ECLI:NL:RBDHA:2023:10151
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortduren maatregel bewaring en voortvarendheid bij uitzetting naar Marokko
Eiser, met de Marokkaanse nationaliteit, werd op 24 maart 2023 een maatregel van bewaring opgelegd door verweerder op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding.
De rechtbank heeft eerder de rechtmatigheid van de maatregel beoordeeld en verklaard dat deze tot 16 mei 2023 rechtmatig was. Het huidige geschil betrof de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel na die datum. Eiser stelde dat er twee maanden lang geen voortvarend handelen was geweest en dat er geen concreet zicht op uitzetting bestond.
Uit de voortgangsgegevens bleek dat verweerder drie maal schriftelijk contact had gezocht met de Marokkaanse diplomatieke vertegenwoordiging en dat er vertrekgesprekken met eiser waren gevoerd. De rechtbank oordeelde dat er voldoende voortvarendheid was en dat concreet zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn aanwezig was, mede gezien de weigering van eiser om mee te werken.
De rechtbank vond geen aanleiding om de maatregel als onrechtmatig te beschouwen en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak stond geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.