Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser,
(gemachtigde: mr. A. Bondarev).
Rechtbank Den Haag
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen, omdat Polen verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag op grond van de Dublinverordening. De minister heeft Nederland een verzoek tot overname naar Polen laten doen, dat door Polen is aanvaard.
Eiser stelde dat de detentie- en leefomstandigheden in Polen, alsmede de asielprocedure aldaar, in strijd zijn met artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 Handvest Pro en dat de minister onvoldoende onderzoek heeft verricht naar deze omstandigheden. Ook wees hij op het risico van uitzetting naar Tadzjikistan en het risico dat zijn aanvraag als herhaald wordt aangemerkt. De minister stelde zich op het standpunt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat hij mocht vertrouwen op de naleving van internationale verplichtingen door Polen.
De rechtbank oordeelt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel in dit geval van toepassing is en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Polen niet aan zijn internationale verplichtingen voldoet. De aangevoerde rapporten en artikelen dateren van vóór recente jurisprudentie die het vertrouwen in Polen bevestigt. Ook is niet gebleken dat eiser in zijn specifieke situatie een schending van zijn rechten zal ondervinden.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en laat het besluit tot niet in behandeling nemen van de aanvraag in stand. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter Esmeijer en griffier Kasper-Kleve.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.