Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juli 2021 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres
de korpschef van politie, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
8 november 2018. Gebleken is tevens dat eiseres niet transparant is geweest in haar verklaringen, onder meer ten aanzien van de vraag door wie de verbouwingswerkzaamheden aan haar nieuwe woning zijn uitgevoerd en ten aanzien van het al dan niet opnemen van geld om onder de fiscale vermogensgrens te blijven.
Volgens vaste rechtspraak gelden in het ambtenarentuchtrecht niet de strikte bewijsregels die in het strafrecht van toepassing zijn. Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot het opleggen van een disciplinaire maatregel aanleiding kan geven is het noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de verweten gedragingen ook aan de betrokken ambtenaar kunnen worden toegerekend. Voorts dient de opgelegde straf evenredig te zijn aan de ernst van het gepleegde plichtsverzuim. [1]