ECLI:NL:RVS:2017:71
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- G. van der Wiel
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vaststelling verantwoordelijkheid Nederland voor asielaanvraag op grond van Dublinverordening
De vreemdeling meldde zich op 29 september 2015 bij de Nederlandse autoriteiten en diende op 22 oktober 2015 een schriftelijke aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris verzocht de Zwitserse autoriteiten om overname van de vreemdeling op grond van de Dublinverordening. De rechtbank vernietigde het besluit van de staatssecretaris omdat het overnameverzoek te laat zou zijn ingediend, waardoor Nederland verantwoordelijk werd voor de asielaanvraag.
De staatssecretaris stelde in hoger beroep dat het overnameverzoek tijdig was ingediend, omdat de termijn pas aanving bij de formele schriftelijke aanvraag van 22 oktober 2015. De Afdeling bestuursrechtspraak volgde dit standpunt en oordeelde dat de rechtbank ten onrechte niet van deze datum was uitgegaan. Verder werd geoordeeld dat de wachttijd van ongeveer drieënhalve week tussen aanmelding en schriftelijke aanvraag niet onredelijk was gezien de toenmalige instroom van vreemdelingen.
De vreemdeling voerde ook aan dat bijzondere omstandigheden, zoals haar seksuele geaardheid en de wens om met haar vriendin te trouwen, een overdracht aan Zwitserland van onevenredige hardheid zou maken. De staatssecretaris stelde dat Zwitserland verantwoordelijk is en zijn internationale verplichtingen nakomt. De Afdeling vond geen aanleiding om anders te oordelen en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond.
De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het beroep van de vreemdeling bij die rechtbank werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en Nederland blijft verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag.