Eiser diende op 15 maart 2022 een asielaanvraag in, die door de staatssecretaris op 22 augustus 2023 werd afgewezen als kennelijk ongegrond vanwege twijfel aan zijn nationaliteit en herkomst. De staatssecretaris baseerde dit mede op een taalanalyse die concludeerde dat eiser niet afkomstig is uit Zuid-Somalië. Eiser voerde aan dat hij wel degelijk uit Zuid-Somalië komt en dat trauma’s zijn geheugen beïnvloeden, maar kon dit niet met medische stukken onderbouwen.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris terecht twijfelde aan de nationaliteit en herkomst van eiser en dat de taalanalyse zorgvuldig en concludent was. Omdat eiser geen contra-expertise overlegde, bleef de twijfel bestaan. De rechtbank verwierp ook het beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel omdat er gegronde redenen waren om aan de registratie in Italië te twijfelen.
Verder stelde eiser dat de staatssecretaris ten onrechte geen onderzoek had gedaan naar adequate opvang in het land van herkomst in het kader van het AMV-buitenschuldbeleid. De rechtbank oordeelde dat de motivering van de staatssecretaris op dit punt ondeugdelijk was, omdat het onderzoek niet voortvarend was verricht en er onterecht onderscheid werd gemaakt tussen minderjarigen jonger en ouder dan 16,5 jaar.
De rechtbank vernietigde het besluit vanwege deze ondeugdelijke motivering, maar liet de rechtsgevolgen in stand omdat de staatssecretaris in beroep het besluit alsnog deugdelijk had gemotiveerd. De rechtbank veroordeelde de staatssecretaris in de proceskosten van eiser ter hoogte van € 2.187,50.