scharenburg 8a, 6651 KJ, Druten, ter hoogte van de spreekkamer van de Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V) voor de staandehouding van: [eiseres].
(…)
Ambtshalve was mij bekend dat Betrokkene (Be) suïcidaal en onvoorspelbaar gedrag heeft vertoond. Op 22 september 2025 was de crisisdienst ter plaatse geweest omdat Be had gedreigd om suïcide te plegen. Crisisdienst had dit beoordeeld en Be goed genoeg bevonden om op het COA te verblijven.) Na de staande houding zei Be: Ik wil naar mijn kamer, ik zei tegen haar dat dit niet mogelijk was i.v.m. de veiligheid. Be raakte hierdoor geëmotioneerd en ik zag dat Be zich op de grond liet zakken. Eenmaal op de grond zag ik dat Be zichzelf ontklede en daarna raakte Be kort buiten bewustzijn. Ik vroeg toen aan de medisch verpleegkundige van D.M.G. om Be te controleren. Ik zag en hoorde dat Be ten tijde van de controle bijkwam. We hebben Be toen een laken om haar ontblote lichaam geslagen. Medisch gezien was er geen bezwaar om Be te transporteren naar het Detentie Centrum Zeist. Ik zei tegen Be dat we haar gingen transporteren naar Zeist. Ik zag dat betrokkene verstijfde en niet mee wilde werken. Ik zei tegen Be, als u niet meewerkt zijn wij genoodzaakt, vanwege veiligheidsredenen de boeien te gebruiken, Be gaf hier geen gehoor aan. Door haar onberekenbare gedrag en eerdere suïcidepogingen hebben wij ter behoeven van het transport Be de handboeien aangelegd. Ten tijde van het transport heeft een vrouwelijke collega naast Be plaatsgenomen evenals de medisch verpleegkundige van D.M.G. Eenmaal aangekomen op het detentiecentrum Zeist hebben wij Be kleding verstrekt en de handboeien afgedaan.
(…)
9. In Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren is het inzetten van vrijheidsbeperkende middelen en hulpmiddelen in hoofdstuk 4 geregeld. In artikel 22 van Pro deze ambtsinstructie is het navolgende bepaald:
‘Ten behoeve van het vervoer of een verplaatsing kan de ambtenaar een persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, handboeien aanleggen indien op grond van de feiten of omstandigheden redelijkerwijs gevaar valt te vrezen voor:
-ontvluchting, of
-de veiligheid van de persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, van de ambtenaar of van derden.’
10. De rechtbank maakt uit de M105 op dat de transportboeien zijn aangelegd omdat er redelijkerwijze gevaar voor de veiligheid van eiseres zou zijn te vrezen. De rechtbank overweegt dat het aanleggen van transportboeien inderdaad voorkomt dat eiseres in staat is om een geslaagde poging suïcide tijdens de overbrenging te doen. De rechtbank is het echter eens met gemachtigde van eiseres dat de feiten en omstandigheden zoals die blijken uit het verslag van het vertrekgesprek dat direct voorafgaand aan de staandehouding heeft plaatsgevonden en zoals die blijken uit de M105 een contra-indicatie vormen voor het aanleggen van trasportboeien. In het verslag van het vertrekgesprek dat op 23 september 2025 heeft plaatsgevonden is onder meer het navolgende weergegeven:
(…)
Ik vraag: “Gaat u meewerken aan een overdracht naar Portugal?” Betrokkene zegt: “Nee, ik ga niet naar Portugal.” Ze herhaalt dit nog een keer en voegt toe: “De mijnheer die mij kwaad heeft gedaan, kan mij daar vinden. Negen jaar lang deed hij dat.”
Daarop geef ik aan: “De beslissing van de IND staat vast. En omdat er maar korte tijd beschikbaar is voor het organiseren van een overdracht, wordt het een gecontroleerde overdracht. Daarom wordt u vandaag staande gehouden. Ik draag u nu over aan medewerkers van Dienst Vervoer en Ondersteuning, DV&O.”
(…)
11. Uit de verslaglegging van het vertrekgesprek van 23 september 2025 en de M105 blijkt dat eiseres angstig is om terug te keren naar Portugal en buiten bewustzijn raakt en verstijfd nadat duidelijk is dat ze naar het DTZ zal worden overgebracht. Om de veiligheid van eiseres te waarborgen dient verweerder zorg te bieden. Dat heeft verweerder ook gedaan door een maatwerk-aanhouding voor te bereiden en zorg te dragen voor de aanwezigheid van een medisch verpleegkundige van de Dutch Medical Group bij de aanhouding. Verweerder had hier evenwel mee moeten volstaan. Het aanleggen van transportboeien kan niet worden beschouwd als het zorgdragen voor het welbevinden van eiseres en zodoende haar veiligheid te waarborgen. Het verbaast de rechtbank dat de medisch verpleegkundige, die kennelijk heeft beoordeeld dat het vervoer medisch gezien akkoord was, geen bezwaar heeft gemaakt tegen het boeien van eiseres die op dat moment enkel door een laken was omhuld. De rechtbank stelt overigens vast dat artikel 23 van Pro de ambtsinstructie voorschrijft dat het aanleggen van de handboeien onverwijld schriftelijk aan de hulpofficier van justitie moet worden gemeld. In de M105 is niet vermeld dat dit ook is geschied. De rechtbank gaat er van uit dat dit, indien dit nog immer niet is geschied, alsnog gebeurt zodat de hulp-officier van justitie het aanwenden van deze vrijheidsbeperkende bevoegdheid kan controleren.
12. De rechtbank stelt vast dat de handboeien onbevoegd zijn aangelegd. Dit is een gebrek in het voortraject. Uit de uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:157), waarbij de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 24 mei 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:7937) is vernietigd, volgt dat een gebrek in het voortraject de maatregel onrechtmatig maakt als de met deze bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. De rechtbank overweegt dat het aanleggen van handboeien aan eiseres, van wie verweerder weet dat zij kwetsbaar en suïcidaal is, een zodanig ernstig gebrek is dat dit de maatregel onrechtmatig maakt. De staandehouding/aanhouding en ophouding is verricht door 4 medewerkers van DV&O, in aanwezigheid van een medewerker van de AVIM, de regievoerder en een medisch verpleegkundige. De rechtbank overweegt dat de aanwezigheid van deze 7 personen zonder meer waarborgt dat eiseres niet kan suïcideren tijdens de periode tussen de aanhouding en de aankomst in het DTZ, welke is aangevangen om 09:00 uur en is beëindigd om 10:20. Het belang van eiseres is gelegen in haar ernstige gezondheidssituatie en het voorkomen dat deze verergert. De rechtbank acht dit belang groter dan het belang voor verweerder om eiseres op dat moment in bewaring te kunnen stellen. De Afdeling betrekt, zoals hiervoor overwogen, bij de belangafweging het belang dat met de bewaring is gediend. De rechtbank overweegt echter dat het belang van verweerder bij een dergelijke belangenafweging met name is gelegen in het handhaven van de maatregel en niet in het met de bewaring gediende belangen en het doel waarmee de maatregel is opgelegd. De rechtbank merkt op dat de maatregel ten tijde van de rechterlijke controle al is opgeheven. Het belang van verweerder bij de rechterlijke controle van een reeds opgeheven maatregel, bestaat daarom goed beschouwd uitsluitend uit het moeten vergoeden van schade als de rechtbank de belangenafweging in het voordeel van eiseres laat uitvallen. De rechtbank acht de oplegging van de maatregel reeds onrechtmatig omdat er geen bevoegdheid bestond om de transportboeien aan te leggen en dit gebrek vanwege de gezondheidssituatie van eiseres zodanig ernstig is dat dit de maatregel onrechtmatig maakt. De met deze bewaring gediende belangen staan niet in redelijke verhouding tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen.
13. De rechtbank overweegt voorts dat verweerder op het moment dat eiseres gehoord wordt over een mogelijk op te leggen maatregel ervan op de hoogte is dat de gemachtigde die eiseres bijstaat en ook bij het bewaringsgehoor aanwezig is, niet de gemachtigde is die eiseres heeft bijgestaan in de ‘Dublinprocedure’. Uit de M110 volgt dat op 23 september 2025 om 09:24 uur contact wordt opgenomen met de piketcentrale, om 09:43 uur bericht volgt dat de gemachtigde de piketmelding heeft geaccepteerd, om 09:55 uur telefonisch contact is geweest met de gemachtigde die hierin aangeeft het gehoor in Zeist te zullen bijwonen en het gehoor vervolgens om 11:15 uur aanvangt en om 13:00 uur wordt beëindigd. De gemachtigde die eiseres bijstaat in het bewaringsgehoor kan bij de aanvang van dit gehoor niet op de hoogte zijn van het verloop van de asielprocedure, weet niet dat eiseres de zitting bij de rechtbank in die asielprocedure niet kon bijwonen omdat zij niet in staat was om zelfstandig naar de rechtbank te reizen, dat eiseres onder behandeling staat vanwege psychische problemen en dat deze ernstige psychische problemen zich onder meer hebben geopenbaard tijdens meerdere vertrekgesprekken en de aanhouding en dat eiseres suïcidaal is en er reeds crisisinterventies hebben plaatsgevonden die verbandhouden met de vrees van eiseres om aan Portugal te worden overgedragen. De vraag of er medische bijzonderheden zijn wordt door de regievoerder aan het einde van het bewaringsgehoor gesteld. Eiseres heeft daarop onder meer verklaard dat zij onder behandeling van een psycholoog staat en is ingesteld op Oxazepam die de huisarts van het GZA heeft voorgeschreven. Op dat moment had de regievoerder de gemachtigde van eiseres op de hoogte moeten stellen van de omstandigheden waarin de staandehouding en ophouding hebben plaatsgevonden en die wel in de nadien uitgereikte maatregel zijn vermeld. Verweerder had op dat moment moeten doorvragen naar de behandeling die eiseres ondergaat bij de psycholoog in plaats van de laatste vraag van het gehoor ‘of eiseres alcohol of drugs gebruikt’ te stellen. In plaats van nadere vragen te stellen en dus nadere informatie van eiseres over deze behandeling en de reden hiervoor te vergaren, deelt verweerder mee dat in het detentiecentrum medische zorgverlening aanwezig is. De rechtbank overweegt dat deze opmerking te simpel is als verweerder zich in het bewaringsgehoor niet eerst vergewist van de aard en omvang van de medische en psychische problematiek alvorens deze opmerking te maken in het gehoor. De rechtbank krijgt, doordat er geen nadere vragen aan eiseres zijn gesteld terwijl ze heeft verklaard onder behandeling bij een psycholoog en de huisarts te staan en doordat is gewezen op de medische voorzieningen die beschikbaar zijn in detentiecentrum Rotterdam in plaats van Zeist, de indruk dat de vragen volgens een vast protocol worden gesteld en ongeacht het antwoord op een vraag, ‘gewoon’ de volgende vraag uit het protocol volgt. De rechtbank acht dit niet zorgvuldig. Verweerder moet zich grondig vergewissen van de persoonlijke omstandigheden van eiseres om te onderzoeken of het opleggen van een bewaringsmaatregel noodzakelijk, proportioneel en evenredig is. De rechtbank overweegt dat het standaardmatig stellen van de vragen die zijn vastgelegd in een protocol, geen deugdelijk onderzoek is om te kunnen beoordelen of de maatregel moet worden opgelegd. De rechtbank wijst er op dat in het vertrekgesprek dat op dag van de inbewaringstelling heeft plaatsgevonden, zoals hiervoor aangegeven, aan eiseres is medegedeeld dat omdat er maar korte tijd beschikbaar is voor het organiseren van een overdracht, het een gecontroleerde overdracht wordt. De rechtbank maakt hieruit op dat de beslissing om eiseres in bewaring te stellen in wezen al was genomen en wellicht daardoor minder grondig is doorgevraagd naar de medische en psychische problematiek. De rechtbank overweegt dat dit gevolgen heeft gelet op het niet informeren van de gemachtigde die eiseres bijstaat in het bewaringsgehoor. Deze gemachtigde wordt in de gelegenheid gesteld om een zienswijze te geven over de mogelijk op te leggen maatregel. Aan de gemachtigde wordt niet medegedeeld dat eiseres ernstige psychische problemen heeft, zich meerdere malen suïcidaal heeft geuit in verband met de overdracht aan Portugal, DT&V ambtshalve aan een COa-medewerkster heeft verzocht om eiseres te vragen een toestemmingsformulier voor een BMA-advies in te vullen en dat de gemachtigde die eiseres heeft bijgestaan in de asielprocedure hiervan niet in kennis is gesteld en die gemachtigde ook geen vluchtaankondiging heeft ontvangen terwijl de Portugese autoriteiten reeds op 16 september 2025 op de hoogte zijn gesteld dat de feitelijke overdracht op 25 september 2025 zal plaatsvinden. Op het moment dat de gemachtigde die eiseres in de bewaringsprocedure bijstaat wordt betrokken in deze procedure, wordt eenvoudigweg medegedeeld dat het overdrachtsbesluit vaststaat en de overdracht binnen 48 uur na het bewaringsgehoor zal plaatsvinden. Indien al deze aspecten in het bewaringsgehoor aan de orde worden gesteld en hier nadere vragen over worden gesteld, kan de gemachtigde die het gehoor bijwoont eiseres ook daadwerkelijk bijstaan.
14. De gemachtigde van eiseres heeft aangevoerd dat deze gang van zaken afbreuk doet aan de mogelijkheid om de verdedigingsrechten van eiseres te effectueren. Deze beroepsgrond slaagt. Het bewaringsgehoor strekt ertoe om te onderzoeken of het opleggen van de maatregel noodzakelijk, proportioneel en evenredig is. Eiseres heeft recht op rechtsbijstand tijdens het gehoor en gemachtigde is in de gelegenheid gesteld om een zienswijze te geven over het voornemen om de maatregel op te leggen. Het recht op rechtsbijstand is evenwel illusoir indien de gemachtigde de informatie wordt onthouden die wezenlijk is om eiseres bij te staan in deze fase van de bewaringsprocedure. Dit betekent dat het verdedigingsbeginsel is geschonden. Omdat deze schending plaatsvindt in de fase van de procedure waarin wordt beoordeeld of een vrijheidsontnemende maatregel wordt opgelegd, zijn de belangen van eiseres zodanig ernstig geschonden dat ook dit gebrek in het voortraject op zichzelf grond is om de oplegging van de maatregel onrechtmatig te achten. Het recht op rechtsbijstand tijdens het gehoor op grond waarvan wordt beslist of eiseres in bewaring wordt gesteld is essentieel om tot een zorgvuldige procedure te komen. Indien dit recht in wezen teniet wordt gedaan door de gemachtigde, in deze specifieke procedure, niet op de hoogte stellen van de ernstige psychische problematiek, de suïcidale uitingen, de crisisinterventies en het verloop van de eerdere contacten van verweerder met eiseres, kan de conclusie alleen maar luiden dat de opgelegde maatregel onrechtmatig is. De met deze bewaring gediende belangen, staan niet in redelijke verhouding tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen.
15. De rechtbank heeft twee gebreken in het voortraject vastgesteld. Beide gebreken leiden afzonderlijk tot de conclusie dat de maatregel onrechtmatig is opgelegd. De rechtbank overweegt voorts het navolgende.
Kon het overdrachtsbesluit worden uitgevoerd?
16. Verweerder heeft de maatregel opgelegd om de overdracht aan Portugal te effectueren. De grondslag van de maatregel is het overdrachtsbesluit dat op 7 mei 2025 is genomen. De rechterlijke controle van dit overdrachtsbesluit is geschied in de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 29 augustus 2025. Verweerder stelt zich primair op het standpunt, in reactie op een verzoek om nadere informatie van de rechtbank, dat de rechtbank niet bevoegd is om in een bewaringsprocedure na te gaan of het overdrachtsbesluit kan worden uitgevoerd. De rechtbank volgt dit niet.
17. De rechtbank is niet alleen bevoegd om na te gaan of artikel 4 van Pro het Handvest zich verzet tegen de uitvoering van het overdrachtsbesluit, maar is hiertoe verplicht. Verweerder heeft weliswaar terecht aangevoerd dat het arrest Adrar niet ziet op de Dublinprocedure. Het arrest Adrar (arrest van het Hof van 4 september 2025 in de zaak Adrar, GB tegen de Minister van Asiel en Migratie, C-313/25 PPU, ECLI:EU:C:2025:647) ziet op de omvang van de verplichtingen van de bewaringsrechter om te controleren of het eerder vastgestelde terugkeerbesluit dat ten grondslag ligt aan de maatregel die ter fine van verwijdering is opgelegd, kan worden uitgevoerd. De bewaringsrechter moet daartoe, zo nodig ambtshalve, nagaan of de in artikel 5 van Pro richtlijn 2008/115 genoemde belangen en/of het beginsel van non-refoulement in de weg staan aan de verwijdering. Indien dat het geval is, bestaat er immers geen zicht op uitzetting en is de maatregel die met dat doel is opgelegd onrechtmatig. Het arrest Adrar ziet dus op verplichtingen voor de bewaringsrechter die volgen uit richtlijn 2008/115. Het Hof heeft echter in meerdere arresten verduidelijkt dat artikel 4 van Pro het Handvest een algemene regeling is en dat het verbod op refoulement een absoluut karakter heeft. De rechtbank wijst in dit verband op het arrest van het Hof in de zaak C.K. (Arrest van het Hof van 16 februari 2017 in de zaak C.K. e.a. tegen Slovenië, C-578/16 PPU, ECLI:EU:C:2017:127, hierna: C.K.) waarin het Hof onder meer het navolgende heeft overwogen:
(…)

