ECLI:NL:RVS:2022:3189
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende belangenafweging
De staatssecretaris heeft op 5 februari 2018 een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf afgewezen. De vreemdeling maakte bezwaar, dat op 21 januari 2021 opnieuw ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, maar kende een schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De vreemdeling ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep op artikel 8 EVRM Pro niet slaagt, omdat de staatssecretaris geen volledige belangenafweging heeft verricht met betrekking tot de emotionele banden tussen de vreemdeling en haar in Nederland verblijvende zoon en schoondochter.
De Afdeling vernietigt daarom het bestreden besluit en draagt de staatssecretaris op binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen, waarbij een volledige belangenafweging moet worden gemaakt. Het verzoek om aanvullende schadevergoeding wordt afgewezen omdat de reeds toegekende vergoeding hoger is dan het op grond van de termijnoverschrijding verschuldigde bedrag.
De staatssecretaris wordt tevens veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht voor het beroep. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak op 8 november 2022.
Uitkomst: Het besluit van de staatssecretaris wordt vernietigd en een nieuw besluit moet binnen twaalf weken worden genomen met een volledige belangenafweging.