ECLI:NL:RBDHA:2023:17299

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 november 2023
Publicatiedatum
13 november 2023
Zaaknummer
NL23.26396
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Richtlijn 2001/55/EGUitvoeringsbesluit (EU) 2022/382Artikel 8 EVRM
Verwijzingen
14 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging tijdelijke bescherming derdelanders uit Oekraïne niet onrechtmatig

Eiseres maakte bezwaar tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om haar tijdelijke bescherming, verleend op grond van Richtlijn 2001/55/EG en het Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382, te beëindigen per 4 september 2023.

De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris bevoegd is om de tijdelijke bescherming voor de facultatieve groep, waaronder eiseres valt, te beëindigen. Hierbij is geen sprake van schending van het rechtszekerheids- of vertrouwensbeginsel, noch is een individueel gehoor vereist. De rechtbank volgt de eerdere meervoudige kameruitspraak van 30 oktober 2023.

Eiseres stelde dat het besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel omdat zij mocht vertrouwen op voortzetting van bescherming zolang de oorlog voortduurt. De rechtbank oordeelt dat de tijdelijke bescherming per definitie tijdelijk is en gericht op terugkeer of reguliere verblijfsprocedures. De beëindiging is geschikt en noodzakelijk om opvangproblematiek te verminderen en is niet onevenredig.

Daarnaast faalt het betoog dat ambtshalve toetsing aan reguliere verblijfsgronden had moeten plaatsvinden. De tijdelijke beschermingsprocedure is bedoeld om lidstaten te ontlasten en eiseres heeft nog een lopende asielprocedure. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de tijdelijke bescherming wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.26396

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiseres,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M.S. Dunant Maurits),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Verzijden).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het besluit van verweerder van 29 augustus 2023 waarbij verweerder aan eiseres heeft medegedeeld dat haar recht op tijdelijke bescherming, als bedoeld in Richtlijn 2001/55/EG (de Richtlijn) [1] en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 (het Uitvoeringsbesluit), [2] eindigt op 4 september 2023.
1.1.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening (zaaknummer NL23.26397), op 9 november 2023 op zitting behandeld. Aan de zitting hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de beëindiging van de tijdelijke bescherming aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
3. De rechtbank zal het beroep van eiseres ongegrond verklaren en overweegt daartoe het volgende.

Bevoegdheid van verweerder, rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel en de voornemenprocedure