63 Aangaande de aan asielzoekers toegekende grondrechten heeft de wetgever van de Unie, naast de codificatie in artikel 3, lid 2, van de Dublin III-verordening van de rechtspraak ontwikkeld in het in punt 60 hierboven vermelde arrest van 21 december 2011, N. S. e.a. (C‑411/10 en C‑493/10, EU:C:2011:865), in de overwegingen 32 en 39 van die verordening benadrukt dat de lidstaten bij de toepassing ervan gebonden zijn aan de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en aan artikel 4 van Pro het Handvest.

64 Wat meer bepaald overdrachtsbesluiten betreft, heeft de wetgever van de Unie waarborgen voor de rechtmatigheid daarvan ingevoerd, onder meer door de betrokken asielzoeker in artikel 27 van Pro de Dublin III-verordening het recht toe te kennen om tegen een dergelijk besluit een doeltreffende voorziening in rechte in te stellen die zich uitstrekt tot de omstandigheden feitelijk en rechtens die op dit besluit betrekking hebben. Daarnaast heeft hij in artikel 29 van Pro die verordening de werkwijze van die overdrachten gedetailleerder uitgewerkt dan in de Dublin II-verordening.

65 Uit het voorgaande volgt dat een asielzoeker slechts kan worden overgedragen in het kader van de Dublin III-verordening in omstandigheden waarin het uitgesloten is dat die overdracht een reëel risico inhoudt dat de betrokkene wordt onderworpen aan onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van Pro het Handvest.

68 Volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens inzake artikel 3 van Pro het EVRM, die in aanmerking moet worden genomen voor de uitlegging van artikel 4 van Pro het Handvest (zie in die zin arrest van 21 december 2011, N. S. e.a., C‑411/10 en C‑493/10, EU:C:2011:865, punten 87‑91), kan lijden dat wordt veroorzaakt door een natuurlijk optredende lichamelijke of geestelijke ziekte onder artikel 3 van Pro het EVRM vallen als het wordt verergerd of dreigt te worden verergerd door een behandeling die het gevolg is van detentievoorwaarden, uitzetting of andere maatregelen waarvoor de overheid verantwoordelijk kan worden gehouden, mits het daaruit voortvloeiende lijden de ernst heeft die dat artikel minimaal vereist (zie in die zin arrest van het EHRM van 13 december 2016, Paposhvili tegen België, CE:ECHR:2016:1213JUD004173810, §§ 174 en 175).

69 Aangezien artikel 4 van Pro het Handvest algemeen en absoluut is, zijn die principiële overwegingen ook relevant in het kader van het Dublinsysteem.

