Eiser, een Poolse nationaliteit dragende vreemdeling, diende een asielaanvraag in Nederland in vanwege mishandeling en discriminatie op grond van zijn seksuele geaardheid in Polen. Verweerder verklaarde de aanvraag niet-ontvankelijk op basis van protocol nr. 24 van het VWEU, stellende dat Polen een veilige lidstaat is en dat de lopende artikel 7-procedure tegen Polen niet ziet op bescherming van LHBTI-personen.
De rechtbank oordeelt dat eiser wel procesbelang heeft omdat zijn asielaanvraag mede een verzoek tot opheffing van zijn ongewenstverklaring inhoudt. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de asielaanvraag niet-ontvankelijk is, met name door een te beperkte uitleg van de artikel 7-procedure en het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
De rechtbank volgt eiser in zijn betoog dat hij zich vanwege zijn seksuele geaardheid niet kan wenden tot een onafhankelijke rechter in Polen, en dat dit wel degelijk raakt aan de artikel 7-procedure. Het bestreden besluit is daarom onvoldoende zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd, en wordt vernietigd met een opdracht aan verweerder om een nieuw besluit te nemen rekening houdend met deze uitspraak.
Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten van eiser ten bedrage van €1518,00. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot niet-ontvankelijkheid van de asielaanvraag wordt vernietigd en verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.4267
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. H.A.W. Oude Lenferink).
ProcesverloopBij besluit van 12 maart 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard op grond van protocol nr. 24 inzake Asiel voor onderdanen van Lidstaten van de Europese Unie bij het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU).
Verweerder heeft bepaald dat eiser zich onmiddellijk dient te begeven naar het grondgebied
van Polen.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 13 april 2022 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich ook laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Poolse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] . Eiser stelt dat hij vanwege zijn geaardheid is mishandeld in Polen en stelt daarom te vrezen bij terugkeer.
Procesbelang?
2. De rechtbank moet ambtshalve beoordelen of eiser procesbelang heeft. Omdat eiser ongewenst is verklaard, kan hij zolang de ongewenstverklaring voortduurt, geen rechtmatig verblijf hebben. [1] Hieraan verbindt verweerder de conclusie dat eiser geen belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep. De rechtbank ziet dit anders. Volgens de rechtbank heeft eiser wel procesbelang. Dit leidt de rechtbank af uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 29 mei 2015. [2] De Afdeling oordeelt daarin dat de rechtbank er niet mee kan volstaan het beroep tegen de afwijzing van een asielaanvraag van een vreemdeling tegen wie eerder een zwaar inreisverbod is uitgevaardigd, niet-ontvankelijk te verklaren vanwege het ontbreken van procesbelang. De Afdeling overweegt dat een asielaanvraag van een vreemdeling tegen wie eerder een zwaar inreisverbod is uitgevaardigd dat ten tijde van de aanvraag voortduurt, mede dient te worden aangemerkt als een verzoek om opheffing van dat inreisverbod, dan wel als een aanvulling van een reeds ingediend verzoek daartoe. Vervolgens moet een afwijzing van die asielaanvraag dan mede worden begrepen als een afwijzing van een verzoek om opheffing van het zware inreisverbod. De beoordeling of een vreemdeling voldoet aan de vereisten voor vergunningverlening wordt dan ten volle aan de orde gesteld in het kader van de toetsing van het besluit op het verzoek om opheffing van het zware inreisverbod.
De Afdeling komt tot dit oordeel om een concentratie van rechtsbescherming te bereiken. Naar het oordeel van de rechtbank valt niet in te zien dat deze gewenste concentratie van rechtsbescherming niet opgaat als sprake is, zoals hier, van een ongewenstverklaring.
