Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning voor arbeid als zelfstandige, welke door de minister is afgewezen wegens het ontbreken van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en het ontbreken van een vrijstelling van dit vereiste. Eiser betwist deze afwijzing en voert onder meer aan dat het mvv-vereiste in strijd is met het Turks associatierecht en dat hij in de bezwaarprocedure had moeten worden gehoord.
De rechtbank oordeelt dat het mvv-vereiste niet in strijd is met het Turks associatierecht. De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken waarin is vastgesteld dat het mvv-vereiste gerechtvaardigd is, er sprake is van een dwingende reden van algemeen belang, en het vereiste proportioneel en evenredig is. Ook is geen sprake van indirecte discriminatie.
Verder stelt de rechtbank dat de minister niet verplicht was eiser in de bezwaarprocedure te horen, omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was en uitsluitend juridische gronden bevatte die reeds in eerdere uitspraken zijn beoordeeld. De enkele summiere motivering van de minister is voldoende.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor de afwijzing van de aanvraag in stand blijft. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan door rechter D. Bruinse-Pot en griffier S.J.B. ter Beke.