(…)
18. Indien de overdracht niet kan worden uitgevoerd omdat het niet is uitgesloten dat die overdracht een reëel risico inhoudt dat de betrokkene wordt onderworpen aan onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van Pro het Handvest, kan de maatregel niet strekken tot de overdracht en is de maatregel onrechtmatig. Eiseres is reeds overgedragen. De omstandigheid dat de overdracht feitelijk is uitgevoerd, betekent niet dat de rechtbank zich niet hoeft vergewissen van de vraag of het overdrachtsbesluit op 25 september 2025 kon worden uitgevoerd. Het kan immers niet zo zijn dat het effectueren van de overdracht voordat het beroep tegen de bewaringsmaatregel wordt behandeld, betekent dat een rechterlijke controle van deze uitvoering niet kan plaatsvinden. De rechtbank is immers gehouden om de rechtmatigheid van de maatregel te beoordelen en een aspect van die beoordeling ziet op het doel ter fine waarvan de maatregel is opgelegd. Indien artikel 4 van Pro het Handvest in de weg stond aan het uitvoeren van het overdrachtsbesluit, en de overdracht desalniettemin is uitgevoerd maar als onrechtmatig moet worden gekwalificeerd, regardeert dit de rechtmatigheid van de maatregel. De rechtbank is ingevolge artikel 47 van Pro het Handvest gehouden om een effectief rechtsmiddel te bieden. De rechtbank overweegt dan ook dat de bewaringsrechter verplicht is om, zo nodig ambtshalve, na te gaan of het beginsel van non-refoulement zich verzet tegen de overdracht en dat indien de overdracht reeds heeft plaatsgevonden, de bewaringsrechter moet nagaan of de overdracht rechtmatig is geweest.
19. Verweerder heeft in zijn brief van 6 oktober 2025, nadat hij zijn primaire standpunt dat de rechtbank niet ambtshalve dient te onderzoeken of het beginsel van non-refoulement zich verzet tegen de uitvoering van het overdrachtsbesluit heeft toegelicht, gewezen op de uitspraak van de rechtbank van 29 augustus 2025 in de Dublinprocedure. Eiseres heeft volgens verweerder geen omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verweerder heeft hieraan toegevoegd dat de vragen van de rechtbank betrekking hebben op de feitelijke overdracht en de omstandigheden waaronder de overdracht heeft plaatsgevonden en dat het in dit verband op de weg van eiseres had gelegen om bezwaar tegen de feitelijke overdracht te maken op grond van artikel 72, lid 3, van de Vw. Verweerder heeft in zijn brief van 20 oktober 2025 opgemerkt dat eiseres geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 29 augustus 2025 en dat gelet hierop en gelet op het geringe tijdsverloop, verweerder niet vermag in te zien dat de bewaringsrechter in dit geval gehouden is tot een vergaande en indringende toetsing van het overdrachtsbesluit en de tenuitvoerlegging daarvan.
20. De rechtbank verwerpt dit verweer. Zoals hiervoor overwogen is het refoulementverbod absoluut. De rechtbank is te allen tijde gehouden om de naleving van het beginsel van non-refoulement te verzekeren. Deze verplichting voor de rechtbank en de omvang hiervan is niet afhankelijk van de gedragingen van eiseres en de rechtsmiddelen die zij heeft aangewend of heeft kunnen aanwenden. De rechtbank overweegt voorts, onder verwijzing naar rechtsoverwegingen 9 en 12 in de tussenuitspraak van 9 oktober 2025, dat het dossier dat aan de rechtbank ter beschikking is gesteld in de Dublinprocedure en op grond waarvan is geoordeeld dat het overdrachtsbesluit rechtmatig was, niet alle relevante stukken bevatte. De rechtmatigheidsbeoordeling is dan ook niet volledig geweest. Eiseres heeft geen hoger beroep ingesteld. Uit het dossier blijkt echter dat de gemachtigde die eiseres heeft bijgestaan op (maandag) 1 september 2025, terwijl de rechtbank op (vrijdag) 29 augustus 2025 uitspraak heeft gedaan, een mail heeft ontvangen van het COa waarin aan de gemachtigde is medegedeeld dat ‘ambtshalve voor eiseres een artikel 64 is Pro aangevraagd en dit maakt dat eiseres niet verwijderbaar is op dit moment.’ (dossierstuk 27). Uit het dossier blijkt ook dat DT&V een BMA-advies noodzakelijk heeft geacht en aan het COa heeft gevraagd om met eiseres het toestemmingsformulier in te vullen, wat vervolgens ook is gedaan en dat het COa inspanningen heeft verricht om de contactgegevens van alle behandelaars te verzamelen. Uit de stukken blijkt ook dat de IND op 4 september 2025 contact heeft opgenomen met het COa om door te geven welke stukken van welke behandelaars moeten worden aangeleverd aan BMA. De gemachtigde in de bewaringsprocedure heeft uitgebreide mailcorrespondentie tussen COa, DT&V en IND overgelegd waaruit de (overigens positieve) betrokkenheid van al deze instanties en al deze personen blijkt om een BMA-advies te verkrijgen. De rechtbank stelt vast dat in de uitspraak van 29 augustus 2025 is geoordeeld dat verweerder geen BMA-advies hoefde op te vragen en dat verweerder dit dus uit eigen beweging wel in gang heeft gezet. De rechtbank stelt ook vast dat verweerder zich in deze fase welbewust is geweest van zijn eigen verplichtingen ten aanzien van eiseres in de overdrachtsprocedure en ondanks dat de rechtbank hiertoe niet verplichtte, medisch advies heeft willen inwinnen. Uit de overgelegde stukken blijkt dat onder meer de regievoerder(s), de betrokken medewerker van de COa en de medewerkers van de GZA Druten veelvuldig contact hebben gehad en aanzienlijke inspanningen hebben verricht om eiseres bij te staan en te ondersteunen. De rechtbank overweegt hierbij wel dat niet goed valt in te zien waarom geen contact is gezocht met de gemachtigde die eiseres heeft bijgestaan in de asielprocedure. De mededeling van de COa-medewerkster dat eiseres rechtmatig verblijf had vanwege de inspanningen om een BMA-advies te verkrijgen is namelijk niet alleen juridisch onjuist, maar is wellicht ook de reden geweest dat geen aanleiding is gezien om hoger beroep in te stellen. Deze mededeling is namelijk gedaan in de termijn waarin dit rechtsmiddel kon worden ingesteld. Verder is het juist dat eiseres geen bezwaar heeft gemaakt tegen de feitelijke overdracht. Uit het dossier blijkt echter dat verweerder geen vluchtaankondiging heeft verzonden naar de gemachtigde die eiseres heeft bijgestaan in de asielprocedure. Op 16 september 2025 kondigt verweerder aan de Portugese autoriteiten aan dat de feitelijke overdracht zal plaatsvinden op 25 september 2025. Omdat dit niet wordt medegedeeld aan eiseres en haar gemachtigde, is het niet verwonderlijk dat er geen bezwaar wordt gemaakt tegen de feitelijke overdracht. De bewaringsadvocaat die op 23 september 2025 in het bewaringsgehoor pas bekend raakt met eiseres en haar bijstaat tijdens het gehoor, wordt alleen medegedeeld dat de overdracht op 25 september 2025 plaatsvindt en dat dit vaststaat. Verweerder had deze gemachtigde moeten informeren over de medische situatie van eiseres, het verloop van de procedure en de omstandigheid dat er geen bezwaar was gemaakt tegen de feitelijke overdracht. Dan was aanstonds duidelijk geworden dat de gemachtigde die eiseres heeft bijgestaan in de asielprocedure niet op de hoogte was van de feitelijke overdracht en wellicht uitging van de mededeling van het COa dat eiseres niet verwijderbaar was. Dan had alsnog bezwaar gemaakt kunnen worden tegen de feitelijke overdracht en om een voorlopige voorziening kunnen worden verzocht. Zoals verweerder ter zitting heeft aangegeven, kunnen die procedures in de piketregeling zodanig snel worden afgerond dat dit als een effectief rechtsmiddel kan worden beschouwd. Gelet op alle medische informatie die reeds ten tijde van de oplegging van de maatregel bekend was, is het, nar het oordeel van de rechtbank, ondenkbaar dat het verzoek om een voorlopige voorziening niet zou zijn toegewezen. Verweerder heeft dus terecht opgemerkt dat er geen hoger beroep is ingesteld en dat er geen bezwaar is gemaakt tegen de feitelijke overdracht. Dit doet evenwel niet af aan de verplichting voor de rechtbank om na te gaan of artikel 4 Handvest Pro aan de weg heeft gestaan aan de uitvoering van het overdrachtsbesluit en wellicht moet worden geoordeeld dat de overdracht in strijd met artikel 4 van Pro het Handvest heeft plaatsgevonden. De rechtbank zal dit dan ook beoordelen, waarbij de rechtbank opmerkt dat de proceshouding van verweerder in deze bewaringsprocedure niet goed te verenigen lijkt met de vele inspanningen die door DT&V, COa en IND in de eerdere fase van de overdrachtsprocedure zijn geleverd.
21. De grondslag voor de bewaringsmaatregel is het overdrachtsbesluit van 7 mei 2025. De rechtbank heeft het beroep tegen dit overdrachtsbesluit op 29 augustus 2025 ongegrond verklaard. Zoals hiervoor en in de tussenuitspraak is vastgesteld, heeft verweerder niet alle relevante stukken voor de rechterlijke controle in het dossier op grond waarvan de rechtbank uitspraak doet aan het dossier toegevoegd. De gemachtigde die eiseres heeft bijgestaan in de asielprocedure is evenmin op de hoogte gesteld van de vertrekgesprekken die reeds hebben plaatsgevonden voordat de rechtbank uitspraak heeft gedaan en waaruit blijkt dat eiseres kampt met forse psychische problematiek. Voordat de feitelijke overdracht is uitgevoerd, was verweerder op de hoogte van de bijzonder ernstige gezondheidssituatie van eiseres. Verweerder weet dat eiseres zich meermalen suïcidaal heeft geuit in verband met het vooruitzicht op de overdracht aan Portugal. Verweerder heeft in zijn vertrekgesprekken waargenomen hoe eiseres reageert en verstijft, buiten bewustzijn raakt, dissocieert op het moment dat wordt gesproken over de overdracht aan Portugal. Verweerder weet ook dat eiseres onder behandeling staat voor onder meer haar psychische problematiek.
22. Het Hof heeft in het eerdergenoemde arrest C.K. gepreciseerd hoe artikel 4 van Pro het Handvest moet worden uitgelegd bij de mogelijke overdracht van een asielzoeker met een bijzonder slechte gezondheidstoestand aan de in beginsel verantwoordelijke lidstaat. Het Hof heeft in dit arrest onder meer het navolgende voor recht verklaard:
(…)
2) Artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie moet aldus worden uitgelegd dat:
-zelfs indien niet ernstig hoeft te worden gevreesd voor systeemfouten in de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag, een asielzoeker slechts kan worden overgedragen in het kader van verordening nr. 604/2013 in omstandigheden waarin het uitgesloten is dat die overdracht een reëel en bewezen risico inhoudt dat de betrokkene wordt onderworpen aan onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van dat artikel;
-de overdracht van een asielzoeker met een ernstige mentale of lichamelijke aandoening in omstandigheden waarin die overdracht een reëel en bewezen risico zou inhouden op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand van de betrokkene, een onmenselijke en vernederende behandeling in de zin van dat artikel zou vormen;
-de autoriteiten van de lidstaat die moet overdragen en, in voorkomend geval, de rechterlijke instanties van die lidstaat iedere ernstige twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheidstoestand van de betrokkene dienen weg te nemen door de nodige voorzorgsmaatregelen te treffen opdat de overdracht kan plaatsvinden in omstandigheden waarin de gezondheidstoestand van die persoon passend en voldoende kan worden beschermd. In de hypothese waarin die voorzorgsmaatregelen, gelet op de bijzondere ernst van de aandoening van de betrokken asielzoeker, niet zouden volstaan om te verzekeren dat zijn overdracht geen reëel risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand zal inhouden, moeten de autoriteiten van de betrokken lidstaat de uitvoering van de overdracht van de betrokkene opschorten zolang deze door zijn toestand niet in staat is een dergelijke overdracht te ondergaan;
-de verzoekende lidstaat in voorkomend geval, wanneer hij merkt dat de gezondheidstoestand van de betrokken asielzoeker op korte termijn niet zal verbeteren of dat opschorting van de procedure gedurende lange tijd de toestand van de betrokkene achteruit zou kunnen doen gaan, ervoor kan kiezen om het verzoek zelf te behandelen door gebruik te maken van de „discretionaire bepaling” van artikel 17, lid 1, van verordening nr. 604/2013.
Artikel 17, lid 1, van verordening nr. 604/2013, gelezen in samenhang met artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, kan niet aldus worden uitgelegd dat het die lidstaat in omstandigheden zoals die in het hoofdgeding verplicht om die bepaling toe te passen.
(…)
21. Het Hof heeft hiertoe onder meer het navolgende overwogen:
(…)

59 Evenwel moeten volgens vaste rechtspraak van het Hof de regels van afgeleid Unierecht, waaronder de bepalingen van de Dublin III-verordening, worden uitgelegd en toegepast in overeenstemming met de door het Handvest gewaarborgde grondrechten (zie naar analogie, wat betreft de Dublin II-verordening, arrest van 21 december 2011, N. S. e.a., C‑411/10 en C‑493/10, EU:C:2011:865, punten 77 en 99). Het in artikel 4 van Pro het Handvest neergelegde verbod op onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen is in dat verband van wezenlijk belang, aangezien het absoluut is omdat het nauw is verbonden met de eerbiediging van de in artikel 1 van Pro het Handvest bedoelde menselijke waardigheid (zie in die zin arrest van 5 april 2016, Aranyosi en Căldăraru, C‑404/15 en C‑659/15 PPU, EU:C:2016:198, punten 85 en 86).

(…)

63 Aangaande de aan asielzoekers toegekende grondrechten heeft de wetgever van de Unie, naast de codificatie in artikel 3, lid 2, van de Dublin III-verordening van de rechtspraak ontwikkeld in het in punt 60 hierboven vermelde arrest van 21 december 2011, N. S. e.a. (C‑411/10 en C‑493/10, EU:C:2011:865), in de overwegingen 32 en 39 van die verordening benadrukt dat de lidstaten bij de toepassing ervan gebonden zijn aan de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en aan artikel 4 van Pro het Handvest.

64 Wat meer bepaald overdrachtsbesluiten betreft, heeft de wetgever van de Unie waarborgen voor de rechtmatigheid daarvan ingevoerd, onder meer door de betrokken asielzoeker in artikel 27 van Pro de Dublin III-verordening het recht toe te kennen om tegen een dergelijk besluit een doeltreffende voorziening in rechte in te stellen die zich uitstrekt tot de omstandigheden feitelijk en rechtens die op dit besluit betrekking hebben. Daarnaast heeft hij in artikel 29 van Pro die verordening de werkwijze van die overdrachten gedetailleerder uitgewerkt dan in de Dublin II-verordening.

65 Uit het voorgaande volgt dat een asielzoeker slechts kan worden overgedragen in het kader van de Dublin III-verordening in omstandigheden waarin het uitgesloten is dat die overdracht een reëel risico inhoudt dat de betrokkene wordt onderworpen aan onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van Pro het Handvest.

(…)

68 Volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens inzake artikel 3 van Pro het EVRM, die in aanmerking moet worden genomen voor de uitlegging van artikel 4 van Pro het Handvest (zie in die zin arrest van 21 december 2011, N. S. e.a., C‑411/10 en C‑493/10, EU:C:2011:865, punten 87‑91), kan lijden dat wordt veroorzaakt door een natuurlijk optredende lichamelijke of geestelijke ziekte onder artikel 3 van Pro het EVRM vallen als het wordt verergerd of dreigt te worden verergerd door een behandeling die het gevolg is van detentievoorwaarden, uitzetting of andere maatregelen waarvoor de overheid verantwoordelijk kan worden gehouden, mits het daaruit voortvloeiende lijden de ernst heeft die dat artikel minimaal vereist (zie in die zin arrest van het EHRM van 13 december 2016, Paposhvili tegen België, CE:ECHR:2016:1213JUD004173810, §§ 174 en 175).

69 Aangezien artikel 4 van Pro het Handvest algemeen en absoluut is, zijn die principiële overwegingen ook relevant in het kader van het Dublinsysteem.

(…)

73 Het kan echter niet worden uitgesloten dat de overdracht van een asielzoeker met een bijzonder slechte gezondheidstoestand op zich voor de betrokkene een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van Pro het Handvest kan inhouden, ongeacht de kwaliteit van de opvang en de zorg die aanwezig zijn in de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn verzoek.

