ECLI:NL:RBDHA:2023:18433
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging tijdelijke bescherming facultatieve groep derdelanders niet onrechtmatig
Eiser maakte bezwaar tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn tijdelijke bescherming, op grond van Richtlijn 2001/55/EG en Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382, te beëindigen per 4 september 2023.
De rechtbank oordeelde dat verweerder bevoegd was dit besluit te nemen en dat dit niet in strijd is met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel. De voornemenprocedure was zorgvuldig gevolgd en een individueel gehoor was niet vereist. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat er een gerechtvaardigd onderscheid bestaat tussen de facultatieve groep derdelanders en andere ontheemden.
Ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel werd verworpen. De rechtbank vond dat het besluit passend is om de opvangcapaciteit te beschermen en dat eiser onvoldoende concrete belangen had aangetoond die een disproportionele inbreuk zouden vormen. Asielgerelateerde gronden vielen buiten deze procedure en werden doorverwezen naar de asielprocedure. Het beroep op vooringenomenheid werd eveneens afgewezen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskosten af. De uitspraak kan binnen vier weken worden bestreden bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de tijdelijke bescherming is ongegrond verklaard.