AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toewijzing voorlopige voorziening voor MVV-aanvraag gezinshereniging uit Gaza wegens zwaarwegend spoedeisend belang
Verzoekers, Palestijnse staatslozen uit Gaza, vroegen om MVV’s voor gezinshereniging bij referent in Nederland. Verweerder wees de aanvragen af omdat de gezinsband met ouders zou zijn verbroken en geen bijkomende afhankelijkheid bestond, hoewel hechte banden met broertje en zusje werden erkend. De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek om een voorlopige voorziening gegrond is vanwege het zwaarwegend spoedeisend belang door de levensbedreigende situatie in Gaza en de sterke twijfel aan de rechtmatigheid van het besluit.
De rechtbank stelde vast dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom referent niet onder het jongvolwassenenbeleid valt en waarom er geen sprake is van bijkomende afhankelijkheid. Ook was de belangenafweging ten aanzien van de broertje en zusje onjuist, omdat de humanitaire omstandigheden in Gaza en het belang van het kind onvoldoende waren meegewogen. De voorzieningenrechter concludeerde dat het gezinsleven met ouders en minderjarige broers en zussen bestaat en dat het verblijf in Gaza levensgevaarlijk is.
De rechtbank bepaalde dat verweerder binnen twee weken de MVV’s moet verstrekken en veroordeelde verweerder tot betaling van de proceskosten. De uitspraak is definitief en er is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en verweerder moet binnen twee weken MVV’s verstrekken aan verzoekers.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.26179
V-nummers: 295.045.4103, 295.045.4375, 295.045.4591 en 295.045.4753
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoekster 1] , verzoekster 1,
[verzoeker 1], verzoeker 1,
[verzoeker 2], verzoeker 2,
[verzoekster 2], verzoekster 2,
hierna ook: verzoekers,
(gemachtigde: mr. N. Vollebergh),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. M.H.S. Volker).
Procesverloop
Bij besluit van 21 juni 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvragen van verzoekers om verlening van mvv’s [1] met het verblijfsdoel ‘Verblijf als familie- of gezinslid bij [referent] ’ (hierna: referent) afgewezen. Verzoekers en referent hebben tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 4 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij hebben verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopig voorziening op 26 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen referent, met als tolk [tolk] in de Arabische taal, de gemachtigde van verzoekers, en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
1. Verzoekers hebben verzocht om vrijstelling van het griffierecht wegens betalingsonmacht. De rechtbank heeft het verzoek om een vrijstelling voorlopig toegewezen. Met het door verzoekers overgelegde formulier hebben zij voldoende aannemelijk gemaakt dat zij voldoen aan de voorwaarden voor vrijstelling. Het verzoek om vrijstelling van het griffierecht wordt definitief toegewezen.
2. Verzoekers stellen te zijn geboren op respectievelijk [datum 1] 1978, [datum 2] 1974, [datum 3] 2008 en [datum 4] 2013, en staatloze Palestijnen afkomstig uit Gaza te zijn. Referent is de zoon van verzoekster 1 en verzoeker 1 en hij is de oudere broer van verzoeker 2 ( [verzoeker 2] ) en verzoekster 2 ( [verzoekster 2] ). Aan referent is bij besluit van 1 februari 2024 een asielvergunning verleend. Op 24 april 2024 heeft referent om gezinshereniging verzocht met zijn vader, moeder, [verzoeker 2] en [verzoekster 2] .
3. Verweerder heeft de aanvragen bij het primaire besluit afgewezen en die beslissing bij het bestreden besluit gehandhaafd, en stelt daartoe als volgt. Referent valt niet onder het jongvolwassenenbeleid. De gezinsband tussen referent en zijn ouders is verbroken, omdat referent stappen heeft gezet naar zelfstandigheid. Referent woont namelijk al geruime tijd zelfstandig en voorziet in zijn eigen levensonderhoud. Voorafgaand aan zijn vertrek uit Gaza op 14 juli 2021 heeft referent ook al gewerkt, wat maakt dat hij in die periode eveneens stappen naar zelfstandigheid heeft gezet. Verder bestaat tussen referent en zijn ouders geen meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Er zijn geen bijkomende elementen van afhankelijkheid. Het gezinsleven met zijn ouders als bedoeld in artikel 8 vanPro het EVRM [2] is dan ook niet aangetoond. Er bestaan wel hechte persoonlijke banden tussen referent en [verzoeker 2] en [verzoekster 2] . Er is dus sprake van gezinsleven tussen hen. De gemaakte belangenafweging tussen de belangen van de Nederlandse Staat enerzijds en het belang van referent om het gezinsleven met [verzoeker 2] en [verzoekster 2] in Nederland uit te oefenen aan de andere kant, valt in het nadeel van referent uit. In dat verband stelt verweerder dat niet wordt miskend dat de humanitaire situatie in Gaza zorgwekkend is. Echter zijn deze omstandigheden asielgerelateerd en hebben geen invloed op de band tussen referent en [verzoeker 2] en [verzoekster 2] . Zij worden dus ook niet meegewogen in de belangenafweging.
4. Verzoekers vragen de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen waarbij wordt bepaald dat verweerder aan hen mvv’s verstrekt, waardoor toegang wordt verschaft tot het Nederlands grondgebied. Verzoekers onderbouwen hun verzoek als volgt. Zij kunnen het normale beloop van de procedure niet afwachten. Onder verwijzing naar openbare en gezaghebbende bronnen is in Gaza sprake van levensbedreigende en mensonterende omstandigheden. Zij dreigen slachtoffer te worden van een genocide, dan wel genocidaal geweld. De bevolking in Gaza wordt actief uitgehongerd. De geboden voedselhulp is te weinig en te laat, en bovendien is het levensgevaarlijk om deze hulp daadwerkelijk af te halen op de uitgiftepunten. Er is dan ook sprake is van spoedeisend belang. Verder heeft het beroep redelijke kans van slagen. Verweerder heeft namelijk ten onrechte geen gezinsleven tussen referent en zijn ouders aangenomen. Ten aanzien van [verzoeker 2] en [verzoekster 2] heeft verweerder geen fair balance gevonden in de gemaakte belangenafweging.
5. Verweerder heeft zich ter zitting desgevraagd op het standpunt gesteld dat wel sprake is van spoedeisend belang, maar dat het verzoek dient te worden afgewezen omdat de gevraagde voorziening geen tijdelijk karakter heeft. Indien het verzoek wordt toegewezen, wordt verweerder voor een voldongen feit gesteld. Daarnaast heeft het beroep geen redelijke kans van slagen.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.
6. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb [3] kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorzieningen treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in het bodemgeding niet.
7. De voorziening die door verzoekers is gevraagd heeft geen voorlopig karakter, omdat toewijzing hiervan er toe leidt dat verzoekers Nederland mogen inreizen. Door toewijzing van het verzoek ontstaat dus feitelijk de situatie die verzoekers met de aanvragen hebben beoogd .De gevolgen van de toewijzing van de voorlopige voorziening is in die zin onomkeerbaar, waardoor verweerder voor een voldongen feit wordt gesteld. Voor zo’n vergaande beslissing is in beginsel alleen plaats wanneer een zwaarwegend spoedeisend belang daartoe dwingt en sterk getwijfeld moet worden aan de rechtmatigheid van het besluit.
Is sprake van zwaarwegend spoedeisend belang?