4. De rechtbank overweegt dat bij uitspraak van 30 oktober 2023 de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats heeft geoordeeld dat verweerder bevoegd is de tijdelijke bescherming voor de groep die is aangeduid als de facultatieve groep, waaronder eiseres valt, te beëindigen (hierna: de MK-uitspraak). Ook is in die uitspraak geoordeeld dat de beëindiging niet in strijd is met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel en dat verweerder kan volstaan met de voornemenprocedure en geen individueel gehoor hoeft af te nemen. [3]
4.1.
De rechtbank stelt vast dat een deel van eiseres haar beroepsgronden eveneens betrekking hebben op de bevoegdheid van verweerder, het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel en het horen in de besluitvormingsprocedure. Deze beroepsgronden slagen niet. De rechtbank ziet in wat eiseres naar voren heeft gebracht, geen aanleiding om anders te oordelen dan in de bovengenoemde uitspraak van 30 oktober 2023 en maakt de dragende overwegingen in die uitspraak tot de hare.
4.2.
Eiseres haar verwijzing naar de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaatsen Amsterdam (ECLI:NL:RBDHA:2023:13022) en Roermond (ECLI:NL:RBDHA:2023:12916) baat haar niet. De rechtbank is bekend met beide uitspraken, maar volgt in eiseres haar zaak de lijn die deze rechtbank en zittingsplaats in de uitspraak van 30 oktober 2023 heeft uitgezet. De rechtbank volgt eiseres voorts niet in haar betoog dat uit rechtspraak van het Hof zou moeten worden afgeleid dat het vertrouwensbeginsel is geschonden. [4] Eiseres heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat verweerder aan haar een ondubbelzinnige toezegging heeft gedaan, zodat het beroep op het vertrouwensbeginsel ook om die reden faalt.
4.3.
De rechtbank stelt verder vast dat verweerder de voornemenprocedure heeft gevolgd en dat eiseres naar aanleiding van het voornemen een schriftelijke zienswijze heeft ingediend. Daarmee is de besluitvormingsprocedure in overeenstemming met de regelgeving en zorgvuldig.
Evenredigheidsbeginsel
5. Eiseres voert aan dat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Eiseres stelt in dit verband dat zij er op heeft mogen vertrouwen dat zij gedurende de periode dat de oorlog voortduurt haar leven hier mocht inrichten.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. In dit verband heeft verweerder er terecht op gewezen dat het doel van de Richtlijn is om te voorkomen dat de werking van het asielstelsel ontwricht raakt door een massale toestroom van ontheemden. De geboden bescherming is per definitie tijdelijk en moet uitmonden in terugkeer naar het land van herkomst of Oekraïne, ofwel een verblijfsprocedure in Nederland. Verweerder heeft, onder verwijzing naar de Kamerbrief van 18 juli 2022, aan de beëindiging van de facultatief geboden tijdelijke bescherming in het algemeen ten grondslag mogen leggen dat door derdelanders misbruik werd gemaakt van de tijdelijke bescherming en dat sprake is van bredere opvangproblematiek in Nederland. [5] Door de beëindiging van de facultatief geboden tijdelijke bescherming zal de druk op de schaarse opvangcapaciteit verminderen. [6] De beëindiging legt mogelijk druk op de asielketen, maar het ligt evenzeer voor de hand om te veronderstellen dat menig derdelander wil terugkeren naar hun land van herkomst. [7] De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd dat het bestreden besluit geschikt en noodzakelijk is om het beoogde doel te bereiken.
5.2.
Verder is de rechtbank van oordeel dat de beëindiging niet onevenredig is in verhouding tot het uiteindelijke hierboven weergegeven doel. De rechtbank stelt vast dat eiseres niet nader heeft geconcretiseerd of onderbouwd waarom de inbreuk op haar belangen onevenredig zou zijn. De omstandigheid dat eiseres niet langer aanspraak kan maken op bepaalde voordelen die zijn verbonden aan tijdelijke bescherming, is inherent aan het besluit van verweerder om de facultatieve bepaling niet langer te implementeren, waardoor eiseres niet langer onder de Richtlijn valt. Bovendien krijgt eiseres gedurende een asielprocedure opvang van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers en is het haar daarbij toegestaan om 24 weken in het jaar te werken. Daarnaast kan eiseres indien zij voor een ander doel in Nederland verblijf beoogt, zoals studie of gezinsleven, een daartoe strekkende aanvraag voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning regulier indienen. Tot slot heeft verweerder terecht gesteld dat het continueren van bestaanszekerheid, zoals eiseres heeft betoogd, niet onder het doel van de Richtlijn valt.
5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank is de beëindiging van de tijdelijke bescherming van eiseres gelet op al het voorgaande daarom niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel.
Ambtshalve toetsing
6. Eiseres voert aan dat verweerder ambtshalve had moeten onderzoeken of zij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier. Daar had een belangenafweging moeten plaatsvinden die volgens eiseres in haar voordeel uit had moeten vallen.
6.1.
Dit betoog faalt. Naar het oordeel van de rechtbank valt verplichte toetsing aan reguliere gronden niet binnen de besluitvormingsprocedure van de tijdelijke bescherming. De Richtlijn is immers, zoals verweerder op zitting heeft toegelicht, ingesteld om de lidstaten te ontlasten. Bovendien heeft eiseres nog een lopende asielprocedure, waarna bij afwijzing ambtshalve toetsing aan artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) plaats vindt. Het staat eiseres overigens vrij om een aanvraag voor een reguliere verblijfsvergunning in te dienen.
7. Hetgeen overigens is aangevoerd kan evenmin afdoen aan het besluit de tijdelijke bescherming te beëindigen.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Hessels, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Richtlijn 2001/55/EG betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
2.Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van Pro de Richtlijn, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan.
4.Arrest van het Hof van Justitie 20 mei 2021, zaak C-6/20, ECLI:EU:C:2021:402, punt 69.
6.Vgl. de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem van 1 november 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:16410, r.o. 17.3.
7.Vgl. de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 1 september 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:13035, r.o. 10.1.