ECLI:NL:RVS:2021:134
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- G.M.H. Hoogvliet
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake vreemdelingenbewaring wegens motiveringsgebrek
De vreemdeling werd op 20 augustus 2020 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond, oordeelde dat de maatregel van bewaring onvoldoende was gemotiveerd en beval opheffing van de bewaring met toekenning van schadevergoeding.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in bij de Raad van State. Deze oordeelde dat de motivering van de maatregel van bewaring wel degelijk voldoende was, omdat het risico op ontduiking van toezicht en uitzettingsprocedure duidelijk was onderbouwd. De rechtbank had onvoldoende onderkend dat een lichtere maatregel niet volstond.
Verdere beroepsgronden van de vreemdeling, zoals onduidelijkheid over zijn identiteit, het ontbreken van contactmogelijkheden met verwanten, en het ontbreken van uitzicht op uitzetting, werden eveneens verworpen. De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond.