Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 13 december 2022 in de zaak tussen
drs. [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
[B.V. 2] ( [B.V. 2] ) en op haar beurt is [B.V. 2] enig aandeelhouder van verschillende groepsmaatschappijen, waaronder [B.V. 3] [1] ( [B.V. 3] ), [B.V. 4] ( [B.V. 4] ) en [B.V. 5] ( [B.V. 5] ).
De overige 25% van de aandelen zijn in handen van de ex-echtgenote van eiser. Eiser was voorts tot 11 december 2017 enig aandeelhouder van [B.V. 7] ( [B.V. 7] ). [B.V. 7] houdt alle aandelen in [B.V. 8] ].
€ 110.886 op [B.V. 3] had op 31 december 2012 een negatief eigen vermogen van € 114.088 en per 31 december 2013 een negatief eigen vermogen van
€ 191.613. Per 31 december 2014 is het negatieve eigen vermogen opgelopen tot € 235.734. Volgens de tussentijds opgemaakte balans per 20 mei 2014 was het negatieve eigen vermogen opgelopen tot € 221.847. Bij vonnis van 17 juni 2014 is [B.V. 3] op eigen aangifte in staat van faillissement verklaard.
€ 130.708-/-
€ 44.381 -/-
Geschil10. In geschil is of verweerder de afwaardering van de vorderingen op C B.V. (€ 179.858), [B.V. 3] (€ 110.886), [B.V. 5] (€ 130.708) en [B.V. 6] (€ 3.131) ten laste van het resultaat uit ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen ten onrechte niet heeft toegestaan. Niet langer is in geschil dat de afwaardering van de vordering op [B.V. 4] terecht niet in aftrek is toegestaan.
6 januari 2021 [4] met betrekking tot het jaar 2015.
[B.V. 10] (tot een bedrag van € 48.588) afgelost op de schulden die zij hadden aan eiser. Eiser heeft in het jaar 2014 voor dezelfde bedragen vorderingen op [B.V. 3] in rekening-courant geboekt. Het Gerechtshof Amsterdam heeft in de onder 11.3 vermelde verwijzingsuitspraak geoordeeld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij de debiteursvervanging c.q. de omzetting van de vorderingen naar MML een vermogensverlies heeft geleden. Zo echter al sprake zou zijn van een verlies dat voor aftrek in aanmerking zou komen, dan kan dit verlies niet ten laste van het resultaat in het onderhavige jaar komen nu de debiteursvervanging niet in 2016, maar reeds in 2014 heeft plaatsgevonden. Het beroep van eiser op het arrest van de Hoge Raad van 20 november 2020 [10] faalt dan ook. De rechtbank ziet reeds daarom geen aanleiding om de onderhavige uitspraak aan te houden tot de Hoge Raad uitspraak heeft gedaan in het cassatieberoep tegen de verwijzingsuitspraak.
Beslissing
mr. S.P.M. van den Maagdenberg, leden, in aanwezigheid van mr. S.R.M. Dekker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 december 2022.