74 In omstandigheden waarin de overdracht van een asielzoeker met een ernstige mentale of lichamelijke aandoening een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand van die asielzoeker zou inhouden, zou die overdracht een onmenselijke en vernederende behandeling in de zin van dat artikel vormen.

75 Wanneer een asielzoeker, in het bijzonder in het kader van de doeltreffende voorziening in rechte die hem door artikel 27 van Pro de Dublin III-verordening wordt gewaarborgd, objectieve gegevens overlegt, zoals medische attesten met betrekking tot zijn toestand, die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen, mogen de autoriteiten van de betrokken lidstaat, de rechterlijke instanties daaronder begrepen, die gegevens bijgevolg niet buiten beschouwing laten. Zij moeten juist beoordelen wat het risico is dat dergelijke gevolgen zich voordoen wanneer zij beslissen over de overdracht van de betrokkene of – in het geval van een rechterlijke instantie – oordelen over de rechtmatigheid van een overdrachtsbesluit, aangezien de tenuitvoerlegging van dat besluit tot een onmenselijke of vernederende behandeling van de betrokkene zou kunnen leiden (zie naar analogie arrest van 5 april 2016, Aranyosi en Căldăraru, C‑404/15 en C‑659/15 PPU, EU:C:2016:198, punt 88).

76 Het staat dus aan die autoriteiten om iedere ernstige twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheidstoestand van de betrokkene weg te nemen. In het bijzonder wanneer er sprake is van een ernstige psychische aandoening, mag daarbij niet worden volstaan met te kijken naar de gevolgen van het fysieke vervoer van de betrokkene van een lidstaat naar een andere, maar moet rekening worden gehouden met alle aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen die uit de overdracht zouden voortvloeien.

77 De autoriteiten van de betrokken lidstaat moeten in dat verband nagaan of de gezondheidstoestand van de betrokken persoon passend en voldoende kan worden beschermd door de in de Dublin III-verordening bedoelde voorzorgsmaatregelen te treffen, en die maatregelen in voorkomend geval ten uitvoer brengen.

(…)

79 Wat meer bepaald omstandigheden betreft waarin de psychische moeilijkheden van de asielzoeker tot suïcidale neigingen leiden, heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens herhaaldelijk geoordeeld dat de omstandigheid dat een persoon van wie de verwijdering is gelast, dreigt met zelfdoding, de verdragsluitende staat niet dwingt om van de uitvoering van de voorgenomen maatregel af te zien, indien hij concrete maatregelen treft om te voorkomen dat het dreigement wordt uitgevoerd (zie arresten van het EHRM van 7 oktober 2004, Dragan e.a. tegen Duitsland, CE:ECHR:2004:1007DEC003374303, § 1; 4 juli 2006, Karim tegen Zweden, CE:ECHR:2006:0704DEC002417105, § 2, en 30 april 2013, Kochieva e.a. tegen Zweden, CE:ECHR:2013:0430DEC007520312, § 34).

(…)

84 Indien de bevoegde rechter van oordeel is dat die voorzorgsmaatregelen volstaan om een risico op onmenselijke of vernederende behandeling bij overdracht van de betrokken asielzoeker uit te sluiten, staat het aan die rechter om de nodige maatregelen te nemen teneinde zich ervan te verzekeren dat die voorzorgsmaatregelen door de autoriteiten van de verzoekende lidstaat ten uitvoer worden gebracht vóór de overdracht van de betrokkene. Zo nodig moet de gezondheidstoestand van de asielzoeker opnieuw worden beoordeeld voordat de overdracht wordt uitgevoerd.

85 Daarentegen moeten de autoriteiten van de betrokken lidstaat, indien die voorzorgsmaatregelen gelet op de bijzondere ernst van de aandoening van de betrokken asielzoeker niet zouden volstaan om te verzekeren dat zijn overdracht geen reëel risico zal inhouden op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand, de uitvoering van de overdracht van die persoon opschorten zolang hij door zijn toestand niet in staat is een dergelijke overdracht te ondergaan.

86 In dat verband zij in herinnering gebracht dat de asielzoeker volgens artikel 29, lid 1, van de Dublin III-verordening door de verzoekende lidstaat aan de verantwoordelijke lidstaat wordt overgedragen zodra dit „praktisch mogelijk” is. Zoals voortvloeit uit artikel 9 van Pro de uitvoeringsverordening, wordt de gezondheidstoestand van de asielzoeker juist beschouwd als een „feitelijke omstandigheid” op grond waarvan de overdracht kan worden uitgesteld.