8. Zonder de rol van Hamas bij de gebeurtenissen in Gaza te negeren of te bagatelliseren, zijn er duidelijke aanwijzingen dat sprake is van geweld met een genocidaal karakter door Israël gericht tegen de bevolking van Gaza. [4] Daarnaast zijn er voldoende aanwijzingen dat het internationaal humanitair oorlogsrecht wordt geschonden door Israël, eveneens gericht tegen de bevolking van Gaza. [5] Dit gebeurt door onder meer het afsluiten van de Gazastrook en het collectief bestraffen van de hele bevolking door bewust voedsel en medicijnen niet of slechts uitermate beperkt toe te laten. [6] Er zijn tegenwoordig enkele distributiepunten opgezet, overwegend in het zuiden van Gaza, waar voedselpakketten verstrekt worden. Deze zijn per dag echter slechts zeer beperkt geopend, en uit bronnen blijkt dat de inwoners van Gaza die deze pakketten proberen af te halen regelmatig onder vuur worden genomen door Israëlische troepen, herhaaldelijk met dodelijk gevolg. [7] Verder worden bombardementen uitgevoerd op gebouwen als ziekenhuizen [8] en scholen. [9] Woningen en andere burgerdoelen worden op grote schaal vernietigd. De elektriciteit en het internet in Gaza zijn afgesloten. [10] Door het gebrek aan brandstofvoorziening is er nog maar nauwelijks schoon drinkwater aanwezig. Verwacht wordt dat, indien Israël de aanvoer van brandstof niet weer toestaat in Gaza, ook de overgebleven nog functionerende drinkwatervoor-zieningen op korte termijn zullen uitvallen. [11] Vaststaat dat inmiddels vele tienduizenden inwoners van Gaza door dit geweld en de omstandigheden waarin zij moesten verblijven om het leven zijn gekomen. [12] Het is zeer onwaarschijnlijk dat aan de hier omschreven situatie op afzienbare termijn een einde zal komen. Het door referent beoogde gezinsleven met zijn ouders, broertje en zusje komt daarmee direct en rechtstreeks in gevaar, nu zijn gezinsleden dagelijks een aanzienlijk risico lopen om hier (dodelijk) slachtoffer van te worden. Hiermee is naar het oordeel van de voorzieningenrechter een zwaarwegend spoedeisend belang gegeven.
Kan sterk worden getwijfeld aan de rechtmatigheid van het besluit, en heeft het beroep derhalve redelijke kans van slagen?
Het jongvolwassenenbeleid en de bijkomende elementen van afhankelijkheid
9. Verweerder gebruikt het jongvolwassenenbeleid om vast te stellen of tussen een meerderjarig kind en zijn ouder(s) familie- of gezinsleven bestaat als bedoeld in artikel 8 vanPro het EVRM zonder dat verweerder daarvoor bijkomende elementen van afhankelijkheid vereist. Het jongvolwassenenbeleid bevat vier cumulatieve vereisten: het meerderjarig kind moet jongvolwassen zijn, met zijn ouder(s) in gezinsverband samenleven, niet in zijn eigen onderhoud voorzien, en geen zelfstandig gezin hebben gevormd. [13]
10. De Afdeling [14] heeft in haar uitspraak van 29 mei 2024 [15] geoordeeld dat het jongvolwassenenbeleid niet in strijd is met enige rechtsregel en niet onredelijk is. Over het vereiste ‘niet in zijn eigen onderhoud voorzien’ oordeelt de Afdeling dat verweerder bij de toepassing van dat vereiste alle individuele omstandigheden betrekt in het licht van de vraag of een kind na het bereiken van de meerderjarige leeftijd feitelijk is blijven behoren tot het gezin van zijn ouder(s). Verweerder dient kenbaar te betrekken wat betrokkenen aanvoeren als aanleiding en reden voor het voorzien in eigen onderhoud, ook als dit niet een vluchtgerelateerde omstandigheid is. Dit type omstandigheden kan namelijk ook informatie geven voor het antwoord op de vraag of het meerderjarig kind daadwerkelijk financieel onafhankelijk is van zijn ouder(s).
11. Als een meerderjarig kind geen geslaagd beroep kan doen op het jongvolwassenenbeleid, beoordeelt verweerder of dat kind en zijn ouder(s) familie- of gezinsleven hebben op grond van het vereiste van bijkomende elementen van afhankelijkheid. [16]
12. Als verweerder zich op het standpunt stelt dat tussen het meerderjarige kind en zijn ouder(s) geen familie- of gezinsleven bestaat op grond van het jongvolwassenenbeleid én ook niet op grond van bijkomende elementen van afhankelijkheid, hoeft hij geen belangenafweging te maken in het kader van artikel 8 vanPro het EVRM. [17]
13. De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat niet in geschil is dat referent voordat hij Gaza verliet (14 juli 2021) thuis woonde bij zijn ouders, broertje en zusje, en daarmee onderdeel was van het gezin. Ook is niet in geschil dat hij op het moment van vertrek 23 jaar oud was, en dat hij hiermee zonder meer binnen de leeftijdsgrenzen van het jongvolwassenenbeleid viel.
14. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat ook overige omstandigheden van belang kunnen zijn in het licht van de vraag of een kind na het bereiken van de meerderjarige leeftijd feitelijk is blijven behoren tot het gezin van zijn ouder(s). Verweerder kan ook contra-indicaties tegenwerpen. Een contra-indicatie kan echter niet worden tegengeworpen als die contra-indicatie het gevolg is van een vluchtsituatie. Als het meerderjarig kind noodgedwongen zelfstandig is geworden, door bijvoorbeeld een vluchtsituatie, mag verweerder dit alleen tegenwerpen als dat kind zich zelfstandig en moeiteloos handhaaft. Volgens de Afdeling kan die beoordeling ook in reguliere zaken van belang zijn om bij de vaststelling van familie- of gezinsleven zonder bijkomende elementen van afhankelijkheid rekening te houden met bijvoorbeeld een vluchtachtergrond van betrokkenen en om inzicht te geven in de mate van zelfstandigheid van een meerderjarig kind. Ten aanzien van het element 'zich zelfstandig en moeiteloos kunnen handhaven' heeft de Afdeling geoordeeld dat verweerder mag aannemen dat de gezinsband verbroken is als het meerderjarige kind zelfstandig is gaan wonen en er ten tijde van de mvv-aanvraag in is geslaagd zijn leven zelfstandig vorm te geven. [18] Hieraan is niet voldaan als een meerderjarig kind slechts noodgedwongen de noodzakelijke stappen heeft ondernomen om zichzelf staande te kunnen houden.
15. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat het vertrek van referent uit Gaza niet volledig als een vrijwillige keuze kan worden gezien. Dat hij inmiddels zelfstandig woont is dan ook een noodzakelijk gevolg van zijn vlucht uit Gaza én van het feit dat hij niet meer met zijn ouders in Gaza kan wonen. Verweerder heeft in het bestreden besluit bij het tegenwerpen van de woonsituatie en het inkomen van referent nagelaten te motiveren of de stappen die referent heeft gezet het gevolg zijn van een niet-vrijwillig vertrek. Ook heeft verweerder nagelaten kenbaar bij zijn beoordeling te betrekken of de stappen die referent heeft gezet noodgedwongen zijn geweest om zichzelf staande te kunnen houden.
16. Over de voorwaarde dat referent in zijn eigen levensonderhoud voorziet, wordt als volgt overwogen. Referent heeft in de periode voorafgaand aan zijn vertrek verschillende baantjes gehad in Gaza. Verweerder heeft onweersproken gelaten dat het geld wat referent daarmee verdiende een noodzakelijk deel van het gezinsbudget was. Het enkele pensioen van vader was onvoldoende voor het gezin om rond te komen en het gezin heeft ook geld moeten lenen. Dat referent geld verdiende door te werken hield dan ook geen verband met financiële onafhankelijkheid en zelfstandig worden, maar met het zorgen voor voldoende inkomen voor het gehele gezin. De voorzieningenrechter volgt dan ook niet dat referent in Gaza voorafgaand aan zijn vertrek aldus stappen naar zelfstandigheid heeft gezet. De omstandigheid dat eiser sinds zijn vertrek uit Gaza in Nederland in zijn eigen levensonderhoud voorziet is eveneens een gevolg van zijn niet-vrijwillig vertrek uit Gaza.
17. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter mag de gestelde zelfstandigheid van referent in relatie tot zijn woonsituatie en zijn inkomsten hem dan ook niet zonder meer worden tegengeworpen. Onder deze omstandigheden heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat de gezinsband met zijn ouders is verbroken.
18. Verweerder overweegt verder dat referent niet meer dan normaal afhankelijk is van zijn ouders en zijn ouders ook niet van hem. Daartoe stelt hij onder meer dat de ouders van referent niet financieel afhankelijk van referent zijn.
