Eiser, van Syrische nationaliteit, werd op 26 juni 2025 strafrechtelijk aangehouden en aansluitend vreemdelingenrechtelijk opgehouden en in bewaring gesteld op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser voerde aan dat de ophouding onrechtmatig was, dat de minister onjuiste grondslagen gebruikte en dat niet voldaan was aan de voorwaarden voor bewaring, waaronder het ontbreken van noodzakelijke bescheiden.
De rechtbank oordeelde dat de minister de juiste grondslagen hanteerde voor ophouding en bewaring en dat de voorwaarden van artikel 59, tweede lid, Vw waren vervuld. Hoewel eiser terecht stelde dat de informatieplicht uit artikel 5.3 van het Vreemdelingenbesluit 2000 was geschonden omdat de informatiebrief niet in een voor hem begrijpelijke taal was, leidde dit gebrek niet tot onrechtmatigheid van de bewaring, omdat eiser voldoende in staat was zijn rechtsmiddelen effectief uit te oefenen.
Eiser stelde ook dat de minister onvoldoende voortvarend handelde en ten onrechte geen lichter middel toepaste, maar de rechtbank verwierp deze gronden. De minister had voldoende stappen ondernomen en de familiebanden van eiser rechtvaardigden geen lichtere maatregel. Het beroep werd ongegrond verklaard, het verzoek om schadevergoeding afgewezen en de minister werd veroordeeld in de proceskosten van eiser.