Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiseres
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Verweerder stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van Polen van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan en dat Polen zijn internationale verplichtingen nakomt.Verweerder is van mening dat uit de verklaringen van eiseres, die tot de lhbti-gemeenschap behoort, niet blijkt dat zij in een situatie heeft verkeerd die zodanig slecht was dat sprake was van schending van artikel 3 van Pro het EVRM [2] en dat zij als gevolg van haar seksuele gerichtheid persoonlijk problemen heeft ondervonden in Polen. Alhoewel verweerder erkent dat de omstandigheden in Polen voor lhbti’ers moeilijk zijn, is geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 3 van Pro het EVRM. Verweerder erkent dat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht onder druk staat, maar er is onvoldoende reden om aan te nemen dat eiseres als lhbti’er geen toegang zal hebben tot onafhankelijke rechtspraak. Verder blijkt uit de verklaringen van eiseres dat zij in Polen huisvesting had, financiële bijstand kreeg, toegang tot medische zorg had en een werkvergunning heeft gekregen. Er zijn volgens verweerder geen aanwijzingen dat de Poolse autoriteiten eiseres niet zouden willen of kunnen helpen in geval van problemen. Ter zitting heeft verweerder zich beroepen op de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem van 1 juli 2022 [3] en aangegeven het daarin gegeven oordeel te onderschrijven.
De rechtbank volgt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 januari 2019, [13] evenmin het standpunt van eiseres dat zij als lhbti’er geen toegang tot een onafhankelijke rechter in Polen zou hebben. De artikel 7-procedure, die de Europese commissie tegen Polen aanhangig heeft gemaakt, komt voort uit zorgen omtrent ontwikkelingen die de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in Polen kunnen schaden en ziet niet op de mogelijkheid voor burgers om zich voor bescherming tot de Poolse autoriteiten te wenden. Het starten van een artikel 7-procedure kan alleen in uitzonderlijke gevallen aanleiding geven om af te wijken van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiseres beroept zich daarvoor op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 29 juli 2021. [14] Deze zaak laat zich niet vergelijken met de situatie van eiseres. In die zaak heeft de vreemdeling zelf concrete problemen ondervonden, terwijl dit bij eiseres niet het geval is. De verklaringen [15] van eiseres over de door haar gestelde ondervonden discriminatie betreffen verklaringen over in feite de algemene situatie van lhbti’s en hun gelijke berechtiging ten opzichte van andere burgers in Polen. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij zich bij voorkomende problemen niet kan beklagen bij de Poolse autoriteiten noch dat deze geen bescherming tegen discriminatie zouden willen en kunnen bieden. Gelet op het voorgaande is verweerder in het geval van eiseres terecht ten aanzien van Polen uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.