Uitspraak
1.ECLI:NL:RVS:2022:3630.
5.ECLI:NL:RBDHA:2023:10047.
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.187,50.
Rechtbank Den Haag
In deze bestuursrechtelijke zaak stond centraal of de opschorting van de overdrachtstermijn op grond van de Dublinverordening een besluit is waartegen beroep mogelijk is en of eiser nog procesbelang heeft bij zijn beroep. De rechtbank oordeelde dat het opschorten van de overdrachtstermijn een besluit is in de zin van artikel 1:3 Awb Pro, waartegen beroep kan worden ingesteld.
Eiser had tijdig beroep ingesteld tegen de opschorting van de overdrachtstermijn. Echter erkende de staatssecretaris dat de overdrachtstermijn ten onrechte was opgeschort en inmiddels was verlopen, en dat eiser niet zal worden overgedragen naar Zwitserland. De rechtbank concludeerde dat het opschortingsbesluit is uitgewerkt en dat het ontbreken van intrekking of vernietiging van het besluit geen procesbelang oplevert.
Daarnaast was het standpunt van de staatssecretaris dat eiser een nieuwe asielaanvraag moet indienen, maar dit bood geen aanleiding voor procesbelang binnen de Dublinprocedure. De rechtbank verklaarde het beroep daarom niet-ontvankelijk en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van eiser wegens het innemen van telkens gewijzigde standpunten tijdens de procedure.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang, met een proceskostenveroordeling tegen de staatssecretaris.