19. Niet in geschil is dat referent in Nederland geld verdient door te werken en een COa [19] -bijdrage ontvangt, waarvan hij tenminste de helft via informele wegen aan zijn ouders stuurt. Het is onweersproken gebleven dat dit geld voor het gezin in Gaza een belangrijke bron van inkomsten is. In het bestreden besluit wordt erkend dat de ouders en ook [verzoeker 2] en [verzoekster 2] financieel afhankelijk van referent zijn. Verweerder heeft in dit kader onvoldoende meegewogen dat verzoekers, gelet op de huidige situatie in Gaza, niet of nauwelijks zelf kunnen voorzien in hun levensonderhoud en daarom, naar mag worden aangenomen, op zijn minst grotendeels afhankelijk zijn van het geld dat zij ontvangen van referent. Voor zover verweerder hen tegenwerpt dat zij ook geld kunnen lenen om zichzelf te onderhouden, geldt dat referent nog altijd de persoon is die deze schulden vervolgens afbetaalt, zoals volgt uit zijn verklaring tijdens de hoorzitting. [20] Onder de huidige omstandigheden in Gaza, met een chronisch gebrek aan voedsel, is voorts zonder meer aannemelijk dat de voedselprijzen enorm zijn gestegen. De financiële ondersteuning door referent van zijn familie is daarmee des te belangrijker geworden. Voor zover ook de in Nederland verblijvende broer van referent bijdraagt zal dat wellicht aanzienlijk minder zijn, aangezien hij slechts een COa-bijdrage ontvangt. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat onvoldoende is gemotiveerd waarom dit niet wordt aangemerkt als een bijkomend element van afhankelijkheid.
20. Uit het voorgaande volgt dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom referent niet onder het jongvolwassenenbeleid valt en dat er geen sprake is van meer dan gebruikelijke afhankelijkheid tussen referent en zijn ouders. Gelet hierop is dan ook onvoldoende gemotiveerd waarom geen gezinsleven als bedoeld in artikel 8 vanPro het EVRM is aangenomen tussen referent en zijn ouders.
Belangenafweging
21. Uit de jurisprudentie van het EHRM [21] volgt dat de vraag of tussen meerderjarige en minderjarige broers of zussen familie- en gezinsleven bestaat een kwestie is van feitelijke aard en afhankelijk van het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden. [22] Als verweerder vindt dat hechte persoonlijke banden aanwezig zijn, is hij gehouden een belangenafweging te maken. In de belangenafweging dient hij het belang van de Nederlandse Staat af te wegen tegen de belangen van [verzoeker 2] en [verzoekster 2] bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven met referent. In de belangenafweging moet verweerder in ieder geval de omstandigheden betrekken die hij ten grondslag heeft gelegd aan zijn conclusie dat er familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8, eerste lid, van het EVRM bestaat. [23]
22. Verweerder heeft aangenomen dat tussen referent en [verzoeker 2] en [verzoekster 2] hechte persoonlijke banden bestaan. Nu tussen hen sprake is van gezinsleven, heeft verweerder een belangenafweging gemaakt. De voorzieningenrechter toetst vol of verweerder daarbij alle relevante belangen heeft betrokken en moet enigszins terughoudend toetsen of alle belangen evenwichtig zijn afgewogen. Naar voorlopig oordeel kan de afweging van de belangen niet in stand blijven om de navolgende redenen.
23. Voor zover verweerder overweegt dat de omstandigheden in Gaza asielgerelateerde aspecten zijn en deze niet van invloed zijn op de band tussen referent en [verzoeker 2] en [verzoekster 2] , en dan ook niet worden meegewogen in de belangenafweging, wordt dit niet gevolgd. Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat asielgerelateerde omstandigheden een rol kunnen spelen bij de belangenafweging die in het kader van artikel 8 vanPro het EVRM moet worden gemaakt. [24] In het geval van verzoekers zijn deze omstandigheden bovendien van directe invloed op een aantal belangen die verweerder moet wegen, zoals de aard en intensiteit van het gezinsleven, de binding met het land van herkomst, en het belang van het kind. Dit zal hieronder worden toegelicht.
