Uitspraak
.
Rechtbank Den Haag
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister om de overdrachtstermijn in het kader van de Dublinprocedure met achttien maanden te verlengen vanwege vermeend onderduiken.
De minister baseert het verlengingsbesluit op meerdere feiten, waaronder het niet verschijnen van eiseres bij geplande overdrachten, het wegvluchten tijdens meldmomenten, het niet nakomen van vorderingen tot persoonlijk verschijnen en het verlaten van haar kamer zonder persoonlijke bezittingen achter te laten. Eiseres ontkent onderduiken en voert aan dat zij ziek was, niet verplicht was continu op haar kamer te blijven en dat zij zich wel degelijk heeft gemeld.
De rechtbank weegt de feiten en stelt vast dat eiseres onvoldoende heeft weersproken dat zij zich doelbewust buiten bereik van de autoriteiten heeft gehouden. De rechtbank verwijst naar jurisprudentie over de uitleg van onderduiken in de Dublinverordening en concludeert dat de minister terecht de overdrachtstermijn heeft verlengd. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de verlenging van de overdrachtstermijn wegens onderduiken wordt ongegrond verklaard.