ECLI:NL:RBDHA:2023:14297
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning wegens niet voldoen samenwoningsvereiste en duurzame relatie
Eiseres en haar kinderen, allen met de Turkse nationaliteit, kregen een verblijfsvergunning voor verblijf bij een referent, geldig tot 2025. Verweerder trok deze vergunning met terugwerkende kracht in vanaf 7 oktober 2020, omdat eiseres nooit had voldaan aan het samenwoningsvereiste en het voeren van een gezamenlijke huishouding. Eiseres betwistte dit en voerde aan dat er wel degelijk sprake was van een duurzame relatie en dat de intrekking geen fraude betrof.
De rechtbank oordeelde dat verweerder zich terecht op het standpunt kon stellen dat er nooit sprake was van samenwoning en een duurzame relatie. Eiseres slaagde er niet in dit te weerleggen met bewijs. De enkele foto’s en verklaringen waren onvoldoende, en het feit dat de kinderen direct in een andere plaats werden ingeschreven, ondersteunde het standpunt van verweerder. Ook de tegenstrijdige verklaringen over belangrijke gebeurtenissen versterkten dit oordeel.
De rechtbank toetste daarnaast de belangenafweging aan artikel 8 EVRM Pro en concludeerde dat verweerder alle relevante feiten had meegewogen en dat de belangenafweging in het nadeel van eiseres en haar kinderen terecht was uitgevallen. De banden met Turkije waren sterk en er was geen objectieve belemmering om daar te wonen. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.