ECLI:NL:RBDHA:2022:6755
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verklaring Nederlanderschap na verlies op grond van tienjaarstermijn en evenredigheidstoets Unierecht
Eiseres verzocht om een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap, nadat zij volgens verweerder haar Nederlanderschap had verloren op 1 april 2013 wegens het niet hebben van hoofdverblijf in Nederland, Curaçao, Aruba, Sint Maarten of een EU-land gedurende tien jaar vanaf 1 april 2003.
De kern van het geschil betrof de vraag of dit verlies van het Nederlanderschap onevenredig was in het licht van het Unierecht, mede gelet op het Tjebbes-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Eiseres stelde dat zij rond de peildatum de intentie had om in Nederland of een ander EU-land te gaan werken en dat het verlies van het Nederlanderschap voor haar onevenredige gevolgen had.
De rechtbank oordeelde dat het verlies van het Nederlanderschap niet onevenredig was, omdat eiseres geen concrete plannen had en als Amerikaanse geen bijzondere moeilijkheden zou ondervinden bij het verkrijgen van een verblijfsvergunning als kennismigrant. Ook werd geoordeeld dat de afgewezen paspoortaanvraag en de niet-tijdige overlegging van een Certificat of Citizenship geen relevante omstandigheden zijn voor de evenredigheidstoets.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de weigering van de verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap werd bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap wordt ongegrond verklaard.