(…)
23. In Werkinstructie 2021/31 is bepaald dat indien een vreemdeling tijdens ‘de Dublinprocedure’ een beroep doet op het arrest C.K., BMA om advies wordt gevraagd. Gelet op de hiervoor weergegeven overwegingen in het arrest C.K. en gelet op het absolute karakter van het refoulementverbod, is verweerder ook als in de Dublinprocedure geen beroep op het arrest C.K. wordt gedaan of het beroep niet slaagt, gehouden om iedere ernstige twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheidstoestand van de betrokkene weg te nemen en in het bijzonder wanneer er sprake is van een ernstige psychische aandoening, daarbij niet te volstaan met te kijken naar de gevolgen van het fysieke vervoer van de betrokkene van een lidstaat naar een andere, maar rekening moet worden gehouden met alle aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen die uit de overdracht zouden voortvloeien. Kort gezegd, BMA moet niet alleen om advies worden gevraagd als een beroep op het arrest C.K. wordt gedaan omdat verweerder zo nodig ambtshalve moet nagaan of artikel 4 van Pro het Handvest aan de overdracht in de weg staat en deze verplichting geldt niet alleen in de procedure waarin (hoger) beroep is ingesteld tegen het overdrachtsbesluit maar geldt totdat het overdrachtsbesluit is uitgevoerd. Verweerder is dus gehouden om -uit eigen beweging- na te gaan of het overdrachtsbesluit kan worden uitgevoerd en de rechtbank is -zo nodig ambtshalve- verplicht om te controleren of het overdrachtsbesluit kan worden uitgevoerd en deze verplichtingen gelden onverkort in de bewaringsprocedure. Het uitgangspunt bij deze beoordeling die verweerder en de rechtbank moeten maken is het overdrachtsbesluit en de rechterlijke controle daarop. Indien blijkt dat sprake is van feiten en omstandigheden die zich nadat het overdrachtsbesluit in rechte is komen vast te staan hebben voorgedaan of dan pas zijn gebleken, dienen zowel verweerder als de rechtbank zich nader te vergewissen of het overdrachtsbesluit kan worden uitgevoerd en of een mogelijk op te leggen bewaringsmaatregel kan strekken tot effectuering van dat overdrachtsbesluit.
24. Uit de medische informatie en de waarnemingen die verweerder heeft gedaan kan worden afgeleid dat eiseres een ernstige psychische aandoening als bedoeld in het arrest C.K. heeft. Verweerder was dus gehouden om alvorens eiseres over te dragen, BMA om advies te vragen of eiseres kon worden overgedragen en of specifieke reisvoorwaarden hiervoor zijn vereist. Verweerder is zich ook bewust geweest van de ernst van de psychische gesteldheid van eiseres en de zorgen die dit oproept om de feitelijke overdracht te effectueren. Reeds voordat de rechtbank uitspraak heeft gedaan, heeft DT&V immers aanleiding gezien om een BMA-traject op te starten het COa te verzoeken om eiseres het toestemmingsformulier in te vullen.
25. Verweerder heeft in zijn brief van 6 oktober 2025 aangegeven dat er geen BMA-advies is opgesteld en heeft tijdens de behandeling van het beroep op 7 oktober 2025 aangegeven dat de reden hiervoor is dat eiseres geen toestemming zou hebben verleend aan BMA om contact op te nemen met haar behandelaars. De rechtbank stelt vast dat de zogenoemde ‘toestemmingsverklaring’ inmiddels door gemachtigde van eiseres is achterhaald en aan het dossier is toegevoegd. Uit het dossier blijkt dat DT&V aan het COa heeft gevraagd om met eiseres te bespreken of zij toestemming wilde verlenen en waarom deze vraag aan haar werd gesteld. De medewerkster van het COa die eiseres heeft begeleid, heeft eiseres ondersteund bij het invullen van het formulier, het achterhalen van de behandelaars, hun contactgegevens en heeft contact opgenomen met de behandelaars om hen te informeren over de BMA-adviesaanvraag.
26. Verweerder heeft in zijn brief van 27 oktober 2025 aangegeven dat anders dan in de tussenuitspraak is aangegeven eiseres wel toestemming heeft verleend aan BMA om informatie op te vragen bij haar behandelaars. De rechtbank merkt op dat de overweging in de tussenuitspraak is gebaseerd op de mededeling die verweerder ter zitting heeft gedaan. De rechtbank stelt verder vast dat ondanks dat de noodzaak om een BMA-advies op te vragen is onderkend en ondanks dat eiseres haar toestemming hiervoor heeft gegeven, er uiteindelijk geen BMA-advies is uitgebracht. Verweerder heeft in zijn brief van 27 oktober 2025 hierover de volgende toelichting verschaft:
(…)
Bij schrijven van 21 oktober 2025 heeft uw rechtbank verzocht om nadere gegevens te verstrekken. Daarbij zijn de volgende vragen gesteld:
- Heeft DT&V of BMA toestemming gevraagd om inzage in de medische gegevens bij de behandelaars te verkrijgen?
Nee, COA heeft dit verzoek aan eiseres gepresenteerd om medische informatie op te vragen bij haar behandelaars ten behoeve van een op te stellen BMA advies. Zie bijlage ‘toestemmingsverklaring medische gegevens’ getekend door betrokkene. De casemanager van COA heeft betrokkene op 26 augustus 2025 bezocht op haar kamer en het formulier besproken op verzoek van de DT&V. Eiseres heeft het formulier, via de telefoon van de casemanager, in het Portugees gelezen en daarna ondertekend.
Anders dan in de tussenuitspraak is overwogen heeft betrokkene wel toestemming verleend aan BMA om informatie op te vragen bij de behandelaars van betrokkene. Betrokkene heeft geen toestemming verleend aan de IND om haar medische gegevens te delen met de Portugese autoriteiten.
De DT&V hanteert tevens een medisch toestemmingsformulier om toestemming van betrokkenen te verkrijgen voor het delen van medische gegevens met de lidstaat waar de gegevens naartoe worden overgedragen. Deze verklaring is anders dan de bijgevoegde verklaring voor het opvragen van medische stukken. In dit geval is geen toestemming voor medische gegevens gevraagd, omdat tijdens de vertrekgesprekken niet tot het bespreken van het formulier is gekomen. Eiseres wilde niet spreken met de DTV over vertrek naar Portugal, waardoor beide gesprekken voortijdig werden beëindigd. Een gesprek over de overdracht van medische gegevens is hierdoor niet aan de orde kunnen komen.
- Wanneer is om toestemming gevraagd en is de gemachtigde die betrokkene bijstond in de asielprocedure hiervan op de hoogte gesteld?
Op 25 augustus 2025 heeft DT&V de toestemmingsverklaring ten behoeve van het BMA advies naar COA gestuurd. Eiseres heeft het formulier op 26 augustus 2025 gelezen en ondertekend. Deze is door tussenkomst van COA op 26 augustus 2025 getekend retour gezonden. De gemachtigde die eiseres heeft bijgestaan in de asielprocedure is hiervan niet op de hoogte gesteld. De advocaat die aanwezig was ten tijde van de inbewaringstelling is wel op de hoogte gebracht van de vluchtaanzegging, zoals blijkt uit bijlage M110, waarin staat: "De vreemdelingenbewaring hoeft niet lang te duren, aangezien er reeds
een vlucht is geboekt voor 25 september a.s.”.
- Waarom is het verzoek om BMA advies uiteindelijk ingetrokken?
In het Lokaal Ketenoverleg (LKO), waarin casussen worden besproken tussen COA, DT&V, IND en AVIM, is de psychische gesteldheid van eiseres aan de orde gekomen. Er was onduidelijkheid over de specifieke psychische problematiek van de betrokkene. Daarom werd het voorstel besproken om ambtshalve een aanvraag op basis van artikel 64 Vw Pro in te dienen, zodat via een BMA-advies meer informatie over de situatie van eiseres verkregen zou kunnen worden. Eiseres gaf aan niet mee te willen werken aan een vrijwillige overdracht, maar stond wel open voor het verstrekken van medische gegevens
door het ondertekenen van een toestemmingsverklaring.
In de weken daarna kwam de casus onder de aandacht van een leidinggevende (senior regievoerder) binnen de DT&V, die aangaf dat een artikel 64 Vw Pro-aanvraag in het kader van Dublinzaken niet passend is. Indien een dergelijke aanvraag noodzakelijk zou zijn, zou deze via de advocaat verlopen. Gezien het feit dat er sprake was van een Dublin-claim en het interstatelijk vertrouwensbeginsel, werd gesteld dat een ander Europees land (Portugal) verantwoordelijk was voor de behandeling van de psychische klachten. Een overdracht kon daarbij zonder de inzet van artikel 64 Vw Pro zorgvuldig worden uitgevoerd, aangezien zowel de KMar als een medische escort aanwezig zouden kunnen zijn. Meer inzage in de psychische problematiek van eiseres werd daarom niet als noodzakelijk beoordeeld. Op verzoek van de leidinggevende (senior regievoerder) van de DT&V is de aanvraag vervolgens ingetrokken en afgesloten.
(…)
27. De rechtbank overweegt dat de beoordeling of uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw Pro moet worden verleend ziet op het schorsen van de terugkeerverplichting die aan derdelanders wordt opgelegd uit hoofde van richtlijn 2008/115. Voor zover de inspanningen gericht zijn geweest op het verkrijgen van een BMA-advies, overweegt de rechtbank dat dit advies niet zou kunnen hebben dienen als grondslag van de beoordeling of eiseres had kunnen worden overgedragen. Uit de eerder genoemde Werkinstructie 2021/3 en uit het BMA-protocol uit 2023 blijkt dat BMA, om te voldoen aan het arrest C.K., adviseert of de betreffende vreemdeling kan reizen en of er reisvoorwaarden moeten worden getroffen voor, tijdens of direct na de overdracht. De rechtbank twijfelt of deze beoordeling wel een volledige beoordeling van de 4 Handvest-risico’s is en meent dat niet de weerslag van de overdracht, maar de weerslag van het overdrachtsbesluit op de gezondheidssituatie van de betrokken vreemdeling moet worden beoordeeld. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft hierover in haar uitspraak van 22 oktober 2025 prejudiciële vragen aan het Hof gesteld (ECLI:NL:RBDHA:2025:19325). De rechtbank acht het niet noodzakelijk om de beantwoording van deze vragen af te wachten om uitspraak te doen in deze bewaringsprocedure. Ongeacht de wijze waarop het Hof deze vragen gaat beantwoorden stelt de rechtbank namelijk vast dat verweerder alvorens eiseres over te dragen, een BMA-advies had moeten opvragen om
door een arts te laten beoordelen of eiseres kon worden overgedragen.
28. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen nader medisch onderzoek nodig was en de overdracht zorgvuldig worden uitgevoerd, aangezien zowel de KMar als een medische escort aanwezig zouden kunnen zijn. De rechtbank overweegt dat de vraag of de overdracht kon plaatsvinden als er een medische escort aanwezig zou zijn, een medische beoordeling vergt. Een regievoerder van de DT&V kan niet in staat worden geacht om te beoordelen of de feitelijke overdracht van een bijzonder ernstig zieke vreemdeling kan plaatsvinden en of hiervoor reisvoorwaarden nodig zijn. In het LKO is beslist om de KMar en een medische escort mee te laten vliegen. Uit het arrest C.K. volgt echter dat iedere ernstige twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheidstoestand van de betrokkene moet worden weggenomen om te voorkomen dat de overdracht zelf leidt tot een schending van artikel 4 van Pro het Handvest. Zoals hiervoor overwogen had verweerder dit uit eigen beweging na moeten gaan. Verweerder was er van op de hoogte dat eiseres onder behandeling stond en heeft ook de gegevens van deze behandelaars verkregen op het moment dat deze werden verzameld om een BMA-advies te vragen. Het bevreemdt de rechtbank in dit verband dat in het LKO de senior regievoerder beslist dat gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel er geen nader onderzoek hoeft plaats te vinden. Het is immers de IND die wetenschap heeft van het juridische beoordelingskader in de Dublinprocedure. De rechtbank wijst er in dit verband op dat uit de aanbiedingsbrief van 6 oktober 2025 blijkt dat verweerder ook in de veronderstelling verkeerde dat er een BMA-adviesverzoek was gedaan om inzicht te krijgen in de eventuele reisvoorwaarden.
29. De rechtbank overweegt voorts dat niet begrijpelijk is waarom de inrichtingarts geen fit to fly-keuring heeft verricht. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat de regievoerder heeft medegedeeld dat de beslissing of er een fit to fly-keuring moet plaatsvinden medische expertise vergt en deze beslissing dus door de inrichtingarts wordt genomen. De rechtbank heeft gepoogd om te achterhalen over welke medische informatie de inrichtingarts beschikte. De rechtbank acht het namelijk uitgesloten dat een inrichtingarts die op de hoogte is van het verloop van de vertrekgesprekken en de suïcidale uitingen van eiseres die gerelateerd zijn aan de subjectieve vrees om aan Portugal te worden overgedragen, niet tenminste geïnformeerd zal willen worden over de informatie die de behandelaars over eiseres hebben. De inrichtingarts zal moeten kunnen beoordelen of eiseres extra zorg behoeft in bewaring danwel detentieongeschikt is en de inrichtingarts zal weten dat eiseres in de nachten onder cameratoezicht stond vanwege een suiciderisico. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde buitengewoon veel inspanningen heeft geleverd om informatie van de inrichtingarts te verkrijgen en overweegt dat de noodzaak om dit te moeten doen onaanvaardbaar is. Zoals in de tussenuitspraak reeds is overwogen dient aan een gemachtigde van een bewoner van het DTC op eerste verzoek alle medische informatie die tijdens de bewaring is vergaard te worden verschaft. Indien de gemachtigde in opdracht van de rechtbank verzoekt om mede te delen op welke medische informatie de inrichtingarts zijn/haar beslissing om eiseres niet te keuren voor de overdracht heeft gebaseerd, dient ook deze informatie op eerste verzoek te worden verstrekt. De gemachtigde heeft de mailcorrespondentie met het DTZ overgelegd en de rechtbank kan niet anders dan de houding van de plv Vestigingsdirecteur als niet meewerkend en onwillig kwalificeren. Tot op heden is niet bekend hoe het kan zijn dat in het patiëntenjournaal de mededeling is opgenomen dat eiseres niet bekend was bij het GZA. Verweerder heeft ter zitting overigens aangegeven dat alle informatie die bekend was op het moment dat de maatregel werd opgelegd aan ‘het DTZ en dus ook aan de inrichtingarts’ kenbaar is gemaakt. Het lijkt er op dat de inrichtingarts de enige persoon in de terugkeer- en bewaringsfase is die geen weet heeft van de gezondheidstoestand van eiseres, de ernst en frequentie van haar suïcidale uitingen en de behandelingen die zij reeds ondergaat en de crisisinterventies die hebben plaatsgevonden en die verband houden met het vooruitzicht op de overdracht aan Portugal. In het patiëntenjournaal van het DTZ is overigens vermeld dat eiseres bij de inkomst in het DTZ in het BAD (Binnenkomst Afdeling Detentie) op de grond is gaan liggen en 20 minuten niet aanspreekbaar was en buiten bewustzijn was. Ook is vermeld dat op de dag van de inbewaringstelling ‘met spoed het medisch dossier bij GZA moest worden opgevraagd’. De rechtbank heeft overwogen om de inrichtingarts en de plv. Vestigingsdirecteur op een nadere zitting te horen om alle informatie waarvan de overlegging is verzocht alsnog te verkrijgen, maar ziet hier van af omdat dit niet langer relevant is voor de uitspraak in de onderhavige procedure.
