Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
ProcesverloopBij besluit van 12 maart 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard op grond van protocol nr. 24 inzake Asiel voor onderdanen van Lidstaten van de Europese Unie bij het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU).
Overwegingen
a) indien de lidstaat waarvan de aanvrager onderdaan is na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam maatregelen neemt met gebruikmaking van de bepalingen van artikel 15 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, waarbij op zijn grondgebied wordt afgeweken van zijn verplichtingen uit hoofde van dat Verdrag;
nr. 24 van toepassing is. Wat eiser aanvoert, de problemen die hij verwacht bij terugkeer vanwege zijn geaardheid, heeft geen raakvlakken met de punten ten aanzien waarvan de Europese Commissie een artikel 7-procedure is gestart tegen Polen. De Europese Commissie is immers een procedure gestart tegen Polen vanwege ernstige bezorgdheid over de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht maar niet vanwege zorgen over rechten van LHBTI-ers. Verweerder ziet dit standpunt bevestigd in een uitspraak van de Afdeling van
30 januari 2019 [5] waaruit volgt dat de artikel 7-procedure inzake Polen ziet op de ontwikkelingen die de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in Polen kunnen schaden en niet op de mogelijkheid voor burgers om zich ter bescherming tot de Poolse autoriteiten te wenden. De rapporten en artikelen waarop eiser heeft gewezen zijn voor de Europese Commissie geen aanleiding geweest om de artikel 7-procedure uit te breiden en doen daarom niet af aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk geraakt wordt door de recente ontwikkelingen ten aanzien van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht. De artikel 7-procedure leidt naar het oordeel van verweerder dan ook niet tot een verplichting voor verweerder om de asielaanvraag van eiser inhoudelijk in behandeling te nemen.
rechtbank – de onderwerpen van deze procedure ook raken aan eisers mogelijkheid om effectieve bescherming te krijgen, omdat deze procedure (ook) gaat over de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht. Eiser heeft er daarbij - onder verwijzing naar diverse artikelen - op gewezen dat de haat tegen personen behorend tot de LHBTI-gemeenschap is ingegeven vanuit politici, terwijl de rechterlijke macht juist niet onafhankelijk is van de politici. Daarmee komt de effectiviteit van de door hem in te roepen bescherming in geding. De rechtbank volgt eiser daarom in zijn stelling dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat wat eiser heeft aangevoerd geen raakvlakken heeft met de artikel 7-procedure. Eiser betoogt immers gemotiveerd dat hij zich bij problemen vanwege zijn seksuele geaardheid in Polen niet kan wenden tot een onafhankelijke rechter. Dat de artikel 7-procedure niet expliciet is uitgebreid met de vraag of voor LHBTI-ers bescherming mogelijk is in Polen, is daarom niet relevant.