ECLI:NL:RVS:2013:1612
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen inreisverbod na vrijwillig vertrek
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister werd afgewezen en waarbij tevens een inreisverbod werd opgelegd. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep tegen het inreisverbod gegrond en bepaalde dat de minister een nieuw besluit moest nemen. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in.
Na het uitvaardigen van een nieuw inreisverbod door de staatssecretaris, vertrok de vreemdeling vrijwillig naar zijn land van herkomst, Irak, met behulp van de Internationale Organisatie voor Migratie. Hierdoor stelde de vreemdeling kennelijk geen prijs meer op de bescherming in Nederland en had hij geen rechtens te beschermen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het hoger beroep daarom kennelijk niet-ontvankelijk was. Tevens werd vastgesteld dat het hoger beroep tegen het inreisverbod van 27 december 2012 niet-ontvankelijk was. Er bestond geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen het inreisverbod is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een rechtens te beschermen belang.