30. Verweerder heeft de Portugese autoriteiten geïnformeerd over de gezondheidssituatie van eiseres ondanks dat eiseres hiervoor geen toestemming heeft gegeven. De rechtbank begrijpt deze keuze. Hieruit blijkt dat ook verweerder zich zorgen maakte over de gezondheidssituatie van eiseres en de weerslag van de overdracht hierop. Verweerder heeft ook, zonder dat hier een medisch onderzoek en medische beslissing aan ten grondslag lag, bepaald dat eiseres tijdens de vlucht vergezeld werd door de KMar en een medische escort. Op verzoek van de rechtbank heeft verweerder zorggedragen voor verslaglegging van deze escortering.
31. In de ‘debriefing’ door de medische escort, die op 27 september 2025 is opgesteld, is onder meer het navolgende vermeld:
(…)
Heeft er op een eerder moment dan de datum van het dossier een voorbezoek aan de vreemdeling plaatsgevonden?
Nee
(…)
Was de medisch begeleider aanwezig op de locatie?
Ja
Was de medisch begeleider aanwezig op de luchthaven?
Ja
Was de medisch begeleider aanwezig bij de briefing?
Nee
(…)
Verloop van de repatriëring
Beschrijf algemeen de toestand van de vreemdeling bij aanvang van de repatriëring.
BT was rustig en coöperatief.
Controle aanwezigheid van de eventuele medicatie/ geleverde hulpmiddelen/ medisch dossier.
Alle medische documenten en medicatie was aanwezig.
Beschrijf de toestand van de vreemdeling tijdens de reis: de angst, de onrust, eventuele complicaties, de taalbarrière, de vertraging.
BT was rustig, vriendelijk en coöperatief.
Beschrijf de toestand en overdracht van de vreemdeling bij overdracht aan de behandelaar/grensbewakingsautoriteiten.
BT bleef coöperatief bleef en minder angstig overkwam.
Hoe tevreden was volgens u de vreemdeling met de begeleiding.
8
(…)
In het proces-verbaal van bevindingen t.b.v uitzettingen van 25 september 2025 heeft de KMar onder meer het navolgende opgenomen:
(…)
De persoon werd door [XXX] omstreeks 06:25 uur ongeboeid aangeleverd op Bureau Begeleidingen, dit was op de afgesproken tijd.
Ten tijde van de aanlevering was de gemoedstoestand van de persoon Onrustig.
(…)
Veiligheidscontrole
(…)
De persoon had
( ) geen bagage in bezit
(X) bagage in bezit, wij hebben hier geen handbagage en twee stuks ruimbagage van gemaakt.
De persoon had:
(X) geld in het bezit, te weten (…)
( ) medicatie in het bezit, te weten:
(…)
(X) Briefen gezagvoerder
Wij, verbalisanten, zijn met de persoon, vanuit Bureau Begeleidingen, met een daarvoor speciaal ingerichte bus naar het vliegtuig gegaan. Ik, verbalisant, heb omstreeks 08:25 uur de gezagvoerder en de crew aan de gate gebriefd. Tijdens deze briefing heb ik, verbalisant, aan de gezagvoerder toestemming gevraagd en gekregen voor:
(X)gebruik hulpmiddelen
(X) toepassen ligprocedure
(X) toestemming aanwenden van geweld
(…)
Tijdens de begeleiding van de persoon naar het land van bestemming, hebben zich
(X) geen bijzonderheden voor gedaan.
(…)
(X) Overdracht
(X)Wij, verbalisanten, zagen geen aanleiding om aan te nemen dat de persoon, voor de
overdracht aan de autoriteiten, medische zorg nodig had.
(…)
32. De rechtbank merkt op dat niet duidelijk is of eiseres medicatie bij zich had en dat niet duidelijk is of eiseres na aankomst in Portugal is overgedragen aan een arts of behandelaar en of is zij is begeleid naar een opvanglocatie. Het is ook niet duidelijk of de KMar op de hoogte is gesteld van de gezondheidssituatie van eiseres. De rechtbank acht dit weinig voorstelbaar omdat de fysieke en psychische gezondheid van eiseres een contra-indicatie is voor het aanvragen en verkrijgen van toestemming voor gebruik van hulpmiddelen, toepassen van de ligprocedure en het aanwenden van geweld. Uit het patiëntenjournaal van het DTZ blijkt verder dat de arts het gebruik van oxazepam op de dag van de overdracht en tijdens de reis heeft voorgeschreven. De rechtbank sluit niet uit dat deze medicatie ‘de rustige houding’ van eiseres verklaart gelet op de verklaringen die zij heeft afgelegd over de oorzaak van haar vrees om aan Portugal te worden overgedragen.
33. De rechtbank concludeert dat eiseres feitelijk is overgedragen zonder dat er een medische beoordeling heeft plaatsgevonden van de weerslag van de overdracht op de gezondheidssituatie van eiseres en zonder dat er een fit to fly-keuring door de inrichtingarts heeft plaatsgevonden. Gelet op de bijzonder ernstige gezondheidstoestand van eiseres, waar verweerder mee bekend was ten tijde van de oplegging van de maatregel, had verweerder de weerslag van de overdracht moeten onderzoeken en had verweerder moeten beoordelen of de overdracht een reëel en voorzienbaar risico op een schending van artikel 4 van Pro het Handvest met zich brengt. Verweerder voert het beleid dat om overeenkomstig het Unierecht en het arrest C.K. te handelen een advies wordt gevraagd aan het BMA. Uit het dossier blijkt dat verweerder zich realiseert dat de verplichting om het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen niet afhankelijk is van de gedragingen en van de proceshandelingen die eiseres zelf heeft verricht of kon verrichten. Verweerder heeft ook laten zien dat hij weet dat hij zijn verplichtingen niet alleen hoeft na te komen als de rechter hem daartoe opdraagt. Verweerder heeft immers initiatief genomen om een BMA-advies op te vragen zonder dat de rechtbank dit in haar uitspraak van 29 augustus 2025 noodzakelijk heeft geacht en voordat de rechtbank zelfs uitspraak heeft gedaan op het beroep tegen het overdrachtsbesluit. De DT&V, die ambtshalve een BMA-advies heeft willen verkrijgen, heeft echter een ‘verkeerd advies’ aangevraagd omdat geadviseerd moest worden of eiseres aan een andere lidstaat kon worden overgedragen en niet of aan eiseres uitstel van vertrek om naar haar land van herkomst terug te keren moest worden verleend. Uit de toelichting die verweerder heeft verschaft is toen dit duidelijk werd besloten om het BMA-traject af te sluiten. De beslissing die toen is genomen dat er geen nader onderzoek hoefde plaats te vinden is onjuist. De beoordeling is beperkt gebleven tot de vaststelling dat ten aanzien van Portugal van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan en dat Portugal verantwoordelijk is voor de behandeling van de psychische klachten van eiseres. Ook is niet onderkend dat de reisvoorwaarden door een arts moeten worden bepaald en dat een arts ook moet bepalen of de overdracht kan plaatsvinden. Verweerder heeft terecht aangevoerd dat de inrichtingarts beslist of er een fit to fly-keuring moet plaatsvinden. Uit het dossier blijkt niet dat verweerder de arts heeft verzocht om een keuring en dat was zonder meer geïndiceerd indien de inrichtingarts bij gebrek aan volledige informatie nalaat om uit eigen beweging een fit to fly-keuring uit te voeren.
34. Gelet op de bijzonder ernstige gezondheidstoestand van eiseres kwalificeert de rechtbank de wijze waarop de overdracht van eiseres heeft plaatsgevonden als een ernstige veronachtzaming van de gezondheid van eiseres. Verweerder heeft een zorgplicht ten aanzien van vreemdelingen die hij in bewaring stelt en houdt en verweerder heeft een zorgplicht ten aanzien bijzonder kwetsbare vreemdelingen als verweerder beslist tot de feitelijke overdracht en als verweerder deze uitvoert. De rechtbank twijfelt in het geheel niet aan de goede intenties van alle individuele medewerkers van verweerder die op enige wijze betrokken zijn geweest bij eiseres. De rechtbank kan evenwel niet anders dan vaststellen dat verweerder zijn zorgplicht op een onaanvaardbare wijze heeft geschonden.
35. Indien eiseres ten tijde van de rechterlijke beoordeling van de bewaringsmaatregel in bewaring zou zijn gehouden, zou de rechtbank de maatregel hebben opgeheven omdat de overdracht niet zou kunnen plaatsvinden zonder dat BMA of een andere arts de weerslag van de overdracht zou hebben beoordeeld op grond van tenminste de informatie die de behandelaars van eiseres hebben verstrekt. Op dat moment zou de rechtbank hebben geoordeeld dat er geen zicht op overdracht bestaat omdat het overdrachtsbesluit niet mag worden uitgevoerd zonder nader onderzoek naar de weerslag van de overdracht. Indien de overdracht niet kan plaatsvinden, kan de maatregel immers niet strekken tot die overdracht en is de maatregel reeds daarom onrechtmatig.
36. De maatregel is echter al opgeheven en eiseres is al overgedragen. Indien de rechtbank de invrijheidstelling van eiseres zou hebben bevolen omdat niet valt uit te sluiten dat artikel 4 van Pro het Handvest zich tegen de overdracht verzet, kan het niet zo zijn dat nu eiseres reeds is overgedragen, er geen enkel gewicht toekomt aan het risico dat de weerslag van de overdracht een 4 Handvest-risico heeft behelst en nader had moeten worden onderzocht.
37. Artikel van 29 van Verordening 604/2013, dat ziet op de werkwijzen en termijnen, luidt deels als volgt:
(…)
3.Indien een persoon ten onrechte is overgedragen of indien een overdrachtsbesluit in beroep of na bezwaar wordt vernietigd nadat de overdracht heeft plaatsgevonden, neemt de lidstaat die de overdracht heeft verricht, de betrokkene onmiddellijk terug.
(…)
38. De rechtbank overweegt dat de Uniewetgever de verplichting tot terugname dwingendrechtelijk heeft geformuleerd als de persoon ten onrechte is overgedragen. Deze verplichting richt zich tot de lidstaat die de overdracht heeft verricht. Verweerder heeft de overdracht verricht. De rechtbank heeft vastgesteld dat de overdracht niet had mogen worden uitgevoerd omdat niet is onderzocht of de overdracht een risico op schending van artikel 4 van Pro het Handvest zou inhouden. Dit betekent dat de overdracht ten onrechte is uitgevoerd als bedoeld in bovengenoemde bepaling. Dat Portugal verantwoordelijk mocht worden gehouden voor de behandeling van de asielaanvraag van eiseres en dat ten aanzien van Portugal kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel doet namelijk niet af aan de verplichting die verweerder had om de weerslag van de overdracht op de gezondheidssituatie van eiseres te onderzoeken en te beoordelen. Dat de rechtbank in haar uitspraak van 29 augustus 2025 het beroep tegen het overdrachtsbesluit ongegrond heeft verklaard, ontslaat verweerder niet van zijn verplichting om te allen tijde en uit eigen beweging het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen. Verweerder mag in beginsel uitgaan van een overdrachtsbesluit en dat geldt temeer indien er een rechterlijke controle van dit besluit heeft plaatsgevonden. Verweerder dient evenwel alert te blijven op nieuwe feiten en omstandigheden en verweerder dient overeenkomstig zijn eigen verplichtingen te handelen. Indien verweerder er niet in slaagt om een BMA-advies en een medische fit to fly- keuring te verkrijgen, kan verweerder, in omstandigheden zoals in deze procedure aan de orde, niets anders doen dan afzien van de overdracht, ook als de overdrachtstermijn daardoor ongebruikt verstrijkt en verweerder verantwoordelijk wordt voor de inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag. Het is evident dat de verplichting om uit te sluiten dat de overdracht tot een 4 Handvest-schending leidt prevaleert boven het belang om eiseres te kunnen overdragen.
39. De rechtbank komt tot de conclusie dat op het moment dat de maatregel op 23 september 2025 werd opgelegd duidelijk was dat het overdrachtsbesluit niet kon worden uitgevoerd op 25 september 2025 omdat BMA geen advies had uitgebracht en niet meer zou uitbrengen. De maatregel is dus ook om deze reden van aanvang af onrechtmatig geweest. De omstandigheid dat eiseres gedurende de feitelijke overdracht geen (geslaagde) poging tot suïcide heeft ondernomen en het 4 Handvest-risico zich dus niet heeft verwezenlijkt gedurende de vlucht van Amsterdam naar Lissabon, betekent niet dat de overdracht niet onterecht heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat de rechtbank niet zal volstaan met de gegrondverklaring van het beroep en de inwilliging van het verzoek om schadevergoeding. De rechtbank zal ook de onmiddellijke teruggeleiding van eiseres gelasten.
