ECLI:NL:RBDHA:2023:10151

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 juli 2023
Publicatiedatum
12 juli 2023
Zaaknummer
NL23.18914
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 96 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
6 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voortduren maatregel bewaring en voortvarendheid bij uitzetting naar Marokko

Eiser, met de Marokkaanse nationaliteit, werd op 24 maart 2023 een maatregel van bewaring opgelegd door verweerder op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding.

De rechtbank heeft eerder de rechtmatigheid van de maatregel beoordeeld en verklaard dat deze tot 16 mei 2023 rechtmatig was. Het huidige geschil betrof de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel na die datum. Eiser stelde dat er twee maanden lang geen voortvarend handelen was geweest en dat er geen concreet zicht op uitzetting bestond.

Uit de voortgangsgegevens bleek dat verweerder drie maal schriftelijk contact had gezocht met de Marokkaanse diplomatieke vertegenwoordiging en dat er vertrekgesprekken met eiser waren gevoerd. De rechtbank oordeelde dat er voldoende voortvarendheid was en dat concreet zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn aanwezig was, mede gezien de weigering van eiser om mee te werken.

De rechtbank vond geen aanleiding om de maatregel als onrechtmatig te beschouwen en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak stond geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.18914

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 24 maart 2023 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft voortgangsgegevens overgelegd.
Eiser heeft daarop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 6 juli 2023 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Hierbij wordt verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 11 april 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:5359. Vervolgens is er al eerder een vervolgberoep ingesteld. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 17 mei 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:7294, volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, dat is 16 mei 2023, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds dat moment de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Eiser voert aan dat de voortduring van de maatregel van bewaring onrechtmatig is geworden omdat er twee maanden lang niets is gedaan. Volgens eiser is er daardoor geen sprake meer van voortvarend handelen, noch van een concreet zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn.
5. Uit de voortgangsgegevens blijkt het volgende. Sinds 16 mei 2023 heeft verweerder drie keer schriftelijk gerappelleerd bij de diplomatieke vertegenwoordiging van Marokko naar aanleiding van de laissez-passeraanvraag. Daarnaast zijn er op 22 mei 2023 en 21 juni 2023 vertrekgesprekken met eiser gevoerd. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat er onvoldoende voortvarend wordt gehandeld, en evenmin voor het oordeel dat een concreet zicht op uitzetting naar Marokko binnen een redelijke termijn ontbreekt. Hierbij weegt de rechtbank mee dat eiser tijdens zijn vertrekgesprek van 21 juni 2023 heeft verklaard geen invulling te willen geven aan zijn meewerkplicht, niet terug te willen keren naar Marokko en af te wachten wat er gaat gebeuren.
6. Verder ziet de rechtbank ambtshalve [1] geen aanleiding voor het oordeel dat de (tenuitvoerlegging van de) maatregel van bewaring in de te toetsen periode op enig moment onrechtmatig is geweest.
7. Het beroep is ongegrond. Om die reden wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep ongegrond;
 wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Op grond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (