Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Pakistaanse asielzoeker, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen omdat Duitsland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Eiser stelde dat de procedure eerder was aangevangen op basis van een 'loopbrief' die hij bij aanmelding ontving, en dat Nederland daardoor verantwoordelijk zou zijn geworden.
De rechtbank oordeelde dat de formele indiening van de asielaanvraag, met ondertekening van het M35-H-formulier op 28 november 2022, bepalend is voor de start van de Dublinprocedure. De loopbrief, onderdeel van het logistieke aanmeldproces, is geen door de autoriteiten opgesteld proces-verbaal en vormt geen bewijs van een formeel verzoek om internationale bescherming. De jurisprudentie van het HvJEU in de zaak Mengesteab leidt niet tot een ander oordeel, omdat de situatie in Nederland verschilt van die in Duitsland.
Verder vond de rechtbank dat de staatssecretaris voldoende heeft gemotiveerd waarom geen discretionaire bevoegdheid is toegepast om af te zien van overdracht aan Duitsland, ook met betrekking tot de belangen van de minderjarige kinderen. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat overdracht aan Duitsland onevenredig hard zou zijn.
De rechtbank concludeert dat het verzoek aan Duitsland tijdig is ingediend en dat de asielaanvraag terecht niet in behandeling is genomen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de niet-inbehandelingname van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.