12.5Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
Beoordeling van het geschil
Onzakelijke lening-jurisprudentie en bewijslast
13. Een afwaarderingsverlies ter zake van een vordering komt niet voor aftrek in aanmerking wanneer sprake is van een onzakelijke lening. Hiervan is sprake indien een aandeelhouder van een vennootschap aan die vennootschap een geldlening verstrekt en daarbij een debiteurenrisico aanvaardt dat een onafhankelijke derde niet zou hebben aanvaard, ook niet voor een hogere rente. Ingeval geen rente kan worden bepaald waaronder een onafhankelijke derde bereid zou zijn geweest eenzelfde lening te verstrekken, onder overigens dezelfde voorwaarden en omstandigheden, zonder dat de rente zodanig wordt aangepast dat de geldlening daardoor winstdelend zou worden, moet ervan worden uitgegaan dat de crediteur dit risico heeft aanvaard met de bedoeling zijn belang als aandeelhouder te dienen. In dat geval kan een eventueel verlies op de geldlening niet op de winst van de vennootschap in mindering worden gebracht. Het voorgaande heeft ook betrekking op geldleningen als de onderhavige, die door de aandeelhouder aan diens vennootschap zijn verstrekt en waarop de terbeschikkingstellingsregeling van artikel 3.92, lid 1, aanhef en onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) van toepassing is.
14. De vraag of sprake is van een onzakelijke lening dient te worden beoordeeld naar het moment van het aangaan van de lening, met dien verstande dat een zakelijke lening gedurende haar looptijd ten gevolge van onzakelijk handelen van de crediteur alsnog een onzakelijke lening kan worden.
15. De bewijslast met betrekking tot de onzakelijkheid van de lening rust op verweerder. Voor de beantwoording van de vraag of een geldverstrekking door een aandeelhouder aan een (klein)dochtervennootschap voor wat betreft de fiscale gevolgen als een geldlening dan wel als een kapitaalverstrekking heeft te gelden, is in beginsel de civielrechtelijke vorm beslissend. Deze regel lijdt uitzondering ingeval de geldlening is verstrekt onder zodanige omstandigheden dat aan de uit die lening voortvloeiende vordering, naar de uitlener reeds aanstonds duidelijk moet zijn geweest, voor het geheel of voor een gedeelte geen waarde toekomt omdat het door hem ter leen verstrekte bedrag niet of niet ten volle zal kunnen worden terugbetaald.
Afwaardering rekening-courantvordering op C B.V.
16. De rechtbank acht verweerder geslaagd in het bewijs van zijn stelling dat eiser met betrekking tot de geldverstrekkingen aan C B.V. een debiteurenrisico heeft gelopen dat een onafhankelijke derde niet zou hebben aanvaard. C B.V. had sinds 2007 een aanzienlijk negatief eigen vermogen en negatieve resultaten. In 2011 heeft eiser € 100.000 aan C B.V. verstrekt, terwijl zij pas in 2012 een overeenkomst zijn aangegaan. In die overeenkomst zijn geen aflossingsschema en/of zekerheden overeengekomen. Er is weliswaar een rente van 2,5% overeengekomen, maar die is - zo blijkt uit de verloop van het rekening-courantkrediet - de facto niet betaald. Eiser heeft, tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder, niet aannemelijk gemaakt dat rekening moet worden gehouden met goodwill van ongeveer € 700.000. Eiser heeft met zijn enkele stelling, tegenover de betwisting door verweerder, daarnaast niet aannemelijk gemaakt dat C B.V. ook door de ING bank werd gefinancierd met een krediet van € 194.000. Dat C B.V. in de jaren 2008, 2009 en 2010 een positief resultaat na belastingen van respectievelijk ongeveer € 2.000, € 4.000 en € 6.000 heeft behaald, maakt het oordeel niet anders.
