Uitspraak
,
Het procesverloop
Verzoek en verweer
Rechtbank Den Haag
In deze zaak staat centraal welke bevoegdheden ouders, de gecertificeerde instelling (GI) en pleegouders hebben bij het nemen van beslissingen over vakanties en uitstapjes van een minderjarige die met een machtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin verblijft. De rechtbank constateert dat er in de rechtspraak uiteenlopende opvattingen bestaan over de vraag of ouders toestemming moeten geven voor vakanties met pleegouders, of dat de GI of pleegouders zelfstandig kunnen beslissen.
De rechtbank verwijst naar de wettelijke kaders in het Burgerlijk Wetboek en de Jeugdwet, en bespreekt relevante jurisprudentie. Daarbij wordt ook aandacht besteed aan de rol van de kinderrechter bij geschillen over toestemming en de toepassing van artikel 1:262b BW voor vervangende toestemming. Daarnaast komen vragen aan de orde over weekendplaatsingen zonder machtiging, de invloed van eerdere rechterlijke beslissingen over zorg- en omgangsregelingen, en de gevolgen van de uitspraak van de Hoge Raad van 14 december 2018.
Vanwege de complexiteit en het belang van de rechtsvragen voor talrijke vergelijkbare zaken, stelt de rechtbank prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. De ouders en de GI worden in de gelegenheid gesteld om zich schriftelijk uit te laten over het voornemen en de inhoud van de vragen. De rechtbank houdt verdere beslissingen aan in afwachting van het antwoord van de Hoge Raad.
Uitkomst: De rechtbank stelt prejudiciële vragen aan de Hoge Raad en houdt verdere beslissingen aan in afwachting van het antwoord.