ECLI:NL:RBDHA:2024:17916
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortduren maatregel bewaring en schadevergoeding in vreemdelingenrecht
In deze bestuursrechtelijke zaak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het voortduren van de maatregel van bewaring die op 30 maart 2024 is opgelegd op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Eerder heeft de rechtbank deze maatregel al meerdere malen getoetst en telkens als rechtmatig beoordeeld. De minister heeft de bewaring op 4 september 2024 opgeheven.
De rechtbank beperkt haar beoordeling tot de vraag of de tenuitvoerlegging van de maatregel voorafgaand aan de opheffing onrechtmatig was en of eiser recht heeft op schadevergoeding. De gemachtigde van eiser stelde dat er onduidelijkheid bestond over het vertrek van eiser en dat de minister onvolledig had geïnformeerd. De rechtbank concludeert echter dat de minister voldoende heeft toegelicht dat eiser op 4 september 2024 via het IOM is vertrokken en dat een parallelvlucht was aangevraagd als voorzorgsmaatregel.
Daarnaast voerde eiser aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel, omdat eiser zelf wilde vertrekken. De rechtbank oordeelt dat niet het opleggen maar het voortduren van de maatregel ter toetsing staat en dat het voortduren niet onevenredig bezwarend was. De minister heeft toegelicht dat het vaker voorkomt dat vreemdelingen van gedachten veranderen, wat het boeken van een parallelvlucht rechtvaardigt.
De rechtbank ziet geen grond om de rechtmatigheid van de maatregel te betwijfelen en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.