ECLI:NL:RBDHA:2025:16424
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000
Eiser werd op 11 juli 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde dat zijn ophouding onrechtmatig was omdat geen geldig identiteitsbewijs aanwezig was en dat de gronden voor bewaring onvoldoende waren gemotiveerd.
De rechtbank stelde vast dat eiser in het bezit was van een fouilleringsformulier waarmee zijn identiteit kon worden vastgesteld en dat de maatregel terecht was opgelegd vanwege het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken. De rechtbank verwierp het betoog dat eiser daadwerkelijk Nederland had verlaten en een bestendig bestaan elders had opgebouwd.
Verder oordeelde de rechtbank dat verweerder terecht geen lichter middel toepaste en voortvarend had gehandeld bij het vertrek van eiser. De stelling van een verkapte vreemdelingrechtelijke staandehouding werd eveneens verworpen.
De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring rechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.