40. De rechtbank overweegt in dit verband dat niet uitgesloten is dat verweerder hoger beroep zal instellen en zal betogen dat de bewaringsrechter niet bevoegd is om te beoordelen of het overdrachtsbesluit kan worden uitgevoerd en niet bevoegd is om de teruggeleiding van eiseres te gelasten. De rechtbank heeft zich beraden om hierover prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen. De rechtbank overweegt echter dat er geen twijfel kan bestaan dat ook bij de toepassing van de Dublinverordening verweerder en de rechtbank verplicht zijn om het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen. Artikel 4 van Pro het Handvest is immers een algemene regeling die van toepassing is als het Unierecht ten uitvoer wordt gelegd. Het verbod op refoulement is absoluut en ook de rechter is te allen tijde verplicht om te verzekeren dat het beginsel van non-refoulement wordt nageleefd. Verweerder heeft terecht aangegeven dat het arrest Adrar ziet op de verplichtingen die voor de bewaringsrechter uit richtlijn 2008/115 voortvloeien. Gelet op de uitlegging van het Hof in dat arrest en gelet op het karakter van vrijheidsontneming en het grondrecht op een doeltreffende voorziening, dient artikel 4 van Pro het Handvest naar het oordeel van de rechtbank naar analogie te worden begrepen bij de rechterlijke controle van een bewaringsmaatregel die ter fine van een overdrachtsluit is opgelegd. Ook de bewaringsmaatregel die wordt opgelegd om de overdracht te verzekeren heeft een Unierechtelijke grondslag en de inhoud en omvang van de verplichtingen van de bewaringsrechter volgen uit het Unierecht en worden beheerst door het Handvest. Dat verweerder in de onderhavige procedure primair het standpunt heeft ingenomen dat de rechtbank niet bevoegd is om na te gaan of artikel 4 van Pro het Handvest aan de uitvoering van overdrachtsbesluit in de weg heeft gestaan, lijkt dan ook te zijn ingegeven om een inhoudelijk oordeel van de rechtbank te voorkomen.
41. De Dublinverordening schrijft voorts dwingendrechtelijk voor dat een persoon die ten onrechte is overgedragen onmiddellijk wordt teruggenomen. De Uniewetgever heeft niet geregeld dat de overgedragen derdelander een verzoek tot terugname moet doen en heeft ook niet voorzien in een separate procedure bij een rechterlijke instantie. De rechtbank heeft vastgesteld dat eiseres ten onrechte is overgedragen. Verweerder kan niet tot een andere conclusie komen, reeds omdat verweerder zijn eigen beleid om een BMA-advies op te vragen niet heeft toegepast. Van eiseres kan bezwaarlijk worden verwacht dat zij thans vanuit Portugal een kort geding bij de burgerlijke rechter aanhangig maakt om te laten beoordelen of haar overdracht rechtmatig is geweest. Eiseres is ten onrechte overgedragen omdat verweerder niet heeft onderzocht en beoordeeld wat de weerslag van de overdracht op de bijzonder ernstige gezondheidssituatie van eiseres is. Verweerder is dus verplicht om eiseres onmiddellijk terug te nemen en om alle mogelijke onduidelijk hierover weg te nemen, zal de rechtbank dit dan ook gelasten. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling van 6 december 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:4547). In de onderhavige bewaringsprocedure stelt de rechtbank vast dat eiseres ten onrechte is overgedragen omdat er op 25 september 2025 geen BMA-advies was uitgebracht. Omdat de feitelijke overdracht heeft plaatsgevonden op de laatste dag van de overdrachtstermijn betekent dit dat Nederland verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van de asielaanvraag die eiseres in Nederland heeft gedaan. Een reeds verstreken overdrachtstermijn kan immers niet worden verlengd en de teruggeleiding van eiseres betekent niet dat er een nieuwe termijn gaat lopen. Dat zou immers meebrengen dat om te voorkomen dat een overdrachtstermijn ongebruikt verstrijkt, verweerder een derdelander kan overdragen om vervolgens terug te geleiden.
42. De rechtbank concludeert dat op 23 september 2025 ten tijde van de oplegging van de maatregel duidelijk was dat het overdrachtsbesluit niet op 25 september 2025 kon worden uitgevoerd. De maatregel is ter fine van de overdracht opgelegd maar de maatregel heeft dus niet tot de -rechtmatige- overdracht kunnen leiden en is daarom van aanvang af onrechtmatig geweest. Deze vaststelling is een zelfstandige grond om het beroep gegrond te verklaren en de rechtbank zal tevens de teruggeleiding van eiseres uit Portugal gelasten omdat eiseres ten onrechte is overgedragen. De rechtbank overweegt voorts als volgt.
Is sprake geweest van een significant onttrekkingsrisico?
43. Eiseres heeft betwist dat sprake was van een significant onttrekkingsrisico. De rechtbank overweegt dat deze beroepsgrond slaagt. De rechtbank motiveert dit als volgt.
44. In artikel 5.1b, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit is bepaald dat aan de voorwaarden voor inbewaringstelling, of voor het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel, bedoeld in artikel 5.1a, vijfde lid, slechts wordt voldaan indien ten minste twee van de gronden, bedoeld in het derde en vierde lid zich voordoen, waarvan ten minste één van de gronden, bedoeld in het derde lid. Verweerder heeft drie zogenoemde zware gronden opgevoerd om het significante onttrekkingsrisico te onderbouwen. De rechtbank overweegt dat zware grond 3k ondeugdelijk is gemotiveerd. Allereerst is niet gebleken van ‘aan eiseres geboden mogelijkheden op de diverse COA-locaties om Nederland te verlaten’. Verweerder heeft voorts in de maatregel ter onderbouwing van grond 3k overwogen waarom het overdrachtsbesluit juridisch juist zou zijn maar de rechtbank overweegt dat dit in dit verband niet relevant is. Verweerder heeft voorts passages aangehaald uit de vertrekgesprekken waaruit blijkt dat de verklaringen van eiseres dat zij niet kan terugkeren zijn ingegeven door een subjectieve vrees dat de man die haar 9 jaar lang verkracht heeft haar in Portugal kan traceren. Verweerder heeft in deze vertrekgesprekken gedetailleerd beschreven wat de fysieke en psychische reactie van eiseres was op het moment dat een overdracht aan Portugal ter sprake is gebracht. Zware grond 3k ziet op de omstandigheid dat een vreemdeling ‘besluit’ om geen medewerking aan de overdracht te verlenen. Als deze proceshouding voortkomt uit een rationale beslissing volgt hier een onttrekkingsrisico uit. Bij eiseres is geen sprake van een welbewuste beslissing om niet mee te werken aan de overdracht. Gelet op de waarnemingen die verweerder in de vertrekgesprekken heeft gedaan en gelet op de medische informatie die bij verweerder ten tijde van de oplegging van de maatregel bekend was, zijn de verklaringen van eiseres dat zij niet wil terugkeren naar Portugal ingegeven door haar psychische problematiek en de vrees die is gebaseerd op eerder ondergane trauma’s in het land van herkomst. Deze verklaringen van eiseres kunnen daarom niet worden gekwalificeerd als het niet verlenen van medewerking als bedoeld in zware grond 3k. Zware grond 3m is feitelijk juist. De maatregel is opgelegd op 23 september 2025 en de uiterste overdrachtstermijn was 25 september 2025. De rechtbank is bekend met de Afdelingsjurisprudentie waaruit volgt dat zware gronden die feitelijk juist zijn een onttrekkingsrisico onderbouwen. In deze concrete procedure is deze jurisprudentie echter niet onverkort van toepassing. Eiseres heeft op 31 december 2024 een asielaanvraag ingediend. Uit het Dublindossier blijkt dat verweerder op 19 februari 2025 een claimverzoek heeft ingediend en dat op 25 maart 2025 een claimakkoord tot stand is gekomen. Op dat moment vangt de overdrachtstermijn van 6 maanden aan. Het ligt buiten de macht van eiseres om invloed uit te oefenen op de procedure bij verweerder en bij de rechtbank. Verweerder neemt ‘pas’ op 7 mei 2025 een overdrachtsbesluit. De rechtbank heeft het beroep op 12 juni 2025 op zitting behandeld, maar doet ‘pas’ op 29 augustus 2025 uitspraak op het beroep en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening niet toe. Verweerder weet een week na 29 augustus 2025 dat er geen hoger beroep is ingesteld en weet dat de overdrachtstermijn op 25 september 2025 verstrijkt. Verweerder plant de feitelijke overdracht op de laatste dag van de overdrachtstermijn. De rechtbank begrijpt dat het organiseren van een overdracht meer tijd in beslag neemt als er escortering door de KMar en door een verpleegkundige moet worden geregeld en de rechtbank begrijpt ook dat er simpelweg meer stoelen op een vlucht moeten worden geboekt. Er is evenwel ook sprake van tijdsverloop tussen het moment dat het overdrachtsbesluit in rechte vast is komen te staan en de vluchtaankondiging aan (uitsluitend) de Portugese autoriteiten op 16 september 2025. De rechtbank concludeert dan ook dat zware grond 3m weliswaar feitelijk juist is maar dat de situatie dat de overdracht gepland is op de laatste dag van de overdrachtstermijn is ontstaan buiten toedoen van eiseres en voorkomt uit de door verweerder en de rechtbank verrichte handelingen. In deze concrete bewaringsprocedure volgt uit zware grond 3m dan ook geen onttrekkingsrisico. Zware grond 3a is deels deugdelijk gemotiveerd. In de maatregel is overwogen dat eiseres bij inreis in Nederland niet beschikte over een geldig paspoort, visum en inreisstempel van het Schengengebied. Dit is niet weerlegd en is feitelijk juist. De motivering dat dit aantoont dat ‘eiseres geen waarde hecht aan rechtmatig verblijf in Nederland en reeds daardoor laten zien dat er een risico bestaat dat zij zich aan het toezicht op vreemdelingen onttrekt en omdat zij tot op heden geen reisdocument heeft aangeschaft, elke vorm van voorbereiding aan zijn vertrek of uitzettingsprocedure ontwijkt en belemmert’ miskent evenwel de inhoud en aard van de verklaringen die eiseres heeft afgelegd. Daargelaten dat zware grond 3a in elke Dublinprocedure feitelijk juist, indien de vreemdeling op de voorgeschreven wijze binnenkomt is er immers geen grondslag voor een Dublinprocedure, blijkt uit de verklaringen die eiseres in haar Dublinprocedure en in het bewaringsgehoor zonder meer dat er indicaties voor mensenhandel zijn. De rechtbank stelt vast dat dit in het aanmeldgehoor en het verdere verloop van de Dublinprocedure niet is onderkend en door de autoriteiten niet overeenkomstig hun zorgplicht is gehandeld. Dat dit thans niet meer ongedaan gemaakt kan worden laat onverlet dat uit de wijze van inreis, zonder nadere motivering, geen onttrekkingsrisico volgt. Dit betekent dat de drie zware gronden die verweerder in de maatregel heeft benoemd ten onrechte zijn opgevoerd. Zonder zware gronden is er geen sprake van een significant onttrekkingsrisico. Ook deze vaststelling leidt tot de conclusie dat de maatregel onrechtmatig is opgelegd.
Lichter middel
45. De rechtbank overweegt dat verweerder alvorens de maatregel op te leggen grondig moet onderzoeken of de maatregel noodzakelijk, proportioneel en evenredig is of moet worden afgezien van de inbewaringstelling, dan wel moet worden volstaan met een lichter middel. Verweerder is ook gehouden om zijn beslissing op dit punt deugdelijk te motiveren. De rechtbank overweegt dat verweerder hier niet in is geslaagd en motiveert dit als volgt.
46. De gemachtigde van eiseres heeft het bewaringsgehoor bijgewoond. Zoals hiervoor overwogen is de gemachtigde voorafgaand aan het gehoor niet in kennis gesteld van het verloop van de Dublinprocedure en met name dat door het COa aan de ‘asieladvocaat’ was medegedeeld dat eiseres niet verwijderbaar was en hij niet op de hoogte is gesteld van de vluchtgegevens. De gemachtigde is ook niet op de hoogte gesteld van de bijzonder ernstige psychische problematiek van eiseres en de situaties die zich tijdens de vertrekgesprekken en de staandehouding hebben voorgedaan en de crisisinterventies die reeds hadden plaatsgevonden. De rechtbank heeft reeds vastgesteld dat dit een schending van het verdedigingsbeginsel is en dit werkt door in de lichter middel-beoordeling. Eiseres en haar gemachtigde worden immers in de gelegenheid gesteld om argumenten aan te dragen om een lichter middel op te leggen maar zijn daartoe onvoldoende in staat gesteld doordat aan de gemachtigde wezenlijke informatie is onderhouden. De rechtbank overweegt voorts dat de regievoerder die de maatregel heeft opgelegd bij aanvang van het gehoor aangeeft dat hij zal beoordelen of de maatregel wordt opgelegd. In het vertrekgesprek dat op de dag van de inbewaringstelling heeft plaatsgevonden is, zoals eerder in deze uitspraak vermeld, evenwel het navolgende vermeld:
(…)
Daarop geef ik aan: “De beslissing van de IND staat vast. En omdat er maar korte tijd beschikbaar is voor het organiseren van een overdracht, wordt het een gecontroleerde overdracht. Daarom wordt u vandaag staande gehouden. Ik draag u nu over aan medewerkers van Dienst Vervoer en Ondersteuning, DV&O.”
(…)
47. De rechtbank overweegt dat deze passage de indruk wekt dat de beslissing om de maatregel op te leggen in wezen al was genomen. Weliswaar heeft een andere regievoerder de vertrekgesprekken gehouden en is deze regievoerder blijkens de inhoud van die gesprekken zeer begaan met het welbevinden van eiseres. Uit het dossier blijk dat de procedure van eiseres is besproken in het LKO en dat een senior regievoerder heeft bepaald dat de overdracht kon plaatsvinden. Dit betekent dat er op 23 september 2025, gelet op de passage in het vertrekgesprek, weinig ruimte is om een gecontroleerde overdracht te laten plaatsvinden binnen de overdrachtstermijn. Dat verweerder maar één keer de gelegenheid zal hebben om de feitelijke overdracht uit te voeren, ontslaat verweerder niet van zijn verplichting om te onderzoeken of de maatregel gerechtvaardigd is. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat juist vanwege de kwetsbaarheid van eiseres is zorggedragen dat de overdracht maar een keer hoeft te worden voorbereid en er geen meerdere pogingen voor nodig zijn. De rechtbank begrijpt dat verweerder zich realiseert dat de aankondiging van de overdracht en het voorbereiden hiervan een impact zal hebben op eiseres. Dit betekent echter niet dat in verband met het welbevinden van eiseres de maatregel kan worden opgelegd omdat de overdracht dan zeker kan worden uitgevoerd. De gemachtigde heeft in het bewaringsgehoor verzocht om te volstaan met een lichter middel omdat eiseres in dat gehoor heeft verklaard mee te zullen werken en niet vastgezet te willen worden. In het gehoor is gevraagd naar medische bijzonderheden. Deze vraag bevreemdt de rechtbank want DT&V is dan al op de hoogte van de fysieke en psychische reactie van eiseres in de vertrekgesprekken en DT&V is op de hoogte van de behandeling die eiseres ondergaat bij een psycholoog en de crisisinterventies die er zijn geweest en het LKO dat heeft plaatsgevonden vanwege de psychische gezondheid van eiseres. De rechtbank gaat er van uit dat de regievoerder die wordt belast met het beslissen of een maatregel moet worden opgelegd hiervan op de hoogte wordt gesteld. Indien dit niet het geval is, is het per definitie niet mogelijk om te beoordelen of het opleggen van de maatregel noodzakelijk, proportioneel en evenredig is. Eiseres heeft verklaard dat zij onder behandeling staat bij een psycholoog en dat de huisarts haar Oxazepam heeft voorgeschreven die zij driemaal per dag moet innemen. Deze verklaring had aanleiding moeten zijn om hierover nadere vragen te stellen. Doordat dit niet is gedaan, is dit gehoor onvolledig en kon de maatregel niet op grond van dit gehoor worden opgelegd.