Voor zover verweerder stelt dat deze jurisprudentie niet meer van toepassing is, volgt de rechtbank dit niet. Dat de Afdeling – zoals de gemachtigde van verweerder ter zitting naar voren heeft gebracht – in 2018 is omgegaan [3] in die zin dat een tegen de vreemdeling uitgevaardigd inreisverbod er niet langer aan in de weg staat dat een vreemdeling belang heeft bij een beroep in een verblijfsprocedure, heeft te maken met het arrest van het Hof van Justitie van 26 juli 2017, Ouhrami [4] en de Terugkeerrichtlijn. Die nieuwe lijn van de Afdeling is echter enkel van toepassing op zware inreisverboden en niet op een ongewenstverklaring, zoals hier aan de orde.
Daarbij komt dat de vergelijkbare aanvragen van eiser in 2013 en 2020 door verweerder wel mede zijn opgevat als verzoeken om opheffing van de ongewenstverklaring. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting niet kunnen uitleggen waarom de aanvragen toen wel zo zijn opgevat en de aanvraag nu niet.
2.1
Eiser heeft dus belang bij de beoordeling van zijn beroep, omdat zijn asielaanvraag mede dient te worden aangemerkt als een verzoek om opheffing van zijn ongewenstverklaring. Verweerder heeft eisers asielaanvraag ten onrechte niet als zodanig opgevat. Het bestreden besluit is alleen daarom al onvoldoende gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig voorbereid.
Waarom heeft verweerder eisers asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard?
3. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard op grond van protocol nr. 24 inzake Asiel voor Onderdanen van Lidstaten van de Europese Unie van het VWEU. Hierin staat:
“Het niveau van bescherming van de fundamentele rechten en vrijheden in de lidstaten van de Europese Unie in aanmerking nemend, beschouwen de lidstaten elkaar als veilige landen van oorsprong voor alle juridische en praktische doeleinden in verband met asielzaken. Dienovereenkomstig kan een asielaanvraag van een onderdaan van een lidstaat door een andere lidstaat uitsluitend in aanmerking worden genomen of ontvankelijk worden verklaard in de volgende gevallen:
a. a) indien de lidstaat waarvan de aanvrager onderdaan is na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam maatregelen neemt met gebruikmaking van de bepalingen van artikel 15 vanPro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, waarbij op zijn grondgebied wordt afgeweken van zijn verplichtingen uit hoofde van dat Verdrag;
b) indien de in artikel 7, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie bedoelde procedure op gang is gebracht en totdat de Raad, of in voorkomend geval de Europese Raad hieromtrent een besluit heeft genomen ten aanzien van de lidstaat waarvan de aanvrager onderdaan is;
c) indien de Raad overeenkomstig artikel 7, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie een besluit heeft vastgesteld ten aanzien van de lidstaat waarvan de aanvrager onderdaan is of indien de Europese Raad overeenkomstig artikel 7, lid 2, van dat Verdrag een besluit heeft vastgesteld ten aanzien van de lidstaat waarvan de aanvrager onderdaan is;
d) indien een lidstaat hiertoe eenzijdig besluit in verband met de aanvraag van een onderdaan van een andere lidstaat; in dat geval wordt de Raad onverwijld op de hoogte gesteld; de aanvraag wordt behandeld op basis van het vermoeden dat zij duidelijk ongegrond is zonder op enigerlei wijze, in welk geval dan ook, van invloed te zijn op de beslissingsbevoegdheid van de lidstaat.”
4. Verweerder stelt zich in het voornemen op het standpunt dat geen van deze situaties tot een inhoudelijke behandeling van eisers asielaanvraag noopt. Weliswaar is de onder b) bedoelde procedure (artikel 7-procedure) op gang gebracht en is hierover nog geen besluit genomen, maar het relaas van eiser over zijn seksuele gerichtheid, de geloofwaardigheid ervan daargelaten, geeft geen aanleiding te veronderstellen dat deze artikel 7-procedure een indicatie vormt die een inhoudelijke beoordeling dan wel nader onderzoek van het asielrelaas rechtvaardigt. De artikel 7-procedure is door de Europese Commissie op gang gebracht vanwege zorgen over het ontbreken van een onafhankelijke en legitieme constitutionele toetsing en over de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht. Dat de artikel 7-procedure is ingegeven door zorgen over ontwikkelingen die de rechterlijke onafhankelijkheid kunnen schaden, betekent niet dat in Polen geen sprake is van een eerlijke rechtsgang en dat burgers, bij voorkomende problemen, zich niet ter bescherming kunnen wenden tot de overheid. Eiser heeft op geen enkele wijze onderbouwd dat hij persoonlijk geraakt wordt door de ontwikkelingen rondom de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in Polen. Daarom wordt eisers relaas volgens verweerder niet geraakt door de grondslag van de artikel 7-procedure en bestaat geen aanleiding om af te wijken van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
In het bestreden besluit stelt verweerder zich op het standpunt dat de door eiser geschetste ontwikkelingen vooralsnog geen verandering hebben gebracht in de status van Polen. Bovendien raken de punten in de zienswijze de artikel 7-procedure niet. Immers, niet is gebleken dat eiser voor een rechtbank moet verschijnen of dat er een strafzaak tegen hem loopt.
