ECLI:NL:RBDHA:2023:18437
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging tijdelijke bescherming van een derdelander uit Oekraïne niet onrechtmatig
Eiser maakte bezwaar tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn tijdelijke bescherming als derdelander uit Oekraïne te beëindigen per 4 september 2023. Hij stelde dat hij recht had op bescherming op grond van internationale bescherming en dat het besluit onzorgvuldig en disproportioneel was.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende bewijs leverde van internationale bescherming en dat de staatssecretaris terecht uitging van een tijdelijk Oekraïens verblijfsrecht. De rechtbank volgde eerdere jurisprudentie waarin is bevestigd dat de staatssecretaris bevoegd is om de tijdelijke bescherming voor de facultatieve groep derdelanders te beëindigen zonder individueel gehoor.
Verder verwierp de rechtbank de bezwaren van eiser over schending van het gelijkheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. De staatssecretaris had het besluit zorgvuldig voorbereid, met mogelijkheid tot schriftelijke zienswijzen, en had voldoende gemotiveerd dat de beëindiging noodzakelijk is om misbruik en opvangproblemen te voorkomen.
De rechtbank concludeerde dat het besluit niet onredelijk of disproportioneel is, mede gelet op de mogelijkheid voor eiser om een reguliere verblijfsvergunning aan te vragen en opvang te ontvangen tijdens een eventuele asielprocedure. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de tijdelijke bescherming wordt ongegrond verklaard.