Eiser heeft beroep ingesteld tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de minister op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Hij voerde onder meer aan dat de ophouding op een onjuiste grondslag plaatsvond, dat er een verkeerde tolk werd gebruikt, dat de gronden voor bewaring onvoldoende zijn en dat de minister onvoldoende voortvarend handelde.
De rechtbank oordeelt dat de ophouding rechtmatig was op grond van artikel 50, derde lid, Vw 2000 en dat de tolkvoorziening correct was, waarbij tijdens de bewaring een beëdigde Somalische tolk is ingezet. De gronden voor bewaring, waaronder het risico op ontduiking van toezicht en het niet naleven van vertrekverplichtingen, zijn feitelijk juist en voldoende onderbouwd.
Voorts is beoordeeld dat eiser geen reëel risico loopt op schending van het non-refoulementbeginsel bij terugkeer naar Groot-Brittannië, mede gelet op zijn Britse nationaliteit en de medische zorg aldaar. De minister heeft bovendien voldoende voortvarend gehandeld door tijdig een vertrekgesprek te voeren en een laissez-passer aan te vragen.
De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en wijst ook het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.