Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 december 2022 in de zaak tussen
de erven van [betrokkene] (betrokkene), uit Den Haag, eisers
CZ Zorgkantoor, verweerder
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (de Staat).
Procesverloop
Overwegingen
Gelet op de verschillende besluiten die verweerder in de loop van de procedure heeft genomen en de als gevolg daarvan ontstane discussie tussen partijen, ziet de rechtbank aanleiding om eerst de omvang van het geding af te bakenen. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat het bezwaar van eisers was gericht tegen de brief van 9 juli 2019 inzake de beëindigingskosten. Dit betekent dat de rechtbank nu eerst zal beoordelen of verweerder terecht het standpunt heeft ingenomen dat die brief geen besluit bevatte.
€ 18.834,25.
Het besluit van 2 oktober 2021 behelst een gewijzigd toekenningsbesluit, waarin alsnog rekening is gehouden met beëindigingskosten, en wijzigt dus (opnieuw) het pgb-toekenningsbesluit van 1 april 2020 waartegen eisers bezwaar hebben gemaakt. Dit betekent dat het besluit van 2 oktober 2021 niet bij de beoordeling van dit beroep kan worden betrokken. Verweerder dient alsnog op het bezwaar tegen het toekenningsbesluit van 1 april 2020 te beslissen. De rechtbank merkt nog op dat eisers ook bezwaar hebben gemaakt tegen het besluit van 31 maart 2020 (het vaststellingsbesluit) en het beëindigingsbesluit van 1 april 2020. Verweerder heeft nog niet op deze bezwaren beslist. Verweerder dient dit alsnog te doen en moet bij de noodzakelijke heroverweging hierbij op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb ook het besluit van 2 oktober 2021 en de bezwaren van eisers over de ophoging van het budget op grond van de 10VV-indicatie betrekken. Met deze nog te nemen beslissing op bezwaar kan verweerder tevens de nieuwe beslissing op bezwaar ter vervanging van het in beroep bestreden besluit nemen, zodat in één besluit op alle bezwaren van eisers over het pgb wordt beslist.