In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder toegelicht dat alleen omstandigheden die direct raken aan de artikel 7-procedure ertoe kunnen leiden dat sub b) van Protocol nr. 24 van toepassing is. Wat eiser aanvoert, de problemen die hij verwacht bij terugkeer vanwege zijn geaardheid, heeft geen raakvlakken met de punten ten aanzien waarvan de Europese Commissie een artikel 7-procedure is gestart tegen Polen. De Europese Commissie is immers een procedure gestart tegen Polen vanwege ernstige bezorgdheid over de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht maar niet vanwege zorgen over rechten van LHBTI-ers. Verweerder ziet dit standpunt bevestigd in een uitspraak van de Afdeling van 30 januari 2019 [5] waaruit volgt dat de artikel 7-procedure inzake Polen ziet op de ontwikkelingen die de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in Polen kunnen schaden en niet op de mogelijkheid voor burgers om zich ter bescherming tot de Poolse autoriteiten te wenden. De rapporten en artikelen waarop eiser heeft gewezen zijn voor de Europese Commissie geen aanleiding geweest om de artikel 7-procedure uit te breiden en doen daarom niet af aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk geraakt wordt door de recente ontwikkelingen ten aanzien van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht. De artikel 7-procedure leidt naar het oordeel van verweerder dan ook niet tot een verplichting voor verweerder om de asielaanvraag van eiser inhoudelijk in behandeling te nemen.
Wat vindt eiser?
5. Eiser betoogt in de eerste plaats dat sprake is van een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek, omdat verweerder in het bestreden besluit aan een aanzienlijk aantal punten in de zienswijze is voorbijgegaan. Eiser heeft een zienswijze van acht pagina’s ingediend, waarop verweerder in het bestreden besluit met vier zinnen inhoudelijk heeft gereageerd.
Bovendien is deze inhoudelijke reactie onvoldoende gemotiveerd en onjuist.
Verder voert eiser aan dat hij in Polen slachtoffer is geworden van geweld vanwege zijn biseksualiteit. Eiser betwist dat in Polen sprake is van een eerlijke rechtsgang en dat hij zich bij voorkomende problemen ter bescherming tot de Poolse overheid kan wenden. De Poolse overheid spreekt zich sterk uit tegen de LHBTI-gemeenschap. Eiser betoogt dat in Polen sprake is van toenemende haat en toenemend geweld richting personen die behoren tot de LHBTI-gemeenschap. Deze haat is ook doorgestroomd naar de rechtspraak. De LHBTI-gemeenschap kan geen steun vinden bij de rechterlijke macht, omdat geen sprake is van onafhankelijke rechtspraak. De artikel 7-procedure raakt eiser dus ook, zo betoogt hij.
Eiser verwijst naar diverse stukken en uitspraken om te onderbouwen dat - gelet op zijn (onbestreden) seksuele geaardheid - in zijn situatie ten aanzien van Polen niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Verweerder had zijn asielaanvraag dan ook inhoudelijk moeten behandelen.
Wat vindt de rechtbank?
6. De rechtbank vindt dat eiser gelijk heeft voor zover hij betoogt dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is en onvoldoende zorgvuldig is voorbereid.
De enkele stelling in het bestreden besluit dat niet is gebleken dat eiser voor een rechtbank moet verschijnen of dat er een strafzaak tegen hem loopt, doet geen recht aan wat eiser in zijn zienswijze heeft aangevoerd en geeft blijk van een te beperkte beoordeling.
6.1.
Verweerder heeft in het verweerschrift en ter zitting een aanvullend standpunt ingenomen. De rechtbank begrijpt daaruit dat verweerder stelt dat dat alleen als sprake is van omstandigheden die direct raken aan de artikel 7-procedure, de asielaanvraag ontvankelijk is op grond van sub b) van Protocol nr. 24, dus als de situatie van LHBTI-ers in Polen ook onderdeel zou zijn van de aanhangig gemaakte artikel 7-procedure. Eiser stelt daartegenover dat de artikel 7-procedure zijn relaas wel raakt, omdat – zo begrijpt de rechtbank – de onderwerpen van deze procedure ook raken aan eisers mogelijkheid om effectieve bescherming te krijgen, omdat deze procedure (ook) gaat over de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht. Eiser heeft er daarbij - onder verwijzing naar diverse artikelen - op gewezen dat de haat tegen personen behorend tot de LHBTI-gemeenschap is ingegeven vanuit politici, terwijl de rechterlijke macht juist niet onafhankelijk is van de politici. Daarmee komt de effectiviteit van de door hem in te roepen bescherming in geding. De rechtbank volgt eiser daarom in zijn stelling dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat wat eiser heeft aangevoerd geen raakvlakken heeft met de artikel 7-procedure. Eiser betoogt immers gemotiveerd dat hij zich bij problemen vanwege zijn seksuele geaardheid in Polen niet kan wenden tot een onafhankelijke rechter. Dat de artikel 7-procedure niet expliciet is uitgebreid met de vraag of voor LHBTI-ers bescherming mogelijk is in Polen, is daarom niet relevant.
De rechtbank vindt overigens ook geen steun voor de zeer beperkte uitleg van verweerder in de door verweerder aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 30 januari 2019. Integendeel, uit rechtsoverweging 4.3 van die uitspraak leidt de rechtbank af dat de vraag of bescherming aanwezig is, ook een rol speelt en dat het beoordelingskader ruimer is dan verweerder voorstaat.
De rechtbank is daarom van oordeel dat ook verweerders aanvullende standpunt onvoldoende gemotiveerd is.
Conclusie
7. De rechtbank heeft in rechtsoverwegingen 2.1, 6 en 6.1 geconcludeerd dat verweerder zijn standpunt onvoldoende heeft gemotiveerd en dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. Het bestreden besluit is daarmee genomen in strijd met de wet. [6] Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd.
Hoe nu verder?
8. De wet vraagt van de rechtbank om een geschil zoveel mogelijk definitief te beslechten. [7] Dat betekent dat partijen dan direct of redelijk snel duidelijkheid hebben over de afloop van de procedure. De wet geeft de rechtbank ook mogelijkheden om het geschil definitief te beslechten. [8] In dit geval zal de rechtbank niet van die mogelijkheden gebruik maken, omdat het - vanwege de aard van het gebrek - aan verweerder is om een nieuw besluit te nemen. De rechtbank zal verweerder dit dan ook opdragen. Bij zijn nieuwe besluit moet verweerder rekening houden met wat in deze uitspraak is geoordeeld.
Proceskosten
9. Omdat het beroep gegrond wordt verklaard zal verweerder worden veroordeeld in de kosten die eiser heeft moeten maken. Om die kosten vast te stellen maakt de rechtbank gebruik van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het bedrag aan proceskosten komt op
€ 1518,00 (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 759,00; wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1518,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Vollebregt-Kuipers, voorzitter, en
mr. M.I. van Meel en mr. B. van Dokkum, leden, in aanwezigheid van mr. W. Markwat, griffier.
De uitspraak is gedaan en bekendgemaakt op de hieronder vermelde datum. De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende donderdag na deze datum.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Voetnoten
1.Artikel 67, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000.