ECLI:NL:RBDHA:2021:16496
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel niet-ontvankelijk wegens vertrek met onbekende bestemming
Eiser, van Algerijnse nationaliteit, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid waarin zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd werd afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep werd ingesteld op 20 april 2021. Tijdens de procedure meldde verweerder dat eiser op 22 april 2021 met onbekende bestemming was vertrokken.
De gemachtigde van eiser gaf aan geen contact meer te hebben met eiser en niet te weten waar hij zich bevindt, maar stelde dat het beroep nog wel inhoudelijk beoordeeld moest worden omdat het zich richtte tegen het opgelegde inreisverbod. De rechtbank oordeelde echter dat wanneer een asielzoeker zonder contact te onderhouden met zijn gemachtigde vertrekt, hij kennelijk geen prijs meer stelt op bescherming en daarmee geen procesbelang meer heeft.
De rechtbank concludeerde dat eiser geen rechtens te beschermen belang meer heeft bij de inhoudelijke beoordeling van het beroep. Dit geldt zowel voor de verblijfsrechtelijke aspecten als voor het inreisverbod. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verblijfsvergunning wordt niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang.