ECLI:NL:RBDHA:2024:13475
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen voortduring bewaring vreemdeling afgewezen wegens rechtmatigheid en voortvarendheid
Eiser, een Algerijnse vreemdeling, maakte bezwaar tegen de voortzetting van zijn bewaring die op 8 mei 2024 was opgelegd op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde dat de maatregel opnieuw volledig getoetst moest worden en dat er sprake was van een gebrek aan juridische grondslag en een ongeldige mandatering van de ministeriële bevoegdheid.
De rechtbank oordeelde dat de maatregel van bewaring reeds tweemaal eerder rechtmatig was getoetst en dat het beroep tegen de voortzetting zich slechts richt op de periode tussen 26 juli en 16 augustus 2024. Volgens de rechtbank volgt uit de Terugkeerrichtlijn en jurisprudentie niet dat bij een volgberoep de bewaring volledig opnieuw moet worden beoordeeld. Ook is het recht op effectieve rechtsbescherming niet geschonden.
Verder stelde de rechtbank vast dat de mandatering van de bevoegdheid door de huidige minister rechtsgeldig was overgenomen en dat de minister voldoende voortvarend had gehandeld bij het voorbereiden van uitzetting. De belangenafweging door de minister werd als adequaat beoordeeld, ondanks het ontbreken van expliciete vermelding in het voortgangsrapport. Het beroep en het verzoek om schadevergoeding werden daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van de bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.