Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2002:AE3171

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 mei 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
37071
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • C.B. Bavinck
  • J.C. van Oven
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt civielrechtelijke toets voor fiscale kwalificatie geldverstrekking moeder- en dochtervennootschap

Belanghebbende kreeg voor het jaar 1994 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd op een belastbaar bedrag van f 6.101.161. Na bezwaar en een ongegrond verklaard beroep bij het Hof, stelde belanghebbende beroep in cassatie in tegen het hofarrest.

De kernvraag betrof de fiscale kwalificatie van een geldverstrekking door een moedervennootschap aan haar dochtervennootschap: moest deze worden aangemerkt als een lening of als een kapitaalverstrekking? De Hoge Raad bevestigde dat in beginsel de civielrechtelijke vorm doorslaggevend is, tenzij sprake is van een van drie uitzonderingssituaties.

In deze zaak bleken geen van deze uitzonderingen van toepassing. Ook het feit dat sommige facturen lang openstonden, rechtvaardigde geen andere fiscale kwalificatie. Het cassatiemiddel werd daarom verworpen en het beroep ongegrond verklaard.

De Hoge Raad wees geen proceskosten toe en sprak het arrest uit op 24 mei 2002.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de civielrechtelijke kwalificatie van de geldverstrekking blijft bepalend voor de fiscale behandeling.

Uitspraak

Nr. 37.071
24 mei 2002
JV
gewezen op het beroep in cassatie van X N.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 27 maart 2001, nr. 97/20873, betreffende na te melden aanslag in de vennootschapsbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1994 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van f 6.101.161, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een middel voorgesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel
Voor de beantwoording van de vraag of een geldverstrekking door een moedervennootschap aan haar dochtervennootschap voor wat betreft de fiscale gevolgen als een geldlening dan wel als een kapitaalverstrekking heeft te gelden, is in beginsel de civielrechtelijke vorm beslissend. Deze regel lijdt in drie gevallen uitzondering, te weten 1. indien alleen naar de schijn sprake is van een lening, terwijl partijen in werkelijkheid hebben beoogd een kapitaalverstrekking tot stand te brengen, 2. indien de lening is verstrekt onder zodanige voorwaarden dat de schuldeiser met het door hem uitgeleende bedrag in zekere mate deel heeft in de onderneming van de schuldenaar, en 3. ingeval - kortgezegd - de geldlening is verstrekt onder zodanige omstandigheden dat aan de uit die lening voortvloeiende vordering, naar de uitlener reeds aanstonds duidelijk moet zijn geweest, voor het geheel of voor een gedeelte geen waarde toekomt omdat het door hem ter leen verstrekte bedrag niet of niet ten volle zal kunnen worden terugbetaald.
De stukken van het geding laten geen andere gevolgtrekking toe dan dat geen van deze situaties zich voordoet. Ook indien, zoals belanghebbende heeft aangevoerd, sommige van haar facturen aan B GmbH 15 tot 20 maanden hebben opengestaan, rechtvaardigt dat niet de conclusie dat het aldus door belanghebbende verleende leverancierskrediet tot één der hiervoor bedoelde uitzonderingsgevallen kan worden gerekend. Het middel kan dan ook, wat er zij van de door het Hof voor zijn uitspraak gegeven motivering, niet tot cassatie leiden.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer F.W.G.M. van Brunschot als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck en J.C. van Oven, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 24 mei 2002.