ECLI:NL:RBDHA:2020:6893
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroep tegen intrekking verblijfsvergunning en niet-ontvankelijkheid asielaanvragen wegens internationale bescherming in Griekenland
Eiser en zijn minderjarige dochters, allen Syrische nationaliteit, kregen hun verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken met terugwerkende kracht tot 2015, omdat zij internationale bescherming genieten in Griekenland. Tevens werden de asielaanvragen van de dochters niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank oordeelt dat verweerder bevoegd was tot intrekking op grond van het verstrekken van onjuiste of achtergehouden gegevens.
Eiser voerde aan niet te hebben geweten van zijn Griekse asielstatus en dat hij geen verblijfsvergunning in handen had. De rechtbank acht dit niet relevant; bepalend is of bij bekendheid met de juiste gegevens de vergunning zou zijn verleend, wat niet het geval is. De rechtbank weegt ook de situatie van het gezin bij terugkeer naar Griekenland af, waarbij verweerder stelt dat het gezin geen reëel risico loopt op schending van artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro.
Hoewel het gezin kwetsbaar is, is volgens de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie zullen verkeren. De rechtbank volgt de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak en het Hof van Justitie EU, en concludeert dat het beroep ongegrond is. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De beroepen tegen de intrekking van de verblijfsvergunning en niet-ontvankelijkheid van asielaanvragen worden ongegrond verklaard.