ECLI:NL:RBDHA:2025:1785
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen verlenging overdrachtstermijn Dublinverordening wegens onderduiken ongegrond verklaard
De rechtbank Den Haag heeft op 6 februari 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure waarin eiser bezwaar maakte tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om de overdrachtstermijn aan Duitsland te verlengen tot achttien maanden. De verlenging was gebaseerd op het vermoeden van onderduiken van eiser, hetgeen volgens de Dublinverordening een grond is voor verlenging.
Eiser stelde dat het besluit onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd was, omdat belangrijke details zoals de ingangs- en einddatum van de verlenging en de redenen voor het aannemen van onderduiken ontbraken. Tevens voerde hij aan dat hij niet ondergedoken was, omdat hij klaarstond voor overdracht en slechts later zijn opvanglocatie had verlaten. De rechtbank oordeelde dat het besluit weliswaar summier was, maar niet onzorgvuldig of onvoldoende gemotiveerd, mede omdat aanvullende stukken zoals een brief aan de Duitse autoriteiten en een uittreksel van de MOB-melding in het dossier waren opgenomen.
De rechtbank verwierp het verweer dat de MOB-melding onjuist was en dat de taxi op de overdrachtsdatum niet was verschenen, omdat deze stellingen niet tijdig en onderbouwd waren ingebracht. De minister had voldoende toegelicht dat eiser op 10 december 2024 onder toezicht van de autoriteiten was onttrokken. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het besluit tot verlenging van de overdrachtstermijn bleef in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen de verlenging van de overdrachtstermijn wegens onderduiken wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.