48. De rechtbank overweegt voorts dat de motivering in de maatregel onvoldoende deugdelijk is met betrekking tot de beslissing waarom is afgezien van een lichter middel. In de maatregel is een overzicht opgenomen van het medisch traject. Dit overzicht bevat een opsomming van de medische klachten die eiseres heeft en de behandeling(en) die zij daarvoor ondergaat, de BMA-procedure, de vertrekgesprekken met vermelding van de uitspraken over suïcide, het in shock geraken en het ter plaatse laten komen van een ambulance. Tevens is het navolgende vermeld:
(…)
Betrokkene heeft tijdens de vertrekgesprekken suïcidale uitspraken gedaan en bij hoog oplopende emoties het bewustzijn verloren. Ze heeft eerder al eens een suïcide poging ondernomen. Laatste suïcide poging was op 22 september 2025, de avond voor de staandehouding. Volgens het dossier is zij is momenteel onder behandeling van een psycholoog Pro Persona. Gezien de suïcidale uitlatingen in vertrekgesprekken met DT&V en het verliezen van het bewustzijn is betrokkene tijdens de staandehouding, overbrenging en het gehoor ter inbewaringstelling begeleid door een psychiatrisch verpleegkundige die indien gewenst de benodigde zorg kan verlenen.
(…)
Indien er gevaar van suïcide dreigt zal er in detentie (DC Zeist) extra aandacht aan betrokkene worden gegeven. Eventueel kan betrokkene geplaatst worden in een zogenaamde “time-out” kamer. Indien nodig kan dit onder cameratoezicht. Mocht dit onvoldoende effect hebben, dan kan betrokkene geplaatst worden in een zogenaamde observatiecel waar constant toezicht is. De veiligheid voor het leven en voor de gezondheid van de vreemdeling is hiermee voldoende gewaarborgd.
Er zijn geen medische omstandigheden aanwezig die de inbewaringstelling kunnen belemmeren. Daarnaast zal betrokkene een intake krijgen van de medische dienst op voornoemde locatie. Ten aanzien van de medische zorgverlening binnen de detentiecentra kan worden gesteld dat deze gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. De veiligheid voor het leven en voor de gezondheid van de vreemdeling is hiermee voldoende gewaarborgd.
(…)
De rechtbank overweegt dat deze motivering niet volstaat. Het zorgdragen voor personen met een suiciderisico en reeds ondernomen pogingen tot suïcide, bestaat niet uit het plaatsen in een time-out kamer en het onder cameratoezicht plaatsen. Weliswaar kunnen deze maatregelen ervoor zorgen dat eiseres niet in staat is om een geslaagde poging tot zelfdoding te ondernemen. Het voorkomen van suïcide door iemand de feitelijke mogelijkheid te ontnemen is echter niet hetzelfde als het zorgdragen voor de gezondheid van deze persoon. Verweerder heeft een zorgplicht ten aanzien van de vreemdelingen die hij in bewaring stelt en houdt. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 22 juli 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:13522) en 8 oktober 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:16525). De rechtbank overweegt dat in de maatregel onvoldoende is gemotiveerd waarom niet is afgezien van het opleggen van de maatregel of is volstaan met de oplegging van een lichter middel. In de onderhavige procedure had verweerder moeten verzoeken om een beoordeling door de inrichtingarts van de detentiegeschiktheid van eiseres. Verweerder draagt de bewijslast voor het rechtmatige karakter van de maatregel en in deze procedure had hij nader onderzoek moeten verrichten naar de medische en psychische gezondheid van eiseres alvorens de maatregel op te leggen. De rechtbank betrekt hierbij dat de gemachtigde die eiseres in bewaring heeft bijgestaan niet deugdelijk in staat is gesteld om de verdediging te voeren omdat hij niet in kennis is gesteld van de medische informatie die ten tijde van het opleggen van de maatregel bij verweerder bekend was. De rechtbank stelt vast dat onvoldoende is onderzocht of de gezondheidssituatie van eiseres aanleiding had moeten zijn om af te zien van de oplegging van een maatregel of om te volstaan met een lichter middel en dat de beslissing op dit punt in de maatregel onvoldoende is gemotiveerd en dit de maatregel onrechtmatig maakt. Dat de maatregel, zoals door verweerder heeft toegelicht, ten uitvoer is gelegd op de AMV-afdeling van het DTZ doet niet af aan de conclusie dat de maatregel onrechtmatig is opgelegd.
Conclusie en gevolgen
49. De rechtbank heeft vastgesteld dat ten onrechte handboeien zijn aangelegd bij de overbrenging, dat het verdedigingsbeginsel is geschonden, dat ten tijde van het opleggen van de maatregel evident was dat het overdrachtsbesluit niet kon worden uitgevoerd en dat onvoldoende is onderzocht of de gezondheidssituatie van eiseres aanleiding had moeten zijn om af te zien van de oplegging van een maatregel of om te volstaan met een lichter middel en dat de beslissing op dit punt in de maatregel onvoldoende is gemotiveerd. Al deze gebreken leiden zelfstandig tot de conclusie dat de maatregel onrechtmatig is opgelegd en onrechtmatig ten uitvoer is gelegd.
50. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal eiseres in aanmerking brengen voor schadevergoeding omdat zij drie dagen onrechtmatig in bewaring is gehouden. Indien eiseres op dit moment in bewaring zou worden gehouden, zou de rechtbank de opheffing van de maatregel gelasten en de invrijheidstelling van eiseres bevelen. De maatregel is evenwel reeds opgeheven om de overdracht aan Portugal te effectueren. Zoals de rechtbank heeft gemotiveerd is eiseres ten onrechte overgedragen en gebiedt artikel 29, derde lid, van dVerordening 604/2013, dat indien een persoon ten onrechte is overgedragen, de lidstaat die de overdracht heeft verricht, de betrokkene onmiddellijk terugneemt. De rechtbank zal dan ook niet alleen bepalen dat verweerder schadevergoeding en proceskosten moet voldoen, maar zal tevens de onmiddellijke teruggeleiding van eiseres gelasten. De rechtbank neemt aan dat verweerder en de gemachtigde hierover in overleg zullen treden om zo spoedig mogelijk de actuele verblijfplaats van eiseres te achterhalen. De rechtbank overweegt voorts het navolgende.
51. De rechtbank heeft eerder ervaren dat het verweerder er veel aan gelegen is om de rol en bevoegdheid van de rechter beperkt te houden en dit probeert te bewerkstelling door zich te wenden tot de Afdeling in elke procedure waarin verweerder meent dat de omvang van de rechterlijke controle op zijn handelen groter dan juridisch juist en groter dan gewenst is. Er zijn prejudiciële vragen voor nodig geweest om (óók) aan verweerder duidelijk te maken dat de rechtbank zo nodig ambtshalve de rechtmatigheid van de bewaringsmaatregel moet controleren en zo nodig ambtshalve de rechtmatigheid van het vaststellen en uitvoeren van het terugkeerbesluit moet controleren.
52. De rechtbank geeft verweerder mee om te reflecteren op de wijze waarop de overdracht van eiseres is voorbereid en is uitgevoerd. Wat deze procedure duidelijk maakt is met name de noodzaak dat de verschillende uitvoeringsinstanties met elkaar communiceren en informatie delen. Deze procedure kenmerkt zich doordat vele personen, allemaal vanuit hun expertise en met grote betrokkenheid, langs elkaar heen hebben gewerkt. Ook lijkt verweerder te verwachten dat eiseres afdwingt dat verweerder zich aan zijn verplichting houdt om het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen. De rechtbank overweegt dat de beslissing van verweerder om de medische informatie die hij over eiseres had te delen met de Portugese autoriteiten ondanks het ontbreken van toestemming van eiseres zonder meer begrijpelijk en ook wenselijk is. Uit het dossier blijkt ook dat DT&V zich ervan bewust is geweest dat BMA om advies had moeten worden gevraagd en dat eiseres bijzonder kwetsbaar is en niet zelfstandig zou kunnen vertrekken op de door DT&V geboekte vlucht. Ook verweerder zal zich inmiddels realiseren dat hij tekortgeschoten is door eiseres over te dragen zonder een arts te laten beoordelen of en zo ja, op welke wijze de feitelijke overdracht zou kunnen plaatsvinden. Verweerder had, als hij niet tijdig een medisch advies had kunnen verkrijgen, moeten afzien van de feitelijke overdracht in plaats van eiseres op de laatste dag van de overdrachtstermijn op deze wijze over te dragen. Het belang van eiseres dat haar gezondheid niet aanzienlijk en onomkeerbaar achteruit gaat is groter dan het belang van verweerder om eiseres over te dragen. De rechtbank concludeert dat verweerder onaanvaardbare risico’s heeft genomen om eiseres zonder medische beoordeling over te dragen. Omdat verweerder ernstig tekort is geschoten en er geen ‘warme overdracht’ in Portugal heeft plaatsgevonden aan een behandelaar, is de situatie en met name de psychische gesteldheid waarin eiseres thans verkeert ongewis. Verweerder doet er dan ook goed aan om zo spoedig mogelijk, in samenspraak met de gemachtigde die eiseres in deze bewaringsprocedure bijstaat, contact op te nemen met de Portugese autoriteiten om de verblijfplaats van eiseres te achterhalen en daarbij aan te geven dat de Nederlandse rechter de onmiddellijke terugname van eiseres heeft gelast.
53. Het staat verweerder vanzelfsprekend vrij om hoger beroep in te stellen. De rechtbank verwacht dat verweerder het eens is met de rechtbank dat de overdracht niet op deze wijze had mogen plaatsvinden. Verweerder hoeft de uitspraak op een mogelijk hoger beroep niet af te wachten om eiseres terug te geleiden en gelet op de bijzonder ernstige gezondheidssituatie van eiseres is spoedig handelen door verweerder geboden. Verweerder kan hoger beroep instellen zonder daarbij de voorlopige voorziening te vragen dat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren en daardoor eiseres teruggeleiden en toch een beoordeling van de Afdeling verkrijgen over de vraag of de rechtbank haar bevoegdheden in deze procedure overschrijdt. Verweerder kan vanzelfsprekend ook afzien van het instellen van hoger beroep. Verweerder hoeft, zo schat de rechtbank in, niet te vrezen voor precedentwerking. De feiten en omstandigheden in de onderhavige procedure zijn exceptioneel en het reflecteren van verweerder op zijn handelen zal er aan bijdragen dat in komende procedures meer overleg plaats vindt ‘binnen de keten’ en zal ertoe leiden dat de ‘asielgemachtigde’ en de ‘bewaringsgemachtigde’ nauwgezet van de overdrachts- en terugkeerprocedure op de hoogte worden gehouden, zodat de verdedigingsrechten ten volle kunnen worden uitgeoefend.
54. De rechtbank zal eiseres in aanmerking brengen voor schadevergoeding. Namens eiseres is niet verzocht om een hogere vergoeding dan standaardmatig wordt bepaald. De rechtbank ziet desalniettemin aanleiding om een hoger bedrag vast te stellen bij wijze van genoegdoening voor de veronderstelde geleden immateriële schade. Uit het dossier blijkt genoegzaam van een doorleefde vrees om terug te moeten keren naar Portugal en de rechtbank heeft meerdere gebreken vastgesteld die tot de conclusie leiden dat de maatregel onrechtmatig is opgelegd en die onder meer verband houden met haar ernstige gezondheidstoestand. Gelet op al deze omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding om de schadevergoeding te bepalen op een bedrag van bedrag van € 750,- voor de drie dagen dat eiseres in bewaring is gehouden.
55. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten en hanteert hierbij het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De rechtbank kent 1 punt toe voor het instellen van beroep, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 2 keer 0,5 punt voor het verstrekken van schriftelijke inlichtingen voorafgaand aan de behandeling ter zitting en na de tussenuitspraak. De rechtbank hanteert voorts een wegingsfactor van 1,5 omdat de rechtbank de zaak als zwaar aanmerkt vanwege de rechtsvragen en vanwege de inspanningen die door gemachtigde zijn verricht om verweerder te bewegen een volledig dossier te overleggen en de rechtbank in staat te stellen de rechtmatigheid van de maatregel te controleren. De rechtbank bepaalt de hoogte van de proceskosten op een bedrag van € 4.081,50 ( 3 x € 907,- x 1,5).
56. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • gelast de onmiddellijke teruggeleiding van eiseres naar Nederland;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding toe en veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 750,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van
€ 4.081,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van M.M.P. van Diepen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 5 november 2025.
Rechtsmiddel
Tegen de tussenuitspraak van 9 oktober 2025 en deze einduitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van deze einduitspraak.