ECLI:NL:RBDHA:2023:7294

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 mei 2023
Publicatiedatum
22 mei 2023
Zaaknummer
NL23.13927
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 Vw
Verwijzingen
7 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenzaak

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een Marokkaanse vreemdeling tegen het voortduren van een maatregel van bewaring opgelegd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was reeds eerder getoetst en rechtmatig bevonden tot 5 april 2023.

De rechtbank beoordeelde of de maatregel sinds die datum nog rechtmatig was. De eiser stelde dat er onduidelijkheid bestond over de termijn voor uitzetting naar Marokko vanwege een lopende laissez-passeraanvraag en verzocht om meer inzicht in de afgifte van laissez-passers. De rechtbank verwees naar recente jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die uitgaat van concreet zicht op uitzetting naar Marokko.

Verweerder had gegevens over afgifte en uitzetting met laissez-passers over 2022 en begin 2023 overgelegd, en toegelicht dat de gemiddelde doorlooptijd van een laissez-passeraanvraag drie maanden bedraagt. De rechtbank concludeerde dat er geen aanleiding was te twijfelen aan het concreet zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn, mede omdat verweerder afhankelijk is van de Marokkaanse autoriteiten en enige tijd gegund moet worden.

De rechtbank zag geen onrechtmatigheid in de maatregel van bewaring en verklaarde het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.13927

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 24 maart 2023 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft voortgangsgegevens overgelegd.
Eiser heeft daarop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 16 mei 2023 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 11 april 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:5359, volgt dat de maatregel van bewaring rechtmatig was tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt (dat was 5 april 2023). Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds dat moment de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Eiser voert aan dat er blijkens de voortgangsgegevens sinds 7 april 2023 sprake is van een volledige laissez-passeraanvraag en dat onduidelijk is hoe lang er op antwoord van het Marokkaanse consulaat moet worden gewacht. Volgens eiser dient verweerder inzichtelijk te maken hoeveel laissez-passers (LPs) er dit jaar zijn afgegeven aan ongedocumenteerde Marokkaanse vreemdelingen en of er presentaties in persoon plaatsvinden teneinde het vereiste concreet zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn te kunnen beoordelen.
5. In de hiervoor genoemde uitspraak heeft de rechtbank gewezen op de recente jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die inhoudt dat momenteel kan worden uitgegaan van concreet zicht op uitzetting naar Marokko. Hierbij wordt gewezen op de uitspraken van 14 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3269, en 23 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:747. Uit de uitspraak van de rechtbank blijkt verder dat verweerder op de zitting van 5 april 2023 heeft toegelicht dat er in de periode januari-oktober 2022 door de Marokkaanse autoriteiten 21 LPs zijn afgegeven, dat er in de periode november-december 2022 9 vreemdelingen met een LP zijn uitgezet en 2 LPs zijn afgegeven en dat er in het eerste kwartaal van 2023 ook weer LPs zijn afgegeven maar dat over deze periode de cijfers nog niet zijn opgemaakt. Daarnaast heeft verweerder op de zitting van 5 april 2023 toegelicht dat de gemiddelde doorlooptijd van een laissez-passeraanvraag bij de Marokkaanse autoriteiten drie maanden duurt.
6. Uit de voortgangsgegevens blijkt dat verweerder op 7 april 2023 de originele dactyloscopische gegevens aan het Marokkaanse consulaat heeft verstrekt en dat verweerder op 26 april 2023 schriftelijk heeft gerappelleerd. Uit deze gegevens, gelezen in samenhang met wat hiervoor is overwogen, ziet de rechtbank op dit moment geen aanleiding voor het oordeel dat een concreet zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko ontbreekt. Hierbij betrekt de rechtbank dat verweerder op dit punt afhankelijk is van de Marokkaanse autoriteiten en hem daarom enige tijd moet worden gegund.
7. Verder ziet de rechtbank ambtshalve [1] geen aanleiding voor het oordeel dat de (tenuitvoerlegging van de) maatregel van bewaring in de te toetsen periode op enig moment onrechtmatig is geweest.
8. Het beroep is ongegrond. Om die reden wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep ongegrond;
 wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Op grond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (