Uitspraak
Rechtbank den haag
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling van het geschil
“flagrant denial of justice”(EHRM 17 januari 2012, ECLI:CE:ECHR:2012:0117JUD000813909)
.
Rechtbank Den Haag
Eiser verzocht de rechtbank om een verbod op zijn uitlevering aan Israël, waar hij wordt verdacht van betrokkenheid bij invoer van MDMA en deelname aan een criminele organisatie. Eerder had de rechtbank Amsterdam uitlevering toegestaan en de Hoge Raad dit bevestigd, waarbij het beroep op schending van het recht op berechting binnen redelijke termijn werd verworpen.
Eiser stelde dat zijn gezondheidstoestand en persoonlijke omstandigheden uitlevering onrechtmatig maken, en dat vervolging in Nederland meer op zijn plaats zou zijn op grond van artikel 7 lid 1 EUV Pro. De Minister had echter bevestigd dat Israël medische zorg zal verlenen en dat de uitlevering niet evident onredelijk is, mede gezien het lopende strafrechtelijk onderzoek in Israël en de locatie van bewijsmiddelen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de aangevoerde feiten en omstandigheden reeds in eerdere procedures waren beoordeeld en dat de nieuwe persoonlijke omstandigheden te laat waren ingebracht en onvoldoende zwaarwegend zijn. De beslissing van de Minister om geen gebruik te maken van de facultatieve weigeringsgrond van artikel 7 lid 1 EUV Pro was niet onredelijk. De vordering van eiser werd afgewezen en hij werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot verbod op uitlevering aan Israël wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.