Rentebedrag van € 3.131 op aan [B.V. 6] verstrekte rekening-courantkrediet
17. In zijn uitspraak over het jaar 2015 heeft het Gerechtshof Den Haag geoordeeld dat eiser tot en met het jaar 2015 met het verstrekken van gelden aan [B.V. 6] een debiteurenrisico heeft gelopen dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen en dat er dus sprake was van een onzakelijke lening, zodat het afwaarderingsverlies niet op het resultaat uit ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen in mindering kan worden gebracht.De onderhavige rentevordering van € 3.131 is het resultaat van het niet betalen van de rente over de geldverstrekkingen die eiser tot en met 2015 aan [B.V. 6] heeft voldaan.
18. Het bij een onzakelijke lening in de kapitaalsfeer liggende debiteurenrisico heeft in beginsel mede betrekking op het risico dat de rente over die lening niet wordt betaald. Derhalve valt ook het debiteurenrisico met betrekking tot verschuldigd gebleven rente op een onzakelijke lening in beginsel in de kapitaalsfeer.Eiser heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd die moeten leiden tot een ander oordeel. Om redenen van proceseconomie en gelet op het hiervóór genoemde arrest van de Hoge Raad, zal de rechtbank de onderhavige uitspraak niet aanhouden in afwachting van de beslissing van de Hoge Raad op het cassatieberoep tegen de onder 17 vermelde hofuitspraak.
Afwaardering van de door [B.V. 3] overgenomen rekening-courantkredieten van drie groepsentiteiten voor een totaalbedrag van € 110.886
19. Op 20 mei 2014 hebben [B.V. 1] (tot een bedrag van € 53.821), [B.V. 9] (tot een bedrag van € 8.477) en [B.V. 10]
[B.V. 10] (tot een bedrag van € 48.588) afgelost op de schulden die zij hadden aan eiser. Eiser heeft in het jaar 2014 voor dezelfde bedragen vorderingen op [B.V. 3] in rekening-courant geboekt. Het Gerechtshof Amsterdam heeft in de onder 11.3 vermelde verwijzingsuitspraak geoordeeld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij de debiteursvervanging c.q. de omzetting van de vorderingen naar MML een vermogensverlies heeft geleden. Zo echter al sprake zou zijn van een verlies dat voor aftrek in aanmerking zou komen, dan kan dit verlies niet ten laste van het resultaat in het onderhavige jaar komen nu de debiteursvervanging niet in 2016, maar reeds in 2014 heeft plaatsgevonden. Het beroep van eiser op het arrest van de Hoge Raad van 20 november 2020faalt dan ook. De rechtbank ziet reeds daarom geen aanleiding om de onderhavige uitspraak aan te houden tot de Hoge Raad uitspraak heeft gedaan in het cassatieberoep tegen de verwijzingsuitspraak.
Afwaardering van de aan [B.V. 5] verstrekte lening dan wel regresvordering van € 130.708
20. De rechtbank is van oordeel dat, zelfs indien ervan moet worden uitgegaan dat eiser civielrechtelijk een (regres)vordering op [B.V. 5] heeft verkregen in verband met de aflossing van de schuld van [B.V. 5] aan de Rabobank, verweerder het door eiser in zijn aangifte in aftrek gebrachte verlies terecht niet in aftrek heeft toegelaten. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat [B.V. 5] op 19 mei 2015 in staat van faillissement is verklaard. Gelet hierop en gelet op de financiële positie van [B.V. 5] in de jaren vóór 2015 (zie 7 hiervoor) is de rechtbank van oordeel dat de lening een zogenoemde bodemloze putlening betreft. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser de geldlening verstrekt onder zodanige omstandigheden dat aan de uit die lening voortvloeiende vordering, naar eiser reeds aanstonds duidelijk moet zijn geweest, voor het geheel geen waarde toekomt omdat het door hem ter leen verstrekte bedrag niet of niet ten volle zal kunnen worden terugbetaald.Dat het faillissement uiteindelijk op 13 juni 2017 is geëindigd door een akkoord met de resterende schuldeisers en dat dit akkoord en het einde van het faillissement in 2015 niet zodanig onvoorstelbaar waren, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Gelet hierop behoeft het subsidiaire standpunt van verweerder dat sprake is van een onzakelijke lening geen verdere behandeling.
21. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
22. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.