ECLI:NL:RBDHA:2024:1963
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op herziening WAO-dagloon wegens ontbreken nieuwe feiten en onmiskenbare onjuistheid
Eiser verzocht het UWV om herziening van zijn WAO-dagloon per 1 mei 2008, stellende dat de oorspronkelijke vaststelling onjuist was door onjuiste berekeningen en onvoldoende toepassing van wettelijke indexeringen. Het UWV wees dit verzoek af en verklaarde het bezwaar ongegrond. Eiser stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag.
De rechtbank overwoog dat de door eiser in beroep overgelegde stukken buiten beschouwing moeten blijven omdat deze niet tijdig in de bezwaarfase zijn ingebracht. De rechtbank stelde vast dat de oorspronkelijke besluiten van het UWV in rechte vaststaan en dat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat deze onmiskenbaar onjuist zijn. De door eiser overgelegde berekeningen waren onvoldoende transparant en konden niet leiden tot herziening.
Daarnaast stelde eiser dat de hoorplicht was geschonden omdat de hoorzitting in Groningen plaatsvond terwijl hij in Den Haag woont. De rechtbank oordeelde dat de plaats van de hoorzitting niet wettelijk is voorgeschreven en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij om medische redenen de hoorzitting niet kon bijwonen.
De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en dat het UWV terecht het verzoek tot herziening heeft afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door rechter D.R. van der Meer op 20 februari 2024.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het besluit van het UWV tot afwijzing van herziening van het WAO-dagloon wordt ongegrond verklaard.