ECLI:NL:RBDHA:2025:1217

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 januari 2025
Publicatiedatum
3 februari 2025
Zaaknummer
NL25.3016
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 30 VwVerordening (EU) nr. 604/2014Handvest van de grondrechten van de Europese UnieVerdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
Verwijzingen
17 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublin-verordening

Eiser, een Syrische nationaliteit dragende persoon, diende op 1 november 2024 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Bulgarije verantwoordelijk werd geacht op grond van de Dublin-verordening, gezien een eerdere aanvraag in Bulgarije op 26 augustus 2024.

Eiser voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet toepasbaar is vanwege de slechte opvang en het ontbreken van effectieve rechtsmiddelen in Bulgarije, onderbouwd met het AIDA-rapport 2023 en eerdere uitspraken van de rechtbank Rotterdam. De rechtbank stelde vast dat eiser procesbelang heeft ondanks zijn vertrek uit Nederland en dat het beroep ontvankelijk is.

De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat hij bij overdracht aan Bulgarije een reëel risico loopt op onmenselijke of vernederende behandeling. Recente jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ondersteunt dit oordeel.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees zij een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.3016

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. S.A.M. Fikken),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Bulgarije daarvoor verantwoordelijk is.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Awb [1] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2997 en de Syrische nationaliteit te hebben. Hij heeft op 1 november 2024 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw, [2] omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. In dit artikel is bepaald dat een asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Dublinverordening [3] is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 26 augustus 2024 in Bulgarije een verzoek tot internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft op 16 december 2024 een terugnameverzoek gestuurd naar de autoriteiten van Bulgarije. De autoriteiten van Bulgarije zijn op 19 december 2024 akkoord gegaan met het terugnameverzoek.
3. Eiser voert aan dat verweerder niet kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Bulgarije. Uit het rapport van AIDA over Bulgarije van 2023 blijkt dat eiser bij overdracht naar Bulgarije geen opvang krijgt, daartegen geen effectief rechtsmiddel kan aanwenden en daardoor een reëel risico loopt om buiten zijn eigen wil en keuzes terecht te komen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie. Eiser beroept zich hierbij op de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 23 december 2024 en 9 januari 2025. [4]
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. De rechtbank ziet zich allereerst ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij zijn beroep, nu in het bestreden besluit is vermeld dat eiser op of omstreeks 10 januari 2025 met onbekende bestemming is vertrokken. De gemachtigde van eiser heeft desgevraagd kenbaar gemaakt per e-mail contact te hebben met eiser en dat eiser in de opvang verblijft in [plaats] . Gelet hierop bestaat naar het oordeel van de rechtbank procesbelang. Het beroep is ontvankelijk.
5. Het uitgangspunt is dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). Dit betekent dat verweerder er in beginsel op mag vertrouwen dat de behandeling van eiser in Bulgarije in overeenstemming is met de bepalingen van het Handvest, [5] het Vluchtelingenverdrag en het EVRM. [6] Eiser is er niet in geslaagd om het vermoeden dat Bulgarije zijn internationale verplichtingen tegenover hem zal nakomen te weerleggen.
6. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Bulgarije een reëel risico loopt om in een onmenselijke of vernederende situatie in de zin van artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM terecht te komen als gevolg van een fundamentele structurele systeemfout in de asielprocedure of opvangvoorzieningen aldaar. Daarbij is terecht van belang geacht dat uit recente rechtspraak van de Afdeling [7] volgt dat in zijn algemeenheid ten opzichte van Bulgarije mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling van 23 mei 2024, [8] 3 juni 2024, [9] 27 juni 2024, [10] 19 augustus 2024 [11] en 29 oktober 2024. [12] In deze uitspraken zijn de zorgen over de toegang tot en de situatie in de opvangcentra en de toegang tot rechtsbijstand betrokken. In de uitspraak van 27 juni 2024 heeft de Afdeling uitdrukkelijk het door eiser genoemde het AIDA-rapport over 2023 bij haar beoordeling heeft betrokken en hierover heeft geoordeeld dat dit niet tot de conclusie leidt dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan ten aanzien van Bulgarije. De rechtbank ziet in wat eiser aanvoert geen aanleiding voor een ander oordeel. Dat zittingsplaats Rotterdam in haar tussenuitspraak van 23 december 2024 en de einduitspraak van 9 januari 2025 het rapport van AIDA anders waardeert dan de Afdeling is daartoe onvoldoende.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 31 januari 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Vreemdelingenwet 2000.
3.Verordening (EU nr. 604/2014).
5.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
6.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
7.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.