ECLI:NL:RBDHA:2021:16242
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens ontbreken meer dan gebruikelijke afhankelijkheid
Eiseres, geboren in 1939 en van onbekende nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om bij haar kleinzoon, zoon en schoondochter in Nederland te verblijven. De aanvraag werd in 2018 afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard. Na een eerdere vernietiging door de rechtbank Amsterdam werd een nieuw besluit genomen dat opnieuw tot afwijzing leidde.
De kern van het geschil is of er sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en haar zoon en schoondochter, wat gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro zou betekenen en verblijf zou kunnen rechtvaardigen. Verweerder stelde dat langdurige samenwoning onvoldoende is, mede gelet op de culturele context, en dat eiseres niet exclusief afhankelijk is voor financiële en medische zorg. De rechtbank oordeelde dat verweerder alle relevante omstandigheden heeft meegewogen en dat de afwijzing voldoende is gemotiveerd.
Eiseres stelde dat verweerder onterecht een te hoog peilmoment hanteerde en onvoldoende rekening hield met haar langdurige zorgbehoefte en emotionele afhankelijkheid. De rechtbank volgde dit niet en vond dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat de zorg ook door anderen kan worden verleend en dat het contact via videogesprekken emotionele steun biedt.
Daarnaast vorderde eiseres schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelde vast dat de bezwaar- en beroepsprocedure meer dan drie jaar duurde, wat de redelijke termijn overschrijdt. De overschrijding is volledig aan verweerder toe te rekenen en de rechtbank veroordeelde verweerder tot betaling van € 1.500,- aan eiseres.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en veroordeelde verweerder tot schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en verweerder wordt veroordeeld tot betaling van € 1.500,- schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.