24. Wat betreft de aard en intensiteit van het gezinsleven heeft verweerder overwogen dat het gezinsleven niet in Nederland uitgeoefend hoeft te worden en de band op afstand onderhouden kan worden. Doordat referent zelfstandiger is geworden, heeft hij minder steun van [verzoeker 2] en [verzoekster 2] nodig. Dat zij niet naar Nederland kunnen komen, maakt dan ook minder grote inbreuk op het gezinsleven. De voorzieningenrechter wijst er allereerst op dat de Afdeling heeft geoordeeld dat het onvermijdelijk is dat een jongvolwassen referent na het indienen van een gezinsherenigingsaanvraag ouder en zelfstandiger wordt en dit brengt met zich dat verweerder daaraan in de belangenafweging in beginsel slechts beperkt gewicht mag toekennen in het nadeel van betrokkenen. [25] Daarnaast is niet te volgen dat het gezinsleven op afstand onderhouden kan worden. Gezien de huidige situatie in Gaza is dit immers zeer onrealistisch. Verzoekers verblijven in een gebied zonder elektriciteit of toegang tot het internet, waarbij zij de nodige kilometers moeten lopen richting de Egyptische grens om een telefoonsignaal op te vangen. Referent heeft tijdens de hoorzitting verklaard dat er soms periodes van twintig dagen voorbij gaan waarbij contact met elkaar volstrekt onmogelijk is. Bovendien is de situatie en de toekomst van verzoekers in Gaza zeer onvoorspelbaar, waardoor niet kan worden ingezien op basis van welke feiten en omstandigheden verweerder meent dat het contact op afstand bestendig kan worden voortgezet. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom in het nadeel wordt meegewogen dat het gezinsleven niet in Nederland uitgevoerd hoeft te worden, nu het gezinsleven op afstand uitoefenen nagenoeg onmogelijk en niet toekomstbestendig is.
25. Ook is onvoldoende gemotiveerd waarom de binding van verzoekers met het land van herkomst (Gaza), al is het licht, in het nadeel van referent wordt gewogen. Hoewel verweerder terecht opmerkt dat verzoekers bekend zijn met de taal en cultuur, laat dit onverlet dat het Gaza waar verzoekers binding mee hebben gehad als gevolg van recente ontwikkelingen in grote mate is verwoest en niet meer bestaat. Verzoekers verblijven in een geïmproviseerd tentenkamp. Veel familie en vrienden van verzoekers zijn omgekomen. De binding die verzoekers hebben met Gaza is volgens verzoekers dan ook niet meer aanwezig, wat de voorzieningenrechter voorstelbaar en reëel acht. Verweerder heeft onvoldoende kenbaar de huidige omstandigheden in Gaza bij de weging van dit belang betrokken.
26. Verder heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom het in het belang van [verzoeker 2] en [verzoekster 2] is om bij hun ouders in Gaza te verblijven in plaats van bij referent in Nederland. Daartoe heeft verweerder niet kenbaar de hiervoor genoemde omstandigheden in Gaza betrokken. De kinderen verkeren dagelijks in levensgevaar. Het gebied waar verzoekers verblijven is ernstig getroffen en grotendeels verwoest. Het verblijf van verzoekers in een geïmproviseerd tentenkamp, zonder voldoende voedsel, medische voorzieningen of veiligheid, is niet in het belang van de kinderen. Indien de kinderen in Nederland kunnen verblijven, hebben zij toegang tot basale levensbehoeften zoals voedsel, medische zorg en onderwijs. Onder de gegeven omstandigheden lijkt een verblijf van [verzoeker 2] en [verzoekster 2] bij referent in Nederland dan ook duidelijk meer in hun belang dan een langer verblijf bij hun ouders in Gaza. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat hiervoor reeds is geoordeeld dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat er geen sprake is van familie- en gezinsleven tussen referent en zijn ouders. Indien verweerder wel had aangenomen dat sprake is van gezinsleven tussen referent en zijn ouders, had verweerder bij het bepalen van het belang van het kind niet hoeven kiezen tussen enerzijds verblijf bij ouders in Gaza en anderzijds verblijf bij referent in Nederland, aangezien verweerder dan ook had kunnen overwegen dat verzoekers allen in Nederland bij referent kunnen verblijven.
27. Daarnaast laat verweerder het economisch belang van de Nederlandse Staat zwaar in het nadeel van referent wegen. Uit de uitspraken van de Afdeling van 4 december 2024 [26] en 11 februari 2025 [27] volgt dat de belangenafweging ruimte moet bieden voor flexibiliteit, omdat verweerder van referent en verzoekers niet het onmogelijke mag verwachten om in aanmerking te kunnen komen voor gezinshereniging. Dit betekent ook dat verweerder in zijn beoordeling rekening moet houden met wat hij redelijkerwijs van referent mag verwachten om financiële zelfstandigheid te verkrijgen voor hem en zijn gezinsleden. Voor het antwoord op die vraag komt betekenis toe aan de individuele situatie van referent. Daarbij moet verweerder ook de leeftijd van referent en zijn inspanningen om werk te krijgen betrekken. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder de leeftijd van referent niet kenbaar heeft betrokken in de beoordeling. Verder blijkt uit de door referent overgelegde stukken en zijn verklaringen dat hij sinds zijn aankomst in Nederland diverse banen heeft gehad om geld te verdienen. Daarnaast heeft hij tijdens de hoorzitting verklaard zich vol te willen inzetten op zijn inburgering en het leren van Nederlands om zo zijn kansen op de arbeidsmarkt te vergroten. [28] Hij gaat daarvoor nu ook naar een taalschool. Deze omstandigheden wijzen erop dat referent inspanningen verricht om een baan te kunnen krijgen en zichzelf en verzoekers te kunnen onderhouden. Ook zijn dit type inspanningen stappen die passen in de levensfase van een jongvolwassene als referent. Verweerder heeft het voorgaande ten onrechte niet betrokken bij zijn waardering van het economisch belang van Nederland. Er is dan ook onvoldoende gemotiveerd waarom het economisch belang zwaar in het nadeel van referent weegt.
28. Ten slotte is het de voorzieningenrechter onduidelijk waarom bij de verrichte belangenafweging ten aanzien van [verzoeker 2] en [verzoekster 2] zwaar in het nadeel van referent wordt meegewogen dat volgens verweerder geen familie- en gezinsleven bestaat tussen referent en zijn ouders. Dit wordt in het bestreden besluit niet nader toegelicht.
29. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat verweerder de belangenafweging in het kader van artikel 8 vanPro het EVRM ten onrechte in het nadeel van referent heeft laten uitvallen.
Conclusie en gevolgen
30. Zoals eerder overwogen is sprake van een zwaarwegend spoedeisend belang en kan eveneens worden geconcludeerd dat sprake is van sterke twijfel aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
31. Dit brengt de voorzieningenrechter ertoe dat hij bepaalt dat aan verzoekers de gevraagde mvv’s worden verstrekt. Verweerder dient daartoe de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in Caïro (Egypte), dan wel na en in overleg met referent/verzoekers een Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging elders, te machtigen de mvv’s aan verzoekers te verstrekken. De mvv’s dienen zo spoedig mogelijk en in ieder geval binnen twee weken na de datum van deze uitspraak te worden verstrekt, gelet op de huidige situatie in Gaza en het dagelijkse risico dat verzoekers daar lopen.
32. Verzoekers krijgen een vergoeding van hun proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814 omdat de gemachtigde van verzoekers een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. [29]
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
- bepaalt dat verweerder aan verzoekers een machtiging tot voorlopig verblijf verleent als hierboven onder rechtsoverweging 31 nader omschreven;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.814.
Deze uitspraak is gedaan op 3 juli 2025 door mr. K.M. de Jager, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Voetnoten
1.Machtigingen tot voorlopig verblijf.
2.Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
3.Algemene wet bestuursrecht.
4.De voorzieningenrechter verwijst hiervoor naar de zaak die door Zuid-Afrika aanhangig is gemaakt bij het Internationaal Gerechtshof (IGH). Zuid-Afrika heeft een verzoek ingediend om voorlopige maatregelen te treffen tegen Israël, omdat het land Israël beschuldigt van het plegen van genocide tegen Palestijnen in Gaza. Door het IGH is bij tussenvonnis geoordeeld dat in ieder geval een deel van de claims plausibel zijn. IGH van 26 januari 2024,
5.United Nations Office of the High Commissioner for Human Rights (OHCHR),
6.Zie hiervoor bijvoorbeeld: Artsen zonder Grenzen,
7.Human Rights Watch,
8.Human Rights Watch,
9.Human Rights Watch,
10.United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Near East (UNRWA),
11.UNICEF,
12.De Palestijnse Gezondheidsautoriteit in Gaza heeft recentelijk vermeld dat sinds de gebeurtenissen op 7 oktober 2023 meer dan 56.000 Palestijnen zijn omgekomen en dat meer dan 132.000 mensen gewond zijn geraakt. The Guardian,
